A2 spreken: tips, oefenen en voorbeelden
Examen Spreken A2 – Oefenen en voorbeelden
Het examen Spreken op niveau A2 wordt meestal afgenomen met een docent of examinator.
Je krijgt 2 onderdelen:
- Gesprek / interactie – je voert een kort gesprek over dagelijkse onderwerpen.
- Monoloog / beschrijving – je praat een korte tijd over een onderwerp, bijvoorbeeld jezelf, je hobby of een gebeurtenis.
Het examen duurt ongeveer 15–20 minuten.
Oefenexamens A2 Spreken
- Nt2 menu: Spreekvaardigheid A2 oefentoetsen
(online oefentoetsen vaak met audio) - DUO oefenexamens Spreken 1, 2, 3
(voorbeeldvragen en tips voor antwoorden)
Tips voor het examen
- Lees de vraag goed
Let op wat je precies moet zeggen: wie, waar, wanneer, waarom. - Spreek kort en duidelijk
Gebruik korte zinnen, één idee per zin. Liever simpel en correct dan moeilijk en fout. - Gebruik signaalwoorden
Eerst, daarna, dan, en, maar, omdat, want. Dit maakt je verhaal duidelijker. - Oefen standaardzinnen
- “Het gaat goed, dank je.”
- “Ik vind … leuk, omdat …”
- “Mijn favoriete … is …”
- Let op uitspraak
Probeer duidelijk te spreken, niet te snel.
Mogelijke vragen tijdens het examen
1. Korte introductie / gesprek
- Vertel iets over jezelf: naam, leeftijd, woonplaats, hobby’s.
- Vraag en antwoord over dagelijkse dingen: werk, school, familie, vrije tijd.
2. Situaties / praktische gesprekken
- Je bent in een winkel en wilt iets kopen of terugbrengen.
- Je wilt iemand uitnodigen of afspreken.
- Je vraagt de weg of informatie.
3. Beschrijving / monoloog
- Beschrijf je favoriete maaltijd, seizoen, huisdier of winkel.
- Vertel over een gebeurtenis in het verleden: je eerste schooldag, een feest, een sportwedstrijd.
4. Rollen / rollenspel
- De examinator speelt bijvoorbeeld een winkelmedewerker of buurman.
- Je oefent kort vragen stellen en antwoorden geven.
Voorbeelden van oefenantwoorden
Korte introductie:
Mijn naam is Fatima. Ik ben 28 jaar en ik woon in Utrecht. Ik werk in een winkel. In mijn vrije tijd wandel ik graag en lees ik boeken. Mijn favoriete seizoen is de zomer, omdat het warm is en ik vaak buiten kan zijn.
Beschrijving favoriete maaltijd:
Mijn favoriete maaltijd is spaghetti met tomatensaus. Ik eet het meestal op vrijdagavond met mijn familie. Ik vind het lekker omdat het warm en stevig is en iedereen het lekker vindt.
Verhaal in verleden tijd:
Gisteren ging ik naar het park. Eerst wandelde ik met mijn hond. Daarna ontmoette ik een vriend. We dronken koffie en praatten over ons werk. Het leukste moment was toen we samen een ijsje aten. Daarna ging ik naar huis en keek ik televisie.
Praktisch gesprek – winkel:
Excuseer, ik heb dit shirt gisteren gekocht, maar het is te klein. Kan ik het ruilen voor een grotere maat?
Puntentelling (indicatief)
| Onderdeel | Punten |
|---|---|
| Inhoud (wat je zegt) | 10–12 |
| Taalgebruik (grammatica, zinnen) | 8–10 |
| Woordenschat | 6–8 |
| Uitspraak / vloeiendheid | 4–6 |
Een voldoende ligt meestal rond 60% of hoger.
Extra oefenopdrachten
Vertel over je favoriete sport of spel.
Nodig een vriend uit, maar stel voor om het later te doen.
Vertel over je laatste vakantie.
Beschrijf je kamer of huis.
Vraag iemand om hulp met een probleem.
Oefenvragen A2 Spreken
1. Korte introductie
Vraag: Vertel iets over jezelf.
Voorbeeldantwoord:
Mijn naam is Ahmed. Ik ben 30 jaar en ik woon in Amsterdam. Ik werk in een supermarkt. Mijn hobby’s zijn koken en wandelen.
2. Familie
Vraag: Vertel over je familie.
Voorbeeldantwoord:
Ik heb een broer en een zus. Mijn broer heet Sam en mijn zus heet Laila. Mijn ouders wonen in dezelfde stad.
3. Woonplaats
Vraag: Beschrijf je woonplaats.
Voorbeeldantwoord:
Ik woon in Utrecht. Het is een mooie stad met veel parken en winkels. Ik ga vaak naar het centrum om te wandelen.
4. Dagelijkse routine
Vraag: Vertel wat je elke dag doet.
Voorbeeldantwoord:
Ik sta om zeven uur op. Ik ontbijt en ga daarna naar mijn werk. Na het werk kook ik en kijk ik televisie.
5. Vrije tijd
Vraag: Wat doe je in je vrije tijd?
Voorbeeldantwoord:
In mijn vrije tijd lees ik boeken en wandel ik met mijn hond. Soms ga ik met vrienden naar de film.
6. Favoriete maaltijd
Vraag: Beschrijf je favoriete maaltijd.
Voorbeeldantwoord:
Mijn favoriete maaltijd is spaghetti met tomatensaus. Ik eet het meestal op vrijdagavond. Het is lekker en iedereen in mijn familie vindt het ook lekker.
7. Favoriet seizoen
Vraag: Welk seizoen vind je het leukst en waarom?
Voorbeeldantwoord:
Mijn favoriete seizoen is de zomer. Het is warm en ik kan veel buiten zijn. Ik ga vaak fietsen en zwemmen.
8. Huis of kamer
Vraag: Beschrijf je kamer of huis.
Voorbeeldantwoord:
Ik woon in een appartement. Mijn kamer is groot en licht. Er staat een bed, een bureau en een kast. Ik vind mijn kamer gezellig.
9. Sport of spel
Vraag: Vertel over een sport die je doet.
Voorbeeldantwoord:
Ik speel voetbal met vrienden. We spelen elke zaterdag in het park. Het is leuk en ik beweeg veel.
10. Favoriete plek
Vraag: Beschrijf je favoriete plek in de stad.
Voorbeeldantwoord:
Mijn favoriete plek is het park dichtbij mijn huis. Ik wandel er vaak of lees een boek op een bankje. Het is rustig en mooi.
11. Een gebeurtenis in het verleden
Vraag: Vertel over je eerste schooldag dit jaar.
Voorbeeldantwoord:
Op mijn eerste schooldag zag ik mijn vrienden. We hebben samen gelachen en de leraar ontmoet. Ik voelde me blij en een beetje zenuwachtig.
12. Een feest of verjaardag
Vraag: Vertel over een feest dat je onlangs bezocht.
Voorbeeldantwoord:
Vorige week ging ik naar een verjaardag van mijn vriend. Er waren veel mensen. Het leukste was het dansen en samen eten.
13. Naar de winkel
Vraag: Je wilt iets terugbrengen in de winkel.
Voorbeeldantwoord:
Excuseer, ik heb dit shirt gisteren gekocht, maar het is te klein. Kan ik het ruilen voor een grotere maat?
14. Nodig iemand uit
Vraag: Nodig een vriend uit voor koffie.
Voorbeeldantwoord:
Hallo, wil je morgen bij mij komen voor koffie? Ik kan om drie uur. Als het niet kan, kunnen we een andere dag afspreken.
15. Afspraak maken
Vraag: Maak een afspraak bij de tandarts.
Voorbeeldantwoord:
Hallo, ik wil graag een afspraak maken bij de tandarts. Het liefst op dinsdag om tien uur. Kan dat?
16. Iemand bedanken
Vraag: Bedank iemand voor hulp.
Voorbeeldantwoord:
Bedankt dat je me gisteren hebt geholpen met mijn computer. Het werkt nu goed. Ik wil je binnenkort terug helpen.
17. Huisdier
Vraag: Beschrijf je huisdier of een dier dat je leuk vindt.
Voorbeeldantwoord:
Ik heb een kat. Ze is wit met zwart. Ze speelt graag met een bal. Ik vind haar leuk omdat ze lief is.
18. Leren of cursus
Vraag: Vertel waarom je een cursus wilt volgen.
Voorbeeldantwoord:
Ik wil een cursus Nederlands doen. Ik wil beter praten met mijn collega’s en nieuwe woorden leren.
19. Vakantie
Vraag: Vertel over je laatste vakantie.
Voorbeeldantwoord:
Vorige zomer ging ik naar Spanje. Ik bezocht het strand en de stad. Het was mooi en ik heb veel foto’s gemaakt.
20. Een nieuwe ervaring
Vraag: Vertel over iets nieuws dat je hebt gedaan.
Voorbeeldantwoord:
Vorige week heb ik leren fietsen zonder zijwieltjes. Het was moeilijk, maar leuk. Ik voelde me trots toen het lukte.
Oefeningen A2 Spreken – Rollenspellen & Korte Dialogen
1. In de winkel – iets kopen
Situatie: Je wilt een brood kopen.
Voorbeeld:
Jij: “Goedemiddag, ik wil graag een brood kopen.”
Verkoper: “Wilt u wit of bruin brood?”
Jij: “Bruin, alstublieft.”
2. In de winkel – iets terugbrengen
Situatie: Je wilt een shirt ruilen.
Voorbeeld:
Jij: “Ik heb dit shirt gekocht, maar het is te klein. Kan ik het ruilen?”
Verkoper: “Ja, natuurlijk. Welke maat wilt u?”
3. Naar de bibliotheek
Situatie: Je wilt een boek lenen.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, ik wil dit boek reserveren. Is het beschikbaar?”
Bibliotheek: “Ja, dat kan. U kunt het twee weken lenen.”
4. Afspraak maken bij de tandarts
Situatie: Je belt voor een afspraak.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, ik wil graag een afspraak maken bij de tandarts.”
Tandarts: “Wanneer wilt u komen?”
Jij: “Het liefst dinsdag om tien uur.”
5. Een vriend uitnodigen
Situatie: Nodig een vriend uit voor koffie.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, wil je morgen bij mij komen voor koffie?”
Vriend: “Sorry, ik kan niet.”
Jij: “Oke, dan kunnen we een andere dag afspreken.”
6. Bedanken voor hulp
Situatie: Iemand heeft je geholpen met je fiets.
Voorbeeld:
Jij: “Bedankt dat je me hebt geholpen met mijn fiets.”
Vriend: “Graag gedaan!”
Jij: “Nu werkt hij goed.”
7. Vragen naar de weg
Situatie: Je zoekt het station.
Voorbeeld:
Jij: “Pardon, kunt u mij vertellen waar het station is?”
Persoon: “Ga rechtdoor en dan de tweede straat rechts.”
Jij: “Dank u wel!”
8. In een café
Situatie: Je bestelt drinken.
Voorbeeld:
Jij: “Een koffie, alstublieft.”
Ober: “Wilt u melk en suiker?”
Jij: “Ja, graag.”
9. Klacht over pakket
Situatie: Je hebt een kapot pakket ontvangen.
Voorbeeld:
Jij: “Goedemiddag, ik heb een pakket ontvangen, maar het is kapot.”
Winkel: “Wat is er kapot?”
Jij: “De vaas is gebroken. Wat kan ik doen?”
10. In een hotel
Situatie: Je vraagt naar een kamer.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, ik wil een kamer voor twee nachten.”
Receptie: “Wilt u een eenpersoons- of tweepersoonskamer?”
Jij: “Een tweepersoonskamer, alstublieft.”
11. Huiswerk vragen
Situatie: Je vraagt hulp over een oefening.
Voorbeeld:
Jij: “Kunt u mij helpen met deze oefening?”
Leraar: “Ja, wat is het probleem?”
Jij: “Ik begrijp deze zin niet.”
12. In een restaurant
Situatie: Je bestelt eten.
Voorbeeld:
Jij: “Ik wil de spaghetti alstublieft.”
Ober: “Wilt u er een salade bij?”
Jij: “Ja, graag.”
13. Vervoer
Situatie: Vraag naar de bus of tram.
Voorbeeld:
Jij: “Welke bus gaat naar het centrum?”
Persoon: “Bus 5, hij vertrekt over vijf minuten.”
Jij: “Dank u wel!”
14. Bij de dokter
Situatie: Je maakt een afspraak of vertelt over je klacht.
Voorbeeld:
Jij: “Ik heb keelpijn en koorts.”
Dokter: “Hoe lang heeft u dit al?”
Jij: “Sinds gisteren.”
15. Naar de supermarkt – vragen
Situatie: Je zoekt een product.
Voorbeeld:
Jij: “Waar kan ik de melk vinden?”
Medewerker: “Rechts, bij de koeling.”
Jij: “Dank u wel!”
16. Buurman of buurvrouw
Situatie: Je wilt iets vragen over lawaai.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, kunt u na 22.00 uur wat stiller zijn?”
Buurman: “Oke, geen probleem.”
17. Problemen met internet
Situatie: Je belt de provider.
Voorbeeld:
Jij: “Mijn internet werkt niet.”
Medewerker: “Heeft u de modem al opnieuw opgestart?”
Jij: “Ja, maar het helpt niet.”
18. Vraag over cursus
Situatie: Je wilt informatie over een cursus.
Voorbeeld:
Jij: “Welke cursussen hebben jullie?”
Bibliotheek: “We hebben taalcursussen en computerlessen.”
Jij: “Wat kost de cursus Nederlands?”
19. In de apotheek
Situatie: Je vraagt naar medicijnen.
Voorbeeld:
Jij: “Ik heb pijn in mijn hoofd. Welk medicijn kan ik nemen?”
Apotheek: “Paracetamol helpt goed.”
Jij: “Dank u, hoeveel moet ik nemen?”
20. Plannen maken
Situatie: Je maakt een afspraak met een vriend voor sport.
Voorbeeld:
Jij: “Wil je morgen voetballen?”
Vriend: “Ja, graag. Hoe laat?”
Jij: “Om vier uur in het park?”
Tip: Oefen hardop, bijvoorbeeld met een partner of voor de spiegel. Wissel af: soms stel jij de vragen, soms geef je antwoorden. Spreek korte, duidelijke zinnen en gebruik signaalwoorden zoals eerst, daarna, toen, uiteindelijk, vooral bij verhalen in de verleden tijd.
Oefenboekje Spreken A2 – 20 Voorbeeldexamens
Algemene tips
- Oefen hardop, bij voorkeur met een partner of voor de spiegel.
- Wissel af: soms stel jij de vragen, soms geef je antwoorden.
- Spreek korte, duidelijke zinnen.
- Gebruik signaalwoorden zoals eerst, daarna, toen, uiteindelijk, vooral bij verhalen in de verleden tijd.
- Probeer rustig en duidelijk te spreken; maak je geen zorgen over kleine fouten.
Voorbeeldexamens
Voorbeeldexamen 1
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel iets over jezelf.
Voorbeeldantwoord:
Mijn naam is Fatima. Ik ben 28 jaar en ik woon in Utrecht. Ik werk in een winkel. Mijn hobby’s zijn koken en wandelen.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je wilt een boek reserveren in de bibliotheek.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, ik wil graag dit boek reserveren. Is het beschikbaar?”
Bibliotheek: “Ja, dat kan. U kunt het twee weken lenen.”
Voorbeeldexamen 2
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel over je familie.
Voorbeeldantwoord:
Ik heb een broer en een zus. Mijn broer heet Sam en mijn zus heet Laila. Mijn ouders wonen in dezelfde stad.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je wilt iets terugbrengen in de winkel.
Voorbeeld:
Jij: “Ik heb dit shirt gekocht, maar het is te klein. Kan ik het ruilen?”
Verkoper: “Ja, natuurlijk. Welke maat wilt u?”
Voorbeeldexamen 3
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Beschrijf je woonplaats.
Voorbeeldantwoord:
Ik woon in Amsterdam. Het is een mooie stad met veel parken en winkels. Ik ga vaak naar het centrum om te wandelen.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je maakt een afspraak bij de tandarts.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, ik wil graag een afspraak maken bij de tandarts.”
Tandarts: “Wanneer wilt u komen?”
Jij: “Het liefst dinsdag om tien uur.”
Voorbeeldexamen 4
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Wat doe je in je vrije tijd?
Voorbeeldantwoord:
In mijn vrije tijd lees ik boeken en wandel ik met mijn hond. Soms ga ik met vrienden naar de film.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je wilt iemand bedanken voor hulp met je computer.
Voorbeeld:
Jij: “Bedankt dat je me gisteren hebt geholpen met mijn computer. Het werkt nu goed.”
Vriend: “Graag gedaan!”
Jij: “Ik wil je binnenkort terug helpen.”
Voorbeeldexamen 5
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Beschrijf je favoriete maaltijd.
Voorbeeldantwoord:
Mijn favoriete maaltijd is spaghetti met tomatensaus. Ik eet het meestal op vrijdagavond. Het is lekker en mijn familie vindt het ook lekker.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je wilt een vriend uitnodigen voor koffie.
Voorbeeld:
Jij: “Hallo, wil je morgen bij mij komen voor koffie?”
Vriend: “Sorry, ik kan niet.”
Jij: “Oke, dan kunnen we een andere dag afspreken.”
Voorbeeldexamen 6
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel over een feest dat je onlangs bezocht.
Voorbeeldantwoord:
Vorige week ging ik naar een verjaardag van mijn vriend. Er waren veel mensen. Het leukste was het dansen en samen eten.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je zoekt het station.
Voorbeeld:
Jij: “Pardon, kunt u mij vertellen waar het station is?”
Persoon: “Ga rechtdoor en dan de tweede straat rechts.”
Jij: “Dank u wel!”
Voorbeeldexamen 7
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel over je huis of kamer.
Voorbeeldantwoord:
Ik woon in een appartement. Mijn kamer is groot en licht. Er staat een bed, een bureau en een kast. Ik vind mijn kamer gezellig.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je hebt een kapot pakket ontvangen.
Voorbeeld:
Jij: “Goedemiddag, ik heb een pakket ontvangen, maar het is kapot.”
Winkel: “Wat is er kapot?”
Jij: “De vaas is gebroken. Wat kan ik doen?”
Voorbeeldexamen 8
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel over je hobby’s.
Voorbeeldantwoord:
Mijn hobby’s zijn tekenen en fietsen. Ik teken vaak in het weekend. Fietsen doe ik met vrienden in het park.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je vraagt naar een cursus in de bibliotheek.
Voorbeeld:
Jij: “Welke cursussen hebben jullie?”
Bibliotheek: “We hebben taalcursussen en computerlessen.”
Jij: “Wat kost de cursus Nederlands?”
Voorbeeldexamen 9
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel over je favoriete seizoen.
Voorbeeldantwoord:
Mijn favoriete seizoen is de zomer. Het is warm en ik kan veel buiten zijn. Ik ga vaak fietsen en zwemmen.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je vraagt naar de bus naar het centrum.
Voorbeeld:
Jij: “Welke bus gaat naar het centrum?”
Persoon: “Bus 5, hij vertrekt over vijf minuten.”
Jij: “Dank u wel!”
Voorbeeldexamen 10
Deel 1 – Korte introductie
Vraag: Vertel over iets nieuws dat je hebt geleerd.
Voorbeeldantwoord:
Vorige week heb ik leren fietsen zonder zijwieltjes. Het was moeilijk, maar leuk. Ik voelde me trots toen het lukte.
Deel 2 – Rollenspel
Situatie: Je bestelt eten in een restaurant.
Voorbeeld:
Jij: “Ik wil de spaghetti alstublieft.”
Ober: “Wilt u er een salade bij?”
Jij: “Ja, graag.”
Voorbeeldexamen 11
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je werk of studie.
Voorbeeldantwoord:
Ik werk in een supermarkt. Ik verkoop groente en fruit. Ik vind mijn werk leuk, omdat ik veel mensen help.
Deel 2 – Rollenspel: Je vraagt naar medicijnen in de apotheek.
Jij: “Ik heb pijn in mijn hoofd. Welk medicijn kan ik nemen?”
Apotheek: “Paracetamol helpt goed.”
Jij: “Dank u, hoeveel moet ik nemen?”
Voorbeeldexamen 12
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je dagelijkse routine.
Voorbeeldantwoord:
Ik sta om zeven uur op. Ik ontbijt en ga naar mijn werk. In de middag kook ik en kijk ik televisie.
Deel 2 – Rollenspel: Je vraagt hulp bij huiswerk.
Jij: “Kunt u mij helpen met deze oefening?”
Leraar: “Ja, wat is het probleem?”
Jij: “Ik begrijp deze zin niet.”
Voorbeeldexamen 13
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je familie.
Voorbeeldantwoord:
Ik heb een broer en een zus. Mijn ouders wonen in dezelfde stad.
Deel 2 – Rollenspel: Je maakt een afspraak met een vriend om te sporten.
Jij: “Wil je morgen voetballen?”
Vriend: “Ja, graag. Hoe laat?”
Jij: “Om vier uur in het park?”
Voorbeeldexamen 14
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je favoriete plek in de stad.
Voorbeeldantwoord:
Mijn favoriete plek is het park dichtbij mijn huis. Ik wandel er vaak of lees een boek.
Deel 2 – Rollenspel: Je vraagt de weg naar een restaurant.
Jij: “Pardon, hoe kom ik bij het restaurant?”
Persoon: “Ga rechtdoor en dan de tweede straat rechts.”
Voorbeeldexamen 15
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over een vakantie.
Voorbeeldantwoord:
Vorige zomer ging ik naar Spanje. Ik bezocht het strand en de stad. Het was mooi en ik heb veel foto’s gemaakt.
Deel 2 – Rollenspel: Je wilt een kamer reserveren in een hotel.
Jij: “Hallo, ik wil een kamer voor twee nachten.”
Receptie: “Wilt u een eenpersoons- of tweepersoonskamer?”
Jij: “Een tweepersoonskamer, alstublieft.”
Voorbeeldexamen 16
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je favoriete sport.
Voorbeeldantwoord:
Ik speel voetbal met vrienden. We spelen elke zaterdag in het park. Het is leuk en ik beweeg veel.
Deel 2 – Rollenspel: Je belt de internetprovider vanwege een storing.
Jij: “Mijn internet werkt niet.”
Medewerker: “Heeft u de modem al opnieuw opgestart?”
Jij: “Ja, maar het helpt niet.”
Voorbeeldexamen 17
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je huisdier.
Voorbeeldantwoord:
Ik heb een kat. Ze is wit met zwart. Ze speelt graag met een bal. Ik vind haar leuk omdat ze lief is.
Deel 2 – Rollenspel: Je vraagt informatie over een cursus in de bibliotheek.
Jij: “Welke cursussen hebben jullie?”
Bibliotheek: “We hebben taalcursussen en computerlessen.”
Jij: “Wat kost de cursus Nederlands?”
Voorbeeldexamen 18
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over je eerste schooldag.
Voorbeeldantwoord:
Op mijn eerste schooldag zag ik mijn vrienden. We hebben samen gelachen en de leraar ontmoet. Ik voelde me blij en een beetje zenuwachtig.
Deel 2 – Rollenspel: Je bedankt iemand voor hulp met een fiets.
Jij: “Bedankt dat je me hebt geholpen met mijn fiets.”
Vriend: “Graag gedaan!”
Voorbeeldexamen 19
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over iets wat je geleerd hebt.
Voorbeeldantwoord:
Vorige week heb ik leren fietsen zonder zijwieltjes. Het was moeilijk, maar leuk. Ik voelde me trots toen het lukte.
Deel 2 – Rollenspel: Je bestelt drinken in een café.
Jij: “Een koffie, alstublieft.”
Ober: “Wilt u melk en suiker?”
Jij: “Ja, graag.”
Voorbeeldexamen 20
Deel 1 – Korte introductie: Vertel over een feest dat je bezocht.
Voorbeeldantwoord:
Vorige week ging ik naar een verjaardag van mijn vriend. Het leukste was het dansen en samen eten.
Deel 2 – Rollenspel: Je vraagt aan de buren om na 22.00 uur wat stiller te zijn.
Jij: “Hallo, kunt u na 22.00 uur wat stiller zijn?”
Buurman: “Oke, geen probleem.”