ISK/De stam van een werkwoord

Geplaatst op door in de categorie Taal, Taal - A0/Basiskennis, Taal - A1 niveau

Heel veel mensen hebben moeite met het spellen van werkwoorden. Werkwoordspelling is echter het belangrijkste onderdeel van spelling. In elke zin staat namelijk een werkwoord.

De stam van een werkwoord is het hele werkwoord -en. 

  • De stam van werken is werk
  • De stam van wachten is wacht
  • De stam maaien is maai

De stam van een werkwoord wordt soms verward met de ik-vorm, maar deze twee termen betekenen niet hetzelfde en zijn vaak ook qua vorm verschillend. Bij de vervoeging van werkwoorden is de ik-vorm eigenlijk relevanter dan de stam. Dit is omdat de uitgangen voor de tegenwoordige tijd (-t), de verleden tijd (-de/-den of -te/-ten), en het voltooid deelwoord (-d of -t) aan de ik-vorm worden toegevoegd.

In de tegenwoordige tijd (dus wat er nu gebeurt) zijn de meeste werkwoorden regelmatig. De ik-vorm wordt direct afgeleid van de stam van het werkwoord, en bij de jij-, u- en hij-vormen wordt er een -t aan toegevoegd:

Hele werkwoordStamIk-vormHij-vorm
Werkenwerkwerkwerkt
Bellenbellbelbelt
Stakenstakstaakstaakt
Reizenreizreisreist
Levenlevleefleeft
Meldenmeldmeldmeldt
Wachtenwachtwachtwacht
Lachenlachlachlacht
Helpenhelphelphelpt
Vragenvraagvraagvraagt

Een kleine groep werkwoorden is onregelmatig in het tegenwoordige tijd. Het gaat om de werkwoorden ‘hebben‘ en  ‘zijn‘. En de modale werkwoorden: ‘mogen’, ‘kunnen’, ‘zullen’, ‘moeten’ en ‘willen’.

In de verleden tijd zijn er veel meer onregelmatige werkwoorden. Deze zul je uit je hoofd moeten leren. Voor de regelmatige werkwoorden gebruiken we in het Nederlands vaak het ezelsbruggetje van ’t Ex-kofschip. ’t Ex-kofschip is een ezelsbruggetje dat wordt gebruikt om te bepalen hoe je de verleden tijd en het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden in het Nederlands moet spellen. Het helpt bij het kiezen tussen de uitgangen -te(n) en -de(n) voor de verleden tijd, en -t of -d voor het voltooid deelwoord.

Toepassing van ’t Ex-kofschip

Het ezelsbruggetje werkt als volgt: de laatste medeklinker van de stam van een werkwoord bepaalt of de uitgang -te(n) of -de(n) wordt gebruikt. De medeklinkers in het ezelsbruggetje ’t Ex-kofschip (t, x, k, f, s, ch, p) geven aan dat de uitgang -te(n) moet zijn.

Hoe werkt het in de praktijk?

  1. Stap 1: Vind de stam van het werkwoord
    • De stam van een werkwoord krijg je door de infinitief (onbepaalde wijs) te nemen en de uitgang -en eraf te halen.
      • Voorbeeld: “werken” → stam is “werk”.
      • Voorbeeld: “leven” → stam is “lev”.
  2. Stap 2: Kijk naar de laatste letter van de stam
    • Bekijk de laatste medeklinker van de stam (dat is de laatste medeklinker voor de uitgang van de infinitief).
  3. Stap 3: Toepas de regel van ’t Ex-kofschip
    • Als de stam eindigt op één van de medeklinkers uit ’t Ex-kofschip (t, x, k, f, s, ch, p), dan wordt de verleden tijd en het voltooid deelwoord met -te(n) en -t geschreven.
      • Voorbeeld: “werken” → stam is “werk” (eindigt op een k) → verleden tijd: “werkte”, voltooid deelwoord: “gewerkt”.
    • Eindigt de stam op een andere medeklinker (niet in ’t Ex-kofschip), dan wordt de verleden tijd en het voltooid deelwoord met -de(n) en -d geschreven.
      • Voorbeeld: “leven” → stam is “lev” (eindigt op een v, niet in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “leefde”, voltooid deelwoord: “geleefd”.

Voorbeelden:

  • ’t Ex-kofschip-regel (dus -te(n) en -t):
    • Werken: stam is “werk”, eindigt op k (in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “werkte”, voltooid deelwoord: “gewerkt”.
    • Lopen: stam is “loop”, eindigt op p (in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “liep”, voltooid deelwoord: “gelopen”.
    • Kussen: stam is “kus”, eindigt op s (in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “kuste”, voltooid deelwoord: “gekust”.
  • Geen ’t Ex-kofschip (dus -de(n) en -d):
    • Leven: stam is “lev”, eindigt op v (niet in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “leefde”, voltooid deelwoord: “geleefd”.
    • Reizen: stam is “reiz”, eindigt op z (niet in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “reisde”, voltooid deelwoord: “gereisd”.
    • Branden: stam is “brand”, eindigt op d (niet in ’t Ex-kofschip) → verleden tijd: “brandde”, voltooid deelwoord: “gebrand”.

Waarom werkt het zo?

De regel draait om de stemhebbendheid van de medeklinker aan het eind van de stam:

  • De medeklinkers in ’t Ex-kofschip zijn stemloos. Dit betekent dat je stembanden niet trillen als je ze uitspreekt. Daarom gebruik je in de verleden tijd en het voltooid deelwoord de eveneens stemloze uitgangen -te(n) en -t.
  • Medeklinkers die niet in ’t Ex-kofschip staan, zijn stemhebbend. Dit betekent dat je stembanden trillen als je ze uitspreekt, en daarom gebruik je de stemhebbende uitgangen -de(n) en -d.

Conclusie

’t Ex-kofschip helpt om op een eenvoudige manier te bepalen hoe je zwakke werkwoorden in het Nederlands moet vervoegen in de verleden tijd en bij het vormen van het voltooid deelwoord.


Hele werkwoordStamIk-vormImperfectumParticipium
wachtenwachtwachtwachttegewacht
lachenlachlachlachtegelachen
openenopenopenopendegeopend
vertellenvertelvertelverteldeverteld
zuchtenzuchtzuchtzuchttegezucht
helpenhelphelphielpgeholpen
zettenzetzetzettegezet
regenenregenregenregendegeregend
werkenwerkwerkwerktegewerkt
durvendurfdurfdurfdegedurfd

Terug naar het overzicht

Geef een reactie