A1 – TaalCompleet Thema 6 De Kleren/Kleding

Geplaatst op door in de categorie Taal, Taal - A1 niveau

Ter ondersteuning van de taallessen

Wil je Nederlands leren of alvast oefenen voor het inburgeringsexamen? Dan kun je hier alvast beginnen!

Om structuur aan te bieden bij de taallessen op niveau A1 en A2 hebben wij de inhoudsopgave van TaalCompleet als richtlijn gebruikt en nagenoeg de volgorde die zij gebruiken overgenomen.

De informatie die wij delen is bedoeld ter ondersteuning van de professionele (online) taallessen. Het eerste deel van de taalblogs bestaat uit aanvullende informatie over het thema. Het geeft inzicht in de cultuur van Nederland en kan daarmee dienen als gespreksonderwerp. Gevolgd door de onderwerpen (onder andere spelling en grammatica) die in het boek TaalCompleet worden behandeld bij het thema ‘De Kleren’.

Tip. Klik eerst op vertalen, zodat je weet waar het thema over gaat. Met name omdat hieronder veel aanvullende informatie wordt gegeven om het thema te verduidelijken. Daarna keer je weer terug naar het Nederlands.

(De antwoorden tref je onderaan deze pagina aan)


Handige zinnen

(wat je ziet is een plaatje, met een link naar het betreffende filmpje eronder)


Uiterlijk


Kleding

Woordenschat

  1. JasCoatمعطف (mi‘ṭaf)
  2. T-shirtT-shirtتي شيرت (tī shīrt)
  3. BroekPantsسروال (sirwāl)
  4. JeansJeansجينز (jīnz)
  5. TruiSweaterسترة (sutrah)
  6. HemdShirtقميص (qamīṣ)
  7. RokSkirtتنورة (tannūrah)
  8. JurkDressفستان (fustān)
  9. BlouseBlouseبلوزة (blūzah)
  10. VestVest/Cardiganسترة صوفية (sutrah ṣūfiyah)
  11. SokkenSocksجوارب (jawārib)
  12. SchoenenShoesأحذية (aḥdhiyah)
  13. LaarzenBootsأحذية طويلة (aḥdhiyah ṭawīlah)
  14. SneakersSneakersأحذية رياضية (aḥdhiyah riyāḍiyyah)
  15. PetCapقبعة (qubbah)
  16. HoedHatقبعة (qubbah)
  17. Jas met capuchon (Hoodie)Hoodieسترة بقلنسوة (sutrah bi-qalansuwah)
  18. OndergoedUnderwearملابس داخلية (malābis dākhiliyyah)
  19. BhBraحمالة صدر (ḥammālat ṣadr)
  20. BoxershortsBoxer shortsسروال داخلي (sirwāl dākhilī)
  21. PyjamaPyjamasبيجامة (bījāmah)
  22. ZwemkledingSwimwearملابس سباحة (malābis sibāḥah)
  23. HandschoenenGlovesقفازات (quffazat)
  24. SjaalScarfوشاح (wishāḥ)
  25. MutsBeanieقبعة صوفية (qubbah ṣūfiyah)
  26. RiemBeltحزام (ḥizām)
  27. ZonnebrilSunglassesنظارات شمسية (naẓẓārāt shamsiyyah)
  28. Jas (regenjas)Raincoatمعطف مطر (mi‘ṭaf maṭar)
  29. ColtruiTurtleneckسترة برقبة عالية (sutrah bi-raqbah ‘āliyah)
  30. BlazerBlazerبليزر (blayzir)


Kleding ruilen


Geld


Prijzen


Een helpende hand voor mensen in nood

Bied jouw (gratis) goederen aan of plaats een oproep op dit platform en help vluchtelingen aan missende spullen. Vertalen gebeurt automatisch!


Lidwoorden

Tips voor het gebruik van lidwoorden

  1. Leer de regels: Er zijn regels die helpen bepalen wanneer je “de” of “het” gebruikt. Bijvoorbeeld, woorden die eindigen op -ing, -heid, -nis, en -schap zijn vaak de-woorden.
  2. Oefenen: Probeer zinnen te maken met verschillende lidwoorden om te oefenen.
  3. Luister en lees: Door te luisteren naar en lezen van de Nederlandse taal, leer je de juiste lidwoorden in context te gebruiken.

Woorden met ‘ooi’, ‘aai’, ‘oei’


Welk(e)?

https://youtu.be/w1FTXxvzcp4

Beide woorden betekenen “which” in het Engels, en worden gebruikt om te vragen naar een keuze of om iets te specificeren. In het Arabisch kan dit vertaald worden als “أيّ” (ayy).

Je gebruikt ze als je wilt weten welk object, persoon of ding iemand bedoelt uit een aantal opties.

Hoe je “welk” en “welke” gebruikt:

  1. “Welk” gebruik je als het zelfstandig naamwoord “het” als lidwoord heeft.
    Bijvoorbeeld:
    • Welk huis is van jou? (“huis” is een “het-woord”)
    • Welk boek lees je? (“boek” is een “het-woord”)
  2. “Welke” gebruik je als het zelfstandig naamwoord “de” als lidwoord heeft, of als het zelfstandig naamwoord in het meervoud staat. Bijvoorbeeld:
    • Welke auto heb jij? (“auto” is een “de-woord”)
    • Welke film wil je zien? (“film” is een “de-woord”)
    • Welke boeken lees je? (meervoud, dus altijd “welke”)

Voorbeeldzinnen:

  1. Welk boek lees je? (Which book are you reading?)
    • Je vraagt naar één specifiek boek uit meerdere boeken.
  2. Welke jas is van jou? (Which jacket is yours?)
    • Je vraagt naar één specifieke jas uit meerdere jassen.
  3. Welke kinderen spelen buiten? (Which children are playing outside?)
    • Je vraagt naar bepaalde kinderen uit een groep kinderen.

Samenvatting

  • Gebruik “welk” als het woord “het” gebruikt wordt, zoals in het huis, het boek.
  • Gebruik “welke” als het woord “de” gebruikt wordt, zoals in de auto, de film, of als het meervoud is, zoals de boeken of de huizen.

In eenvoudige termen:

  • Welk = voor “het-woorden” (enkelvoud).
  • Welke = voor “de-woorden” (enkelvoud) en voor meervouden.

Sieraden en accessoires

Woordenschat

Hier is een overzicht van sieraden en accessoires, met de Engelse en Arabische vertaling achter het Nederlandse woord:

Sieraden:

  1. RingRingخاتم (khātim)
  2. KettingNecklaceقلادة (qalādah)
  3. ArmbandBraceletسوار (siwār)
  4. OorbellenEarringsأقراط (aqrāṭ)
  5. HorlogeWatchساعة يد (sā‘ah yad)
  6. AnkletEnkelbandخلخال (khalkhāl)
  7. BrocheBroochبروش (brūsh)
  8. HangerPendantقلادة متدلية (qalādah mutadalliyah)
  9. TiaraTiaraتاج (tāj)
  10. ManchetknopenCufflinksأزرار أكمام (azrār akmām)

Accessoires:

  1. ZonnebrilSunglassesنظارات شمسية (naẓẓārāt shamsiyyah)
  2. SjaalScarfوشاح (wishāḥ)
  3. HoedHatقبعة (qubbah)
  4. PetCapقبعة (qubbah)
  5. HandschoenenGlovesقفازات (quffāzāt)
  6. RiemBeltحزام (ḥizām)
  7. TasBagحقيبة (ḥaqībah)
  8. PortemonneeWalletمحفظة (maḥfaẓah)
  9. RugzakBackpackحقيبة ظهر (ḥaqībat ẓahr)
  10. ParapluUmbrellaمظلة (miẓallah)

Extra accessoires:

  1. SleutelhangerKeychainسلسلة مفاتيح (silsilah mafātīḥ)
  2. HaarspeldHairpinمشبك شعر (mishbak sha‘r)
  3. DiadeemHeadbandعصابة رأس (‘iṣābat ra’s)
  4. BretelsSuspendersحمالات بنطلون (ḥammālāt banṭalūn)
  5. CeintuurWaist beltحزام خصر (ḥizām khuṣr)
  6. HandsierraadHand ornamentزينة اليد (zīnat al-yad)


Traditionele Arabische sieraden:

  1. HoofdkettingHeadpieceعُصابة رأس (‘uṣābat ra’s) of تاج (tāj)
    • Een hoofdketting of decoratief sieraad dat op het voorhoofd wordt gedragen, wordt vaak vertaald als “tāj” voor een kroon, of als een “uṣābat ra’s” voor een decoratieve hoofdband.
  2. Khamsa(Hand van Fatima)Hamsa/Hand of Fatimaخمسة (khamsah)
    • Dit blijft correct. Het is een populaire beschermende amulet in de Arabische en islamitische cultuur, vaak gedragen als hanger of armband.
  3. Halhal(Enkelband)* – Ankletخلخال (khalkhāl)
    • Dit is correct. Een enkelband wordt “khalkhāl” genoemd in het Arabisch.
  4. Aqiq-ringAqeeq ringخاتم عقيق (khātim ‘aqīq)
    • Dit is correct. Een ring met de edelsteen agaat (aqeeq) is populair in veel Arabische culturen.
  5. Hijab-speldHijab pinدبوس الحجاب (dabbūs al-ḥijāb)
    • Dit is correct. Een decoratieve speld om een hijab vast te maken.
  6. Zinat al-sha’r(Haarversiering)Hair ornamentزينة الشعر (zīnat al-sha’r)
    • Een decoratief haarsieraad, zoals een haarspeld of een diadeem.
  7. Tibaq(Oorbellen in traditionele stijlen)Traditional earringsأقراط تقليدية (aqrāṭ taqlīdiyyah)
    • Traditionele Arabische oorbellen die vaak in bruiloften en ceremonies worden gedragen.
  8. Sirwal(Kettingriem)Chain beltسيروال (sirwāl)
    • Een kettingriem die om de taille wordt gedragen, vaak met sieraden of decoraties eraan.
  9. Malaqa(Versierde borstsieraad)Decorative chest pieceملاقاة (malāqah)
    • Een sieraad dat op de borst wordt gedragen, vaak te zien bij traditionele outfits.

Traditionele Arabische accessoires:

  1. Agal(Hoofdband voor mannen)Agalعقال (‘iqāl)
    • Een traditionele zwarte koord die door mannen over hun hoofddoek wordt gedragen.
  2. Misbaha(Bidsnoer)* – Prayer beads/Rosaryمسبحة (misbaḥah)
    • Correct. Dit is een gebedsketting die vaak wordt gebruikt in islamitische religieuze praktijken.

De rok is kapot

Woordenschat

  1. KapotBrokenمكسور (makṣūr)
    • Dit verwijst naar een kledingstuk dat beschadigd of niet meer goed functioneert.
  2. DefectDefectiveمعيب (ma‘īb)
    • Dit woord wordt gebruikt om aan te geven dat er een probleem is met het kledingstuk.
  3. RimpelWrinkleثنية (thuniyyah)
    • Als een kledingstuk niet goed valt of is gekreukt.
  4. ScheurTearتمزق (tamazzuq)
    • Dit verwijst naar een gescheurd kledingstuk.
  5. VlekStainبقعة (buq‘ah)
    • Dit is een ongewenste markering op het kledingstuk.
  6. Losse draadLoose threadخيط مفكوك (khayṭ mafkūk)
    • Een draad die niet goed is vastgenaaid en eruit steekt.
  7. KnopButtonزر (zurr)
    • Als een knop is afgevallen of kapot is.
  8. RitsZipperسحاب (siḥāb)
    • Dit is de rits die kan zijn gebroken of niet goed werkt.
  9. Te kleinToo smallصغير جدا (ṣaghīr jiddan)
    • Wanneer het kledingstuk niet goed past.
  10. Te grootToo bigكبير جدا (kabīr jiddan)
    • Wanneer het kledingstuk te ruim is.
  11. Niet zoals beschrevenNot as describedليس كما هو موصوف (laysa kamā huwa mawsūf)
    • Wanneer het product niet overeenkomt met wat er in de winkel of op de verpakking staat.
  12. RetournerenReturnإرجاع (irjā‘)
    • Het proces van het terugbrengen van het kledingstuk naar de winkel.
  13. RuilenExchangeتبادل (tabādul)
    • Het ruilen van een beschadigd kledingstuk voor een ander.
  14. GarantieWarrantyضمان (ḍamān)
    • Een belofte dat het kledingstuk binnen een bepaalde periode kan worden geretourneerd of gerepareerd.
  15. Klacht indienenFile a complaintتقديم شكوى (taqdīm shakwā)
    • Het proces van het melden van een probleem met het kledingstuk aan de winkel.

Voorbeeldzinnen:

  1. “Dit kledingstuk is kapot.”
    • This piece of clothing is broken.
    • “هذا الثوب مكسور.” (hādhā al-thawb makṣūr.)
  2. “Ik wil het ruilen omdat het een scheur heeft.”
    • I want to exchange it because it has a tear.
    • “أريد استبداله لأنه يحتوي على تمزق.” (urīd istibdālah li’annahu yaḥtawī ‘alā tamazzuq.)
  3. “De rits werkt niet goed.”
    • The zipper doesn’t work properly.
    • “السحاب لا يعمل بشكل جيد.” (al-siḥāb lā ya‘mal bi-shakl jayyid.)
  4. “Er zit een vlek op het kledingstuk.”
    • There is a stain on the clothing item.
    • “يوجد بقعة على الثوب.” (yūjad buq‘ah ‘alā al-thawb.)

Werkwoorden

Een werkwoord is een woord dat een handeling, gebeurtenis of toestand uitdrukt. Het is een van de belangrijkste woordsoorten in een zin, omdat het vaak aangeeft wat er gebeurt of wat iemand doet. Werkwoorden kunnen in verschillende vormen voorkomen, afhankelijk van de tijd, persoon, of wijze van de zin.

Het infinitief is de onbepaalde vorm van een werkwoord, ook wel de “basisvorm” genoemd. Het is de vorm die je in het woordenboek vindt, zonder dat deze wordt aangepast aan een persoon, tijd, of getal. In het Nederlands herken je de infinitief meestal aan het achtervoegsel -en, zoals bij “lopen”, “werken” en “lezen”. Soms eindigt de infinitief op -n, zoals bij “zijn” of “doen”.

De infinitief wordt gebruikt in zinnen zonder specifieke tijd of persoon, zoals in:

  • “Hij wil zwemmen.”
  • “Zullen we samen fietsen?”

In deze voorbeelden is “zwemmen” en “fietsen” de infinitief, omdat het niet direct aan een onderwerp of tijd gekoppeld is.


Hulpwerkwoord:

Een hulpwerkwoord ondersteunt het hoofdwerkwoord in de zin en helpt om een bepaalde tijd, aspect, of modaliteit uit te drukken. Het voegt geen eigen betekenis toe aan de zin, maar helpt bij de vorming van de werkwoordstijden, de passieve vorm of de infinitiefconstructies.

Voorbeelden van hulpwerkwoorden:

  • Hebben: “Ik heb het boek gelezen.”
  • Zullen: “Hij zal morgen komen.”
  • Worden: “Het huis wordt geschilderd.”

In deze voorbeelden helpen “heb”, “zal” en “wordt” om respectievelijk de voltooide tijd, toekomende tijd en passieve vorm te maken.

Modaal werkwoord:

Een modaal werkwoord drukt een mogelijkheid, noodzaak, verplichting, toestemming of wens uit. Het geeft dus een bepaalde “modaliteit” aan het hoofdwerkwoord, zoals kunnen, mogen, willen, moeten, enz. Dit type werkwoord verandert de betekenis van de zin door te laten zien hoe of in welke mate iets gebeurt.

Voorbeelden van modale werkwoorden:

  • Kunnen: “Hij kan goed zwemmen.” (mogelijkheid)
  • Mogen: “Jij mag nu naar huis.” (toestemming)
  • Moeten: “Ik moet vroeg opstaan.” (noodzaak)

Verschil:

  • Een hulpwerkwoord ondersteunt het hoofdwerkwoord bij de vorming van tijd of aspect.
  • Een modaal werkwoord geeft aan hoe de handeling plaatsvindt, bijvoorbeeld of het gaat om een mogelijkheid, verplichting of wens.

Kortom, een modaal werkwoord heeft een specifieke betekenis (zoals noodzaak of mogelijkheid), terwijl een hulpwerkwoord enkel helpt bij het vormen van werkwoordstijden of zinsconstructies.


Modaal werkwoord: Willen, Zullen, Mogen, Kunnen, Moeten

Modale werkwoorden 
https://youtu.be/ONASiVZvVvs
Modale werkwoorden 
https://youtu.be/SVwkdG7U9fQ

Werkwoordenvervoeging

Vul de infinitief in.

Het infinitief is de onbepaalde vorm van een werkwoord, ook wel de “basisvorm” genoemd. Het is de vorm die je in het woordenboek vindt, zonder dat deze wordt aangepast aan een persoon, tijd, of getal. In het Nederlands herken je de infinitief meestal aan het achtervoegsel -en, zoals bij “lopen”, “werken” en “lezen”. Soms eindigt de infinitief op -n, zoals bij “zijn” of “doen”.

De infinitief wordt gebruikt in zinnen zonder specifieke tijd of persoon, zoals in:

  • “Hij wil zwemmen.”
  • “Zullen we samen fietsen?”

In deze voorbeelden is “zwemmen” en “fietsen” de infinitief, omdat het niet direct aan een onderwerp of tijd gekoppeld is.

Gebruik geen hoofdletters!


Grappige fouten: de winkel wil morgen gesloten zijn

Van fouten kan je leren en mooie, grappige fouten onthoud je makkelijk, zodat je deze fout zelf niet snel (meer) maakt.

“De winkel wil morgen gesloten zijn.”

Een levende, boze supermarkt zegt: Ik wil morgen niet open.

Dit moet zijn:

Een supermarkt met een bord bij de deur: Morgen dicht.

“De winkel zal morgen gesloten zijn.”

of:

“De winkel is morgen gesloten.”


Klokkijken

Ochtend, middag, avond
https://youtu.be/WsMVdYxJ5cQ
Sketch (Nederlandse humor)
https://youtu.be/aLCyzm_Mvr8

Is de winkel open?

Woordenschat

  1. OpeningstijdenOpening hoursساعات العمل (sā‘āt al-‘amal)
    • De tijden waarop een winkel open is voor klanten.
  2. SluitingstijdenClosing hoursساعات الإغلاق (sā‘āt al-ighlāq)
    • De tijden waarop een winkel sluit.
  3. VandaagTodayاليوم (alyawm)
    • De huidige dag.
  4. MorgenTomorrowغدا (ghadan)
    • De volgende dag.
  5. GisterenYesterdayأمس (ams)
    • De dag voor vandaag.
  6. WeekdagenWeekdaysأيام الأسبوع (ayām al-usbū‘)
    • De dagen van maandag tot en met vrijdag.
  7. WeekendWeekendعطلة نهاية الأسبوع (‘uṭlat nihāyat al-usbū‘)
    • Zaterdag en zondag.
  8. OpeningOpenفتح (fatḥ)
    • Wanneer de winkel begint met zijn openingstijden.
  9. SluitenCloseإغلاق (ighlāq)
    • Wanneer de winkel zijn deuren sluit.
  10. Korte openingstijdenShort opening hoursساعات عمل قصيرة (sā‘āt ‘amal qaṣīrah)
    • Wanneer de winkel slechts voor een beperkte tijd open is.
  11. Verlengde openingstijdenExtended opening hoursساعات عمل مطولة (sā‘āt ‘amal muṭāwilah)
    • Wanneer de winkel langer open is dan normaal.
  12. GeslotenClosedمغلق (mughlaq)
    • Wanneer de winkel niet open is.
  13. TijdTimeوقت (waqt)
    • De aanduiding van uren en minuten.

Voorbeeldzinnen:

  1. “Wat zijn de openingstijden van de winkel?”
    • What are the opening hours of the store?
    • “ما هي ساعات العمل في المتجر؟ (mā hiya sā‘āt al-‘amal fī al-matjar?)
  2. “De winkel sluit om 18:00 uur.”
    • The store closes at 6:00 PM.
    • “المتجر يغلق في الساعة السادسة مساءً.” (al-matjar yughlaq fī al-sā‘ah al-sādisah masā’an.)
  3. “Is de winkel op zondag open?”
    • Is the store open on Sunday?
    • “هل المتجر مفتوح يوم الأحد؟ (hal al-matjar maftūḥ yawm al-aḥad?)
  4. “Vandaag hebben we korte openingstijden.”
    • Today we have short opening hours.
    • “اليوم لدينا ساعات عمل قصيرة.” (alyawm ladaynā sā‘āt ‘amal qaṣīrah.)
  5. “De winkel is gesloten tijdens de feestdagen.”
    • The store is closed during the holidays.
    • “المتجر مغلق خلال العطلات.” (al-matjar mughlaq khilāl al-‘uṭalāt.)

Duizend, miljoen, miljard

  1. Tien (10) – Tenعشرة (ʿasharah)
  2. Honderd (100) – Hundredمئة (mi’ah)
  3. Vijfhonderd (500) – Five hundredخمسمئة (khamsumi’ah)
  4. Duizend (1000) – Thousandألف (alf)
  5. Drieduizend (3000) – Three thousandثلاثة آلاف (thalāthah ālāf)
  6. Tienduizend (10.000) – Ten thousandعشرة آلاف (ʿashara ālāf)
  7. Honderdduizend (100.000) – Hundred thousandمئة ألف (mi’atu alf)
  8. Miljoen (1.000.000) – Millionمليون (mil yūn)
  9. Miljard (1.000.000.000) – Billionمليار (milyār)

Kleren wassen

  1. ViesDirtyمتسخ (mutasakh)
    • Dit verwijst naar kleding die niet schoon is.
  2. VlekStainبقعة (buq‘ah)
    • Een ongewenste markering op de kleding.
  3. Kleding wassenWash clothesغسل الملابس (ghasl al-malābis)
    • Het proces van kleding schoonmaken.
  4. WasmachineWashing machineغسالة (ghasālah)
    • Een apparaat dat wordt gebruikt om kleding te wassen.
  5. WasmiddelDetergentمنظف (munazzif)
    • Een product dat wordt gebruikt om kleding schoon te maken.
  6. Kleding drogenDry clothesتجفيف الملابس (tajfīf al-malābis)
    • Het proces van het verwijderen van vocht uit kleding.
  7. DrogenDryingتجفيف (tajfīf)
    • Het verwijderen van vocht uit de kleding.
  8. GestoomdSteamedمبخر (mubakhar)
    • Dit verwijst naar kleding die met stoom is behandeld om kreuken te verwijderen.
  9. StoomreinigingSteam cleaningتنظيف بالبخار (tanẓīf bil-bukhār)
    • Een methode om kleding te reinigen met stoom.
  10. Sorteer de wasSort the laundryفرز الغسيل (farz al-ghasīl)
    • Het proces van het scheiden van kleding op basis van kleur of type.
  11. Licht gewassenLightly washedغسل خفيف (ghasl khafīf)
    • Kleding die slechts een beetje is gewassen.
  12. Zware wasHeavy laundryغسيل ثقيل (ghasīl thaqīl)
    • Kleding die veel vuil heeft en een grondige wasbeurt nodig heeft.
  13. Vuilniszak voor wasLaundry bagحقيبة الغسيل (ḥaqībat al-ghasīl)
    • Een tas waarin vuile kleding wordt verzameld.
  14. KledingstomerClothes steamerبخار الملابس (bukhār al-malābis)
    • Een apparaat dat stoom produceert om kleding glad te maken.
  15. WaslijnClotheslineحبل الغسيل (ḥabl al-ghasīl)
    • Een lijn waar kleding aan hangt om te drogen.

Voorbeeldzinnen:

  1. “Mijn shirt is vies.”
    • My shirt is dirty.
    • “قميصي متسخ.” (qamīṣī mutasakh.)
  2. “Er zit een vlek op mijn broek.”
    • There is a stain on my pants.
    • “يوجد بقعة على سروالي.” (yūjad buq‘ah ‘alā sirwālī.)
  3. “Ik moet mijn kleding wassen.”
    • I need to wash my clothes.
    • “أحتاج إلى غسل ملابسي.” (aḥtāj ilā ghasl malābisī.)
  4. “De wasmachine is kapot.”
    • The washing machine is broken.
    • “الغسالة معطلة.” (al-ghasālah mu‘ṭalah.)
  5. “Ik gebruik stoom om mijn jurk te strijken.”
    • I use steam to iron my dress.
    • “أستخدم البخار لكي أكوي فستاني.” (āstākhdum al-bukhār likay akwī fustānī.)

Wassen en schoonmaken

Tekenfilm over wassen
https://youtu.be/pdadL97Jros
Handige tips en luisteroefening
https://youtu.be/cPPfz4pLSSc
Handige tips en luisteroefening
https://youtu.be/P8LwoUnqeYU
Handige tips en luisteroefening
https://youtu.be/TsjtTTmYS3c?t=18

Tip

Wil je een woord opzoeken op internet? Gebruik dan niet Google of een andere zoekmachine, want daar staan veel fouten in. Surf naar een echte woordenlijst, zoals https://woordenlijst.org/ .

Hulp nodig bij de uitspraak van een woord of zin?


Goede voorbereiding voor je examen

In onderstaande video’s worden alle onderwerpen die belangrijk zijn voor het examen duidelijk uitgelegd.


Woordenschat

Een anderstalige moet op A1-niveau zo’n 1000 woorden kennen, op A2 al 2000 en op B1 zelfs 5000.



Nederlandse woordenschat, deels uitgelegd in het Engels


Nederlandse grammatica, deels uitgelegd in het Engels

Kennismaking met ouders
https://youtu.be/htr0mDyF97A
Salarisonderhandeling
https://youtu.be/8r8lq4uhnSc

Voorbeeldexamens

Meer spreekvaardigheid oefenen?

Zoek op ‘spreken examen A2’

lezen examen oefenen
https://youtu.be/c_H_YgieZ34
lezen examen oefenen
https://youtu.be/sxAlVRaukIU
lezen examen oefenen
https://youtu.be/AoiQZYnP5yE

Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM)

Diverse onderwerpen worden hier besproken (Arabisch/Nederlands):

1)        https://youtu.be/780rnjV8rb8 (الأعياد و المناسبات في هولندا | Feestdagen in Nederland)

2)        https://youtu.be/Xd-TjeQeLh0 (Belasting, Subside, en Uitkering | الضرائب في هولندا)

3)        https://youtu.be/x8dI_tnJmoQ (الدرس الأول : العمل | Les 1 : Werk)

4)        https://youtu.be/K3g80Qg5vBU (الرعاية الصحية في هولندا | Zorg)

5)        https://youtu.be/caluLv0OPOc (التربية| De opvoeding)

6)        https://youtu.be/B2X4pvrqvbs (تاريخ هولندا | De geschiedenis van Nederland)

7)        https://youtu.be/Qva8axNapPs (خريطة هولندا والمياه | Holland kaart en water)

8)        https://youtu.be/cF3WzRHmJTE (De Tweede Wereldoorlog | الحرب العالمية الثانية)

9)        https://youtu.be/9Yznz3l-tb8 (الهيئات | ج2 |instantie)

10)     https://youtu.be/RVPkobNpjU8 (الهيئات | ج1 |Instantie)

11)     https://youtu.be/5yKsTnmcO0w (التعليم في هولندا | ج١| het onderwijssysteem)

12)     https://youtu.be/BRay5SFyLFA ( العمل في هولندا| ج2 | Het werk)


Voorbeeld examens Ad Appel Taaltrainingen A1 en A2

Inburgeringsexamen A1 (1)
https://youtu.be/gNZyORg7Lig
Inburgeringsexamen A1 (2)
https://youtu.be/g_hUGdu_2MI

Voor diverse video’s over examen A2: zoek op ‘ad appel A2’


Spelenderwijs je spreekvaardigheid oefenen


Oefeningen



De antwoorden van TaalCompleet A1 Thema 6 De kleding

Terug naar het overzicht

Geef een reactie