A1 – TaalCompleet Thema 2 School

Geplaatst op door in de categorie Taal, Taal - A1 niveau

Ter ondersteuning van de taallessen

Wil je Nederlands leren of alvast oefenen voor het inburgeringsexamen? Dan kun je hier alvast beginnen!

Om structuur aan te bieden bij de taallessen op niveau A1 hebben wij de inhoudsopgave van TaalCompleet als richtlijn gebruikt en nagenoeg de volgorde die zij gebruiken overgenomen.

De informatie die wij delen is bedoeld ter ondersteuning van de professionele (online) taallessen. Het eerste deel van de taalblogs bestaat uit aanvullende informatie over het thema. Het geeft inzicht in de cultuur van Nederland en kan daarmee dienen als gespreksonderwerp. Gevolgd door de onderwerpen (onder andere spelling en grammatica) die in het boek TaalCompleet worden behandeld bij het thema ‘School’.

Tip. Klik eerst op vertalen, zodat je begrijpt waar het thema over gaat. Met name omdat hieronder veel aanvullende informatie wordt gegeven om het thema te verduidelijken. Daarna keer je weer terug naar het Nederlands.

(de antwoorden tref je onderaan deze pagina aan)


Introductie


Naar school gaan

In Nederland gaan kinderen meestal naar school als ze 4 jaar oud zijn. Op deze leeftijd mogen ze naar de basisschool, maar het is niet verplicht om al direct te starten. De leerplicht begint formeel vanaf 5 jaar. Vanaf dat moment moeten kinderen volgens de wet naar school. Veel kinderen beginnen echter al op hun vierde, zodat ze rustig kunnen wennen aan de schoolomgeving.

De basisschool bestaat uit acht groepen (groep 1 t/m 8). Groep 1 en 2 vormen samen de kleuterklassen, waarin kinderen op een speelse manier leren en zich ontwikkelen, waarna ze doorstromen naar groep 3.

Woordenschat

NederlandsEngelsArabisch (عربي)
SchoolSchoolمدرسة (madrasa)
KlasClassصف (saff)
LeerlingStudentطالب (talib)
Leraar / LeraresTeacherمعلم / معلمة (mu’allim / mu’allima)
HuiswerkHomeworkواجب منزلي (wajib manzili)
BoekenBooksكتب (kutub)
SchooltasSchool bagحقيبة مدرسية (haqiba madrasiyya)
SchoolvakSchool subjectمادة دراسية (maada dirasiyya)
ToetsTestاختبار (ikhtibar)
PauzeBreakاستراحة (istiraha)
SpeelplaatsPlaygroundساحة اللعب (sahat al-la’ib)
LesLessonدرس (dars)
CijferGradeدرجة (daraja)
DirectiePrincipal’s officeإدارة المدرسة (idarat al-madrasa)
RapportReport cardتقرير مدرسي (taqrir madrasiyy)
VriendenFriendsأصدقاء (asdiqa’)
GroepGrade / Groupمجموعة (majmu’a)
SchoolreisjeSchool tripرحلة مدرسية (rihla madrasiyya)
GymlesPhysical Education (PE)حصة الرياضة (hissat al-riyada)
VakantieVacationعطلة (utla)
LeerplichtCompulsory educationالتعليم الإلزامي (al-ta’lim al-ilzami)


Tellen tot 20

1 – 2 – 3 – 4 – 5 – 6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 11 – 12 – 13 – 14 – 15 – 16 – 17 – 18 – 19 – 20


De cursisten leren Nederlands

NederlandsEngelsArabisch
CursistenStudentsالطلاب
LuisterenListeningالاستماع
DocentTeacherالمعلم
SchrijvenWritingالكتابة
Op het bordOn the boardعلى السبورة
Een penA penقلم
LezenReadingالقراءة
TekstTextالنص
BoekBookكتاب
Opdracht makenDoing an assignmentالقيام بمهمة
ComputerComputerكمبيوتر
SprekenSpeakingالتحدث
NederlandsDutchالهولندية

Dagen van de week

  • Maandag
  • Dinsdag
  • Woensdag
  • Donderdag
  • Vrijdag
  • Zaterdag
  • Zondag

Vraagwoorden/Vraagzinnen

Vraagwoorden zijn woorden die gebruikt worden om vragen te stellen. Ze vragen naar specifieke informatie, zoals een persoon, plaats, tijd of reden. In het Nederlands zijn dit enkele veelvoorkomende vraagwoorden:

Hier is het schema met de gevraagde woorden en hun vertalingen in Engels en Arabisch:

NederlandsBeschrijvingVoorbeeldEngelsArabisch
WieVraagt naar een persoon.Wie is jouw leraar?Whoمن
WatVraagt naar een ding of een actie.Wat doe je?Whatماذا
WaarVraagt naar een plaats.Waar woon je?Whereأين
WanneerVraagt naar tijd of een moment.Wanneer begint de les?Whenمتى
WaaromVraagt naar een reden of oorzaak.Waarom ben je te laat?Whyلماذا
HoeVraagt naar de manier waarop iets gebeurt.Hoe ga je naar school?Howكيف
WelkeVraagt naar een keuze uit meerdere opties.Welke kleur kies je?Whichأي
HoeveelVraagt naar een hoeveelheid of aantal.Hoeveel appels wil je?How many / How muchكم

Tellen tot 100


Letter, woord, zin



Een opdracht maken

NederlandsEngelsArabisch
Een rondje zettenTo make a circleوضع دائرة (wada‘ da’ira)
Een kruisje zettenTo make a crossوضع علامة (wada‘ ‘alamat)
Een streep zettenTo make a lineوضع خط (wada‘ khat)
Een lijn trekkenTo draw a lineرسم خط (rasm khat)
Een keuze makenTo make a choiceاتخاذ قرار (ittikhadh qarar)
KiezenTo chooseاختيار (ikhtiyar)
Een plaatjeA pictureصورة (soora)
Een afbeeldingAn imageصورة (soora)
Het goede antwoordThe correct answerالإجابة الصحيحة (al-ijaba al-sahihah)
Een tekst lezenTo read a textقراءة نص (qira’at nass)

Maanden van het jaar

  • Januari
  • Februari
  • Maart
  • April
  • Mei
  • Juni
  • Juli
  • Augustus
  • September
  • Oktober
  • November
  • December

In de pauze

NederlandsEngelsArabisch
Koffie drinkenTo drink coffeeشرب القهوة (shurb al-qahwa)
Praten met een collegaTo talk with a colleagueالتحدث مع زميل (al-tahaduth ma‘a zameel)
Even rustenTo take a breakأخذ استراحة (akhadh istiraha)
Een snack etenTo eat a snackتناول وجبة خفيفة (tanawul wajbah khafifah)
BellenTo make a phone callإجراء مكالمة (ijra’ mukalama)
Een wandeling makenTo go for a walkالذهاب في نزهة (al-dhahab fi nuzha)
Even zittenTo sit for a whileالجلوس لبعض الوقت (al-julus li ba‘d al-waqt)
In de zon zittenTo sit in the sunالجلوس في الشمس (al-julus fi al-shams)
Een boek lezenTo read a bookقراءة كتاب (qira’at kitab)
Wat muziek luisterenTo listen to some musicالاستماع إلى الموسيقى (al-istima‘ ila al-musiqa)

Woorden met ‘ch’ of ‘sch’

NederlandsEngelsArabisch
Woorden met -ch
LachLaughيضحك (yadhak)
DichtClose (verb)يغلق (yughliq)
AchtEightثمانية (thamaniya)
RechtRight/Justiceحق/عدالة (haqq/’adala)
OpdrachtAssignment/Taskمهمة (muhimma)
EchtReal/Trueحقيقي (haqiqi)
LuchtAirهواء (hawa’)
LichtLightضوء (daw’)
NachtNightليل (layl)
KrachtPower/Strengthقوة (quwa)
WachtWaitينتظر (yantazir)
AchttienEighteenثمانية عشر (thamaniya ‘ashar)
PrachtSplendor/Gloryروعة (raw‘a)
ZachtSoftناعم (na‘im)
NichtNieceابنة الأخ/الأخت (ibnat al-akh/al-ukht)
DochterDaughterابنة (ibna)
SlechtBadسيء (sayy’)
Woorden met -sch
SchipShipسفينة (safeena)
SchopKick/Shovelركلة/مجرفة (rakla/majarafa)
SchoolSchoolمدرسة (madrasa)
SchoenShoeحذاء (hiza’)
SchaapSheepخروف (kharuf)
SchoonCleanنظيف (nadhif)
SchrikScare/Frightخوف (khawf)
SchrijvenTo writeيكتب (yaktub)


Drinken

NederlandsEngelsArabisch
drinkento drinkيشرب (yashrab)
koffiecoffeeقهوة (qahwa)
theeteaشاي (shai)
melkmilkحليب (haleeb)
suikersugarسكر (sukkar)
alsjeblieftpleaseمن فضلك (min fadlak)
ja graagyes pleaseنعم، من فضلك (na‘am, min fadlak)
nee dank jeno thank youلا شكرا (la shukran)
dank je welthank youشكرا جزيلا (shukran jazilan)

Hier is de vervoeging van het werkwoord “drinken” in de tegenwoordige tijd in het Nederlands:

PersoonVorm
Ikdrink
Jijdrinkt
Udrinkt
Hij/zijdrinkt
Wij/ wedrinken
Julliedrinken
Zijdrinken

Uitleg:

  • Ik drink: 1e persoon enkelvoud
  • Jij drinkt: 2e persoon enkelvoud (informele vorm)
  • U drinkt: 2e persoon enkelvoud (formeel)
  • Hij/zij drinkt: 3e persoon enkelvoud
  • Wij/we drinken: 1e persoon meervoud
  • Jullie drinken: 2e persoon meervoud
  • Zij drinken: 3e persoon meervoud

Begrijpen

PersoonVorm
Ikbegrijp
Jijbegrijpt
Ubegrijpt
Hij/zijbegrijpt
Wij/webegrijpen
Julliebegrijpen
Zijbegrijpen

Uitleg:

  • Ik begrijp: 1e persoon enkelvoud
  • Jij begrijpt: 2e persoon enkelvoud (informele vorm)
  • U begrijpt: 2e persoon enkelvoud (formeel)
  • Hij/zij begrijpt: 3e persoon enkelvoud
  • Wij/we begrijpen: 1e persoon meervoud
  • Jullie begrijpen: 2e persoon meervoud
  • Zij begrijpen: 3e persoon meervoud

Alsjeblieft

Alsjeblieft bij het geven van iets:

  • Wanneer je iets aan iemand geeft.
  • Voorbeeld: “Hier is je koffie, alsjeblieft.”

Alsjeblieft bij het ontvangen van iets:

  • Wanneer je iets ontvangt als teken van beleefdheid.
  • Voorbeeld: “Mag ik de zout, alsjeblieft?”

Alsjeblieft bij het vragen om iets:

  • Wanneer je iets beleefd vraagt.
  • Voorbeeld: “Kun je mij helpen, alsjeblieft?”

Alsjeblieft bij het aanbieden van hulp:

  • Wanneer je hulp aanbiedt.
  • Voorbeeld: “Laat me je helpen met die zware tas, alsjeblieft.”

Alsjeblieft bij het vragen om herhaling of verduidelijking:

  • Wanneer je iets niet verstaat en beleefd vraagt om herhaling.
  • Voorbeeld: “Kun je dat nog eens zeggen, alsjeblieft?”

Alsjeblieft bij het aandringen of benadrukken:

  • Wanneer je beleefd, maar dringend iets vraagt.
  • Voorbeeld: “Neem alsjeblieft je medicijnen op tijd.”

Dank je wel

Dank je wel:

  • Gebruik ‘dank je wel’ wanneer je iemand wilt bedanken voor een kleine of alledaagse gunst of gebaar.
  • Voorbeeld: “Dank je wel voor het doorgeven van het zout.”

Bedankt:

  • Dit is een iets formelere manier om dankbaarheid te uiten en kan zowel voor kleine als grotere gebaren gebruikt worden.
  • Voorbeeld: “Bedankt voor je hulp bij het project.”

Fijn dat jij er bent:

  • Gebruik dit om je waardering uit te drukken voor iemands aanwezigheid of gezelschap.
  • Voorbeeld: “Fijn dat jij er bent op dit feestje.”

Dankzij jou is de wereld zo veel mooier:

  • Dit drukt diepe waardering uit voor iemands positieve impact.
  • Voorbeeld: “Dankzij jou is de wereld zo veel mooier, je vrijwilligerswerk is echt inspirerend.”

Jij maakt het verschil:

  • Gebruik dit om iemand te laten weten dat hun bijdrage belangrijk is.
  • Voorbeeld: “Jij maakt het verschil in ons team met je innovatieve ideeën.”

Je bent geweldig:

  • Dit is een persoonlijke en enthousiaste manier om iemand te prijzen.
  • Voorbeeld: “Je bent geweldig, bedankt voor al je steun.”

Dat is heel aardig van je:

  • Dit drukt dankbaarheid uit voor een specifiek vriendelijk gebaar.
  • Voorbeeld: “Dat is heel aardig van je om me naar huis te brengen.”

Wat jij doet / zegt / laat zien, betekent zo veel voor me:

  • Gebruik dit om iemand te laten weten dat hun acties of woorden een diepe indruk op je maken.
  • Voorbeeld: “Wat jij doet voor de buurt betekent zo veel voor ons allemaal.”

Jij maakt mijn dag:

  • Gebruik dit als je iemand wilt laten weten dat ze je dag beter hebben gemaakt.
  • Voorbeeld: “Je onverwachte bezoek heeft mijn dag gemaakt.”

Je betekent zo veel voor me:

  • Dit is een persoonlijke en emotionele uiting van waardering.
  • Voorbeeld: “Je betekent zo veel voor me, vooral in moeilijke tijden.”

Gewoon dat jij dit ziet en opmerkt, dat vind ik zo fijn. Het siert jou:

  • Gebruik dit om iemand te laten weten dat je hun opmerkzaamheid en zorgzaamheid waardeert.
  • Voorbeeld: “Gewoon dat jij dit ziet en opmerkt, dat vind ik zo fijn. Het siert jou.”

Dankjewel voor je interesse:

  • Dit is een beleefde manier om dankbaarheid te tonen voor iemand die interesse in jou of je werk toont.
  • Voorbeeld: “Dankjewel voor je interesse in mijn schilderijen.”

Voorbereiden op het examen

Woordenschat vergroten

(woorden met uitleg + voorbeelden + oefeningen)



TIP:  Wil je een woord opzoeken op internet? Gebruik dan niet Google of een andere zoekmachine, want daar staan veel fouten in. Surf naar een echte woordenlijst, zoals https://woordenlijst.org/ .

Hulp nodig bij de uitspraak van een woord of zin?


Nederlandse woordenschat (deels uitgelegd in het Engels)

 Een anderstalige moet op A1-niveau zo’n 1000 woorden kennen, op A2 al 2000 en op B1 zelfs 5000.


Alle examenonderwerpen duidelijk uitgelegd


Examens oefenen


Antwoorden TaalCompleet A1-Thema 2 De School

Terug naar het overzicht

Geef een reactie