Homoniemen (verschillende betekenis woord)
Woorden met verschillende betekenissen
Voorbeelden van homoniemen
- Bank
- Zelfstandig naamwoord (meubel): Een zitmeubel waarop meerdere mensen kunnen zitten, zoals een sofa in de woonkamer.
- Zelfstandig naamwoord (financiële instelling): Een instelling die geld beheert, leningen verstrekt, en financiële diensten aanbiedt, zoals de ING Bank.
- Zelfstandig naamwoord (geografische formatie): Een ondiepte in zee of een rivier, zoals een zandbank waar boten op kunnen vastlopen.
- Zelfstandig naamwoord (verzameling of rij): Een groep of lijn van bepaalde dingen, zoals een “bank van wolken” of een “bank van vissen”.
- Licht
- Zelfstandig naamwoord: Een bron van verlichting, zoals zonlicht of lamplicht.
- Bijvoeglijk naamwoord: Met weinig gewicht, bijvoorbeeld een “lichte tas”.
- Bijvoeglijk naamwoord: Minder intens of niet zwaar, zoals “lichte soep” (minder zwaar van smaak of voedingsstoffen).
- Slot
- Zelfstandig naamwoord: Een mechanisme om iets af te sluiten, zoals een deurslot.
- Zelfstandig naamwoord: Het einde van iets, bijvoorbeeld het slot van een verhaal.
- Zelfstandig naamwoord: Een klein kasteel of burcht, zoals in “jachtslot”.
- Kaas
- Zelfstandig naamwoord: Een voedingsproduct gemaakt van melk, zoals Goudse kaas.
- Bijvoeglijk naamwoord (in de uitdrukking “iets kaas laten maken”): Betekent figuurlijk iemand iets laten gebeuren zonder het zelf te doen, zoals in “hij laat zich de kaas niet van het brood eten” (hij verdedigt zich goed).
Er zijn ook werkwoorden in het Nederlands met meerdere betekenissen! Hier zijn een paar voorbeelden:
- Lopen
- Bewegen met de benen: Zoals in “Ik loop naar de winkel” (wandelen).
- Werken of functioneren: Zoals in “De motor loopt goed” (de motor functioneert goed).
- Verlopen: Zoals in “Het contract loopt af” (het contract komt ten einde).
- Vallen
- Naar beneden komen: Zoals in “Ik ben van de trap gevallen.”
- Plaatsvinden of gebeuren: Zoals in “Pasen valt dit jaar in april” (vindt plaats in april).
- Toevallen of toekennen: Zoals in “De eer viel hem ten deel” (de eer werd hem gegeven).
- Schieten
- Afvuren van een wapen: Zoals in “Hij schoot met een pistool.”
- Snel bewegen: Zoals in “De kat schoot weg toen ze de hond zag” (snel vertrekken).
- Te binnen schieten: Zoals in “Er schiet me iets te binnen” (plotseling bedenken of herinneren).
Deze werkwoorden hebben meerdere betekenissen, wat soms tot verwarring kan leiden, afhankelijk van de context waarin ze worden gebruikt.
Er zijn veel Nederlandse werkwoorden die van betekenis veranderen zodra ze in een samenstelling worden gebruikt. Hier zijn drie voorbeelden van zulke woorden:
- Passen
- Passen: Kijken of iets goed van maat is, zoals in “Deze jas past goed.”
- Oppassen: Letten op iets of iemand, zoals in “Wil je vanavond op de kinderen oppassen?”
- Aanpassen: Iets veranderen zodat het beter past, zoals in “Hij past zich snel aan nieuwe situaties aan.”
- Doorpassen: Snel en continu passen (in voetbal bijvoorbeeld), zoals in “De spelers passen de bal steeds door.”
- Dragen
- Dragen: Iets bij je hebben of tillen, zoals in “Ik draag een zware tas.”
- Bijdragen: Een bijdrage leveren of helpen, zoals in “Iedereen draagt bij aan het succes van het project.”
- Overdragen: Iets aan iemand anders geven, zoals in “De directeur droeg zijn taken over aan zijn opvolger.”
- Uitdragen: Een boodschap verspreiden, zoals in “Hij draagt zijn visie graag uit.”
- Zetten
- Zetten: Iets ergens neerzetten of plaatsen, zoals in “Ik zet de vaas op tafel.”
- Opzetten: Iets beginnen of opbouwen, zoals in “Ze zet een nieuw project op.”
- Inzetten: Ergens aan beginnen of zich voor iets inzetten, zoals in “Hij zet zich in voor het goede doel.”
- Uitzetten: Iets stoppen of uitdoen, zoals in “Zet je telefoon uit tijdens de vergadering.”
Dit soort samenstellingen geeft werkwoorden vaak een specifieke, soms onverwachte betekenis!

