Voorzetsels

Een voorzetsel is een woord dat vertelt waar iets is, wanneer iets gebeurt, of hoe iets gebeurt.
De boeken staan in de kast.
Veel voorkomende voorzetsels
- Het schilderij hangt aan de muur.
- De tuin ligt achter het huis.
- Ik woon bij het plein.
- De hond ligt in zijn mand.
- Ik was in vijf minuten klaar.
- Ik ga met de trein naar mijn werk. (met hoort bij de trein; naar bij mijn werk)
- De pen ligt op de tafel.
- Er is mogelijk een medicijn gevonden tegen deze ziekte.
- Ze plakte een briefje tegen het raam.
- De hond lag voor de deur.
- Ik heb een stuk taart voor jou bewaard.
Vaste voorzetsels
Soms hoort een voorzetsel bij een werkwoord. Dit noem je dan een vast voorzetsel. Aan de hand van voorbeelden is het meestal wat makkelijker te begrijpen. Zie de volgende voorbeelden, de vaste voorzetsels zijn gemarkeerd.
- Akkoord gaan met
- Baat hebben bij
- Betrekking hebben op
- Confronteren met
Achterzetsel
Als een voorzetsel achter de woordgroep staat waar het bij hoort, kun je het ook een achterzetsel noemen. Bijvoorbeeld: ‘Jaap liep het veld op.’ Er is (vaak) een betekenisverschil tussen zinnen met een voorzetsel en zinnen met een achterzetsel:
- Noa liep de tuin door. (door is een achterzetsel; de betekenis is ‘van de ene kant van de tuin naar de andere’)
- Noa liep door de tuin. (door is een voorzetsel; de betekenis is ‘zomaar, ‘kriskras’ door de tuin’)
Scheidbare werkwoorden
Soms kan het zijn dat je een voorzetsel vindt in een zin, maar dat dit eigenlijk geen voorzetsel is. Dit is het geval bij scheidbare werkwoorden. Het voorzetsel hoort namelijk bij het werkwoord zelf.
Let op: het is in dit geval dus GEEN voorzetsel!
Zie ook het voorbeeld:
- Nakijken – Ik kijk vanavond de toetsen na.
- Het woordje ‘na‘ is in dit geval geen voorzetsel (VZ).
Nog meer voorbeelden:
- Opnoemen – Noem eens de antwoorden op.
- Opgeven – Ik geef het op.