Werkwoorden

Geplaatst op door in de categorie Taal, Taal - A0/Basiskennis, Taal - A1 niveau

Werkwoorden zijn essentieel in elke taal, omdat ze acties, toestanden of gebeurtenissen beschrijven.

Ze kunnen zelfstandig staan, zoals in “zij leest”, hulp bieden aan andere werkwoorden om tijd of modaliteit uit te drukken, zoals in “hij zal komen”, of dienen als verbindingswoord tussen het onderwerp en een eigenschap, zoals in “het eten is lekker”.

Door de juiste werkwoorden te gebruiken, kunnen we duidelijk en precies communiceren, de tijd aangeven, de manier van een actie verduidelijken en eigenschappen of toestanden beschrijven.

Zelfstandige werkwoorden

Zelfstandige werkwoorden (ook wel hoofdwerkwoorden genoemd) zijn werkwoorden die op zichzelf een volledige betekenis hebben en een handeling, gebeurtenis of toestand aangeven. Ze kunnen zonder andere werkwoorden in een zin staan.

Voorbeelden:

  • Lopen – Ik loop naar school.
  • Eten – Hij eet een appel.
  • Lezen – Zij leest een boek.

Hulpwerkwoorden

Hulpwerkwoorden zijn werkwoorden die andere werkwoorden helpen om tijd, wijze, vorm of aspect uit te drukken. Ze hebben zelf geen volledige betekenis in de zin zonder een hoofdwerkwoord.

Voorbeelden:

  • Hebben – Ik heb mijn huiswerk gemaakt.
  • Zijn – Zij is naar huis gegaan.
  • Zullen – Wij zullen morgen komen.
  • Kunnen – Jij kunt goed zwemmen.

Koppelwerkwoorden

Koppelwerkwoorden (ook wel verbindingswerkwoorden genoemd) verbinden het onderwerp van de zin met een naamwoordelijk deel (bijvoorbeeld een bijvoeglijk naamwoord, een zelfstandig naamwoord of een bijwoord) dat een eigenschap of toestand van het onderwerp aangeeft. De meest voorkomende koppelwerkwoorden zijn ‘zijn’, ‘worden’ en ‘blijven’.

Voorbeelden:

  • Zijn – De man is dokter.
  • Worden – Het meisje wordt moe.
  • Blijven – Hij blijft rustig.

Samenvatting

  • Zelfstandige werkwoorden: Hebben op zichzelf een volledige betekenis (bijv. lopen, eten, lezen).
  • Hulpwerkwoorden: Helpen andere werkwoorden om tijd, wijze, vorm of aspect uit te drukken (bijv. hebben, zijn, zullen, kunnen).
  • Koppelwerkwoorden: Verbinden het onderwerp met een naamwoordelijk deel dat een eigenschap of toestand van het onderwerp aangeeft (bijv. zijn, worden, blijven).



Oefeningen


NederlandsArabischVoorbeeldzin
zijnيكونIk ben blij. (أنا سعيد)
doenيفعلWat ga je doen vandaag? (ماذا ستفعل اليوم؟)
hebbenعندZij heeft een hond. (لديها كلب)
kunnenيستطيعHij kan goed zwemmen. (هو يستطيع السباحة جيداً)
mogenيجوزJe mag hier niet roken. (لا يجوز لك التدخين هنا)
moetenيجبWe moeten snel gaan. (يجب علينا أن نذهب بسرعة)
willenيريدZij wil een nieuwe auto kopen. (هي تريد شراء سيارة جديدة)
wordenيصبحHet wordt straks koud. (سيصبح الجو باردًا لاحقًا)
zullenسوفWij zullen morgen naar het strand gaan. (سوف نذهب إلى الشاطئ غدًا)
gaanيذهبIk ga naar school. (أذهب إلى المدرسة)
doorgaanيستمرHet spel gaat door. (اللعبة ستستمر)
eropaf gaanيذهب إلىZe gaat eropaf om te vragen. (هي تذهب للسؤال)
meegaanيذهب معWil je meegaan naar de film? (هل تريد الذهاب إلى السينما؟)
omgaanيتعامل معHij weet goed om te gaan met kinderen. (هو يعرف كيفية التعامل مع الأطفال)
op bezoek gaanيزورIk ga mijn grootouders op bezoek. (أزور أجدادي)
op vakantie gaanيذهب في عطلةWij gaan in de zomer op vakantie. (نذهب في عطلة الصيف)
overgaan
teruggaanيعودIk moet nu teruggaan naar huis. (يجب علي العودة إلى المنزل الآن)
uitgaanيخرجWij gaan vanavond uit. (نخرج الليلة)
verder gaanيستمر فيWe moeten verder gaan met ons werk. (يجب أن نواصل عملنا)
weggaanيرحلIk moet weggaan om de trein te halen. (يجب أن أغادر للحاق بالقطار)
aaienيداعبZe aaide de kat. (داعبت القطة)
appenيرسل رسالةIk ga haar straks appen. (سأرسل لها رسالة الآن)
bakkenيخبزMijn moeder bakt een taart. (أمي تخبز كعكة)
bannenيحظرZe willen racisme bannen. (يريدون حظر العنصرية)
bellenيتصلIk ga je later bellen. (سأتصل بك لاحقًا)
biddenيصليWij bidden voor vrede. (نصلي من أجل السلام)
dekkenيغطىHij dekt de tafel. (هو يغطّي الطاولة)
duwenيدفعHij duwt de stoel. (هو يدفع الكرسي)
erenيكرمWe eren onze helden. (نكرم أبطالنا)
etenيأكلIk eet een appel. (أأكل تفاحة)
gokkenيقامرHij gokt op paarden. (هو يقامر على الخيول)
hakkenيقطعZe hakt het hout. (هي تقطع الخشب)
heffenيرفعHij heft het gewicht. (هو يرفع الوزن)
kammenيمشطZij kamde haar haar. (مشطت شعرها)
kennenيعرفIk ken die persoon. (أعرف تلك الشخص)
komenيأتيZij komt hier elke dag. (هي تأتي إلى هنا كل يوم)
leggenيضعIk leg het boek op de tafel. (أضع الكتاب على الطاولة)
lekkenيرشحHet water lekt uit de kraan. (الماء يرشح من الصنبور)
oplettenينتبهJe moet opletten in de les. (يجب أن تنتبه في الدرس)
liggenيرقدDe kat ligt op de bank. (القطة ترقد على الأريكة)
lokkenيجذبDe geur lokt de dieren. (الرائحة تجذب الحيوانات)
oplossenيحلWe moeten dit probleem oplossen. (يجب علينا حل هذه المشكلة)
lukkenينجحHet lukte hem om de taak te voltooien. (نجح في إتمام المهمة)
missenيفوتIk ben te laat, ik miste de bus. (أنا متأخر، فاتتني الحافلة)
pakkenيأخذIk pak mijn tas. (أخذ حقيبتي)
passenيناسبDit shirt past me goed. (هذا القميص يناسبني جيدًا)
pellenيقشرHij pelt de sinaasappel
pinnenيدفع بواسطة البطاقةIk ga met mijn kaart pinnen. (أدفع بواسطة بطاقتي)
remmenيوقفDe auto remde snel. (أوقفت السيارة بسرعة)
rennenيركضIk ren elke ochtend. (أركض كل صباح)
oprottenيرحل بسرعةJe moet nu oprotten! (يجب عليك أن تذهب بسرعة!)
slaanيضربHij slaat de bal. (هو يضرب الكرة)
staanيقفIk sta in de rij. (أنا أقف في الصف)
tellenيعدIk moet het geld tellen. (يجب علي عد المال)
tikkenيطرقZe tikt op de deur. (هي تطرق الباب)
tillenيرفعHij tilt de doos. (هو يرفع الصندوق)
typenيكتبIk typ een brief. (أكتب رسالة)
vallenيقعIk viel gisteren. (سقطت البارحة)
vissenيصطادZe vissen in de rivier. (هم يصطادون في النهر)
vullenيملأIk vul de glazen. (أملأ الأكواب)
wassenيغسلIk was de auto. (أغسل السيارة)
wennenيعتادZe moeten wennen aan de nieuwe school. (يجب عليهم التعود على المدرسة الجديدة)
winnenيفوزJij wint altijd. (أنت تفوز دائمًا)
wissenيمسحHij wiste de woorden van het bord. (هو مسح الكلمات من اللوح)
zakkenيسقطMijn telefoon zakte uit mijn zak. (سقط هاتفي من جيبي)
zeggenيقولWat ga je zeggen? (ماذا ستقول؟)
zettenيضعIk zet het boek op de tafel. (أضع الكتاب على الطاولة)
NederlandsArabischVoorbeeldzin
terugbellenيعاود الاتصالIk zal je later terugbellen. (سأتصل بك لاحقًا)
bang zijnيخافZij is bang voor honden. (هي خائفة من الكلاب)
benieuwd zijnفضولIk ben benieuwd naar het resultaat. (أنا فضولي بشأن النتيجة)
boos zijn opغاضبHij is boos op zijn broer. (هو غاضب من شقيقه)
gaar zijnمستويDe soep is gaar. (الحساء نضج)
het eens zijnمتفقWe zijn het eens over het plan. (نحن متفقون بشأن الخطة)
het oneens zijnغير متفقZij is het oneens met mij. (هي غير متفقة معي)
jaloers zijn opغيورZe is jaloers op haar vriendin. (هي غيورة من صديقتها)
klaar zijnجاهزIk ben klaar om te gaan. (أنا جاهز للذهاب)
op dieet zijnيتبع نظامًا غذائيًاIk ben op dieet. (أنا على حمية غذائية)
verdrietig zijnحزينHij is verdrietig omdat hij zijn baan heeft verloren. (هو حزين لأنه فقد وظيفته)
verliefd zijnواقع في الحبZe is verliefd op hem. (هي مغرمة به)
werkloos zijnعاطل عن العملHij is werkloos. (هو عاطل عن العمل)
woedend zijn opغاضب جدًاZe is woedend op haar collega. (هي غاضبة جدًا من زميلها)
aandoenيرتديHij doet zijn jas aan. (هو يرتدي معطفه)
aangifte doenيقدم بلاغًاZij heeft aangifte gedaan bij de politie. (قدمت بلاغًا للشرطة)
afdoenيزيلZe doet haar hoed af. (هي تخلع قبعتها)
boodschappen doenيتسوقIk moet boodschappen doen voor het diner. (يجب علي الذهاب للتسوق للعشاء)
de afwas doenيغسل الصحونIk moet de afwas doen. (يجب علي غسل الصحون)
dichtdoenيغلقHij doet de deur dicht. (هو يغلق الباب)
meedoenيشاركWil je meedoen aan de wedstrijd? (هل تريد المشاركة في المسابقة؟)
opendoenيفتحKun je de deur opendoen? (هل يمكنك فتح الباب؟)
uitdoenيخلعIk moet mijn schoenen uitdoen. (يجب علي خلع حذائي)
voordoenيظهرLaat me zien hoe je het voordoet. (أرني كيف تفعل ذلك)
wegdoenيزيلZet het niet daar, doe het weg. (لا تضعه هناك، قم بإزالته)
uitetenتناول الطعام في الخارجLaten we vanavond uiteten gaan. (لنذهب لتناول الطعام في الخارج الليلة)
aanhebbenيرتديWat voor shirt heb jij aan? (ما نوع القميص الذي ترتديه؟)
dorst hebbenيشعر بالعطشIk heb dorst. (أشعر بالعطش)
haast hebbenفي عجلةIk heb haast om de trein te halen. (أنا في عجلة للحاق بالقطار)
honger hebbenيشعر بالجوعHeb je honger? (هل تشعر بالجوع؟)
nodig hebbenيحتاجWe hebben meer tijd nodig. (نحتاج المزيد من الوقت)
ruzie hebbenيتشاجرZe hebben ruzie over de taak. (هم يتشاجرون حول المهمة)
zin hebben inيرغب فيIk heb zin in een ijsje. (أرغب في تناول الآيس كريم)
aankomenيصلDe trein moet over tien minuten aankomen. (القطار يجب أن يصل بعد عشر دقائق)
binnenkomenيدخلIk ga nu binnenkomen. (سأدخل الآن)
erachter komenيكتشفIk ben net erachter gekomen dat hij niet komt. (لقد اكتشفت للتو أنه لن يأتي)
omkomenيموتDe soldaten zijn omgekomen tijdens de strijd. (قُتل الجنود أثناء المعركة)
terechtkomenيصل إلىAlles komt terecht op de juiste plaats. (كل شيء سيصل إلى مكانه الصحيح)
terugkomenيعودZij gaat morgen terugkomen van vakantie. (هي ستعود غدًا من العطلة)
thuiskomenيعود إلى المنزلIk ben net thuiskomen van mijn werk. (لقد عدت للتو من العمل)
uitkomenيصدرHet nieuwe boek komt uit volgende maand. (سيصدر الكتاب الجديد الشهر المقبل)
uitleggenيشرحDe leraar legt de oefening goed uit. (يشرح المعلم التمرين جيدًا)
aanpakkenيتعامل معWe moeten het probleem aanpakken. (يجب علينا التعامل مع المشكلة)
aanpassenيكيفDe kleding past je goed, maar je moet je houding aanpassen. (الملابس تناسبك جيدًا، ولكن يجب أن تعدل وضعك)
oppassenينتبهPas op, er ligt een steen op de weg. (انتبه، هناك حجر في الطريق)
aanslaanيضربDe dreun slaat aan bij de kinderen. (الصوت يحدث تأثيرًا عند الأطفال)
afslaanيلتويHij slaat links af. (يلتف يسارًا)
opslaanيخزنIk moet de bestanden opslaan. (يجب أن أخزن الملفات)
overslaanيتخطىIk ga deze vraag overslaan. (سأتخطى هذا السؤال)
opstaanيقومHij staat op om acht uur. (هو يستيقظ في الساعة الثامنة)
stilstaanيتوقفWe moeten even stilstaan. (يجب أن نتوقف للحظة)
aanvallenيهاجمDe vijand valt aan. (العدو يهاجم)
afvallenيفقد الوزنIk probeer af te vallen. (أحاول أن أفقد الوزن)
tegenvallenخاب الأملHet resultaat viel me tegen. (كانت النتيجة مخيبة للآمال)
invullenيملأKun je dit formulier invullen? (هل يمكنك ملء هذه الاستمارة؟)
aanzettenيشغلHij zet de televisie aan. (هو يشغل التلفاز)
uitzettenيطفئZe zet de lichten uit. (هي تطفئ الأنوار)
eruitzienيبدوJij ziet eruit alsof je ziek bent. (تبدو وكأنك مريض)

:

NederlandsArabischVoorbeeldzin
ademenيتنفسZij ademt diep in. (هي تتنفس بعمق)
biedenيعرضHij biedt zijn hulp aan. (هو يعرض مساعدته)
bijtenيعضDe hond bijt in zijn speeltje. (الكلب يعض في لعبته)
bindenيربطHij bindt zijn schoenen. (هو يربط حذاءه)
boeienيشدّHet boek boeit me erg. (الكتاب يشدني جدًا)
boekenيحجزIk wil twee stoelen boeken voor de voorstelling. (أريد حجز مقعدين للعرض)
bonkenيضربDe deuren bonken luid. (الأبواب تضرب بصوت عالٍ)
botsenيصطدمDe auto botst tegen de muur. (السيارة تصطدم بالجدار)
bouwenيبنيZe bouwen een nieuw huis. (هم يبنون منزلًا جديدًا)
buigenينحنيHij buigt voor de koning. (هو ينحني للملك)
dansenيرقصZij danst op het podium. (هي ترقص على المسرح)
delenيشاركHij deelt zijn speelgoed met zijn vrienden. (هو يشارك لعبه مع أصدقائه)
delvenينقبZe delven naar goud. (هم ينقبون عن الذهب)
denkenيفكرIk moet goed denken over deze beslissing. (يجب علي التفكير جيدًا في هذا القرار)
dienenيخدمZij dient haar klanten met plezier. (هي تخدم عملاءها بسرور)
dingenيفعل الأشياءHij doet veel dingen in zijn vrije tijd. (هو يفعل الكثير من الأشياء في وقت فراغه)
drukkenيضغطIk moet de knop drukken om de machine te starten. (يجب علي الضغط على الزر لتشغيل الآلة)
duikenيغوصZe duikt in de oceaan. (هي تغوص في المحيط)
durvenيجرؤDurf jij de sprong te maken? (هل تجرؤ على القفز؟)
durenيستمرDe film duurt twee uur. (الفيلم يستمر لمدة ساعتين)
filmenيصورZe filmt het concert. (هي تصور الحفل)
gevenيعطيIk geef je een cadeau. (أعطيك هدية)
geldenينطبقDeze regels gelden voor iedereen. (تنطبق هذه القواعد على الجميع)
gietenيصبZij giet het water in de kom. (هي تصب الماء في الوعاء)
glimmenيلمعHet zilver glimt in het zonlicht. (الفضة تلمع في ضوء الشمس)
uitglippenينزلقHij is bijna uitgeglipt op de natte vloer. (هو كاد أن ينزلق على الأرضية الرطبة)
gooienيرميZij gooit de bal naar haar vriend. (هي ترمي الكرة إلى صديقتها)
halenيحصل علىHij haalt de krant van de stoep. (هو يحصل على الصحيفة من الرصيف)
hatenيكرهIk haat regen. (أكره المطر)
hangenيعلقDe schilderijen hangen aan de muur. (اللوحات معلقة على الجدار)
hetenيسمىDeze stad heet Amsterdam. (تسمى هذه المدينة أمستردام)
helpenيساعدIk help je met het huiswerk. (أساعدك في الواجب المنزلي)
hijsenيرفعZe hijsen de vlag op de mast. (هم يرفعون العلم على الصاري)
hoevenيحتاجIk hoef niet te werken vandaag. (لا أحتاج إلى العمل اليوم)
hopenيأملWe hopen dat het morgen zonnig is. (نأمل أن يكون الطقس مشمسًا غدًا)
horenيسمعIk hoor muziek uit de kamer. (أسمع الموسيقى من الغرفة)
houdenيحبIk houd van mijn familie. (أحب عائلتي)
huilenيبكيHet kind huilt omdat het valt. (الطفل يبكي لأنه سقط)
hurenيستأجرZe huurt een fiets voor de dag. (هي تستأجر دراجة ليوم واحد)
jagenيصطادZe jaagt op wilde dieren. (هي تصطاد الحيوانات البرية)
kauwenيمضغDe hond kauwt zijn bot. (الكلب يمضغ عظمه)
kervenينحتHij kervt zijn initialen in de boom. (هو ينحت أحرفه الأولى على الشجرة)
kiezenيختارIk kies voor de rode jurk. (أختار الفستان الأحمر)
kijvenيتشاجرDe kinderen kijven over wie de bal krijgt. (الأطفال يتشاجرون حول من سيحصل على الكرة)
kijkenينظرHij kijkt naar de sterren. (هو ينظر إلى النجوم)
klagenيشتكيZe klaagt over de service. (هي تشتكي من الخدمة)
klappenيصفقHet publiek klapt na de voorstelling. (الجمهور يصفق بعد العرض)
klikkenينقرZe klikt op de knop om verder te gaan. (هي تنقر على الزر للاستمرار)
klimmenيتسلقWij klimmen op de berg. (نحن نتسلق الجبل)
knikkenيومئHij knikt als teken van goedkeuring. (هو يومئ كإشارة للموافقة)
knippenيقصZe knipt het papier in stukken. (هي تقص الورق إلى قطع)
koelenيبردJe moet de soep koelen voordat je hem eet. (يجب أن تبرد الحساء قبل أن تأكله)
kokenيطبخHij kookt een heerlijke maaltijd. (هو يطبخ وجبة لذيذة)
kopenيشتريZij koopt een nieuw boek. (هي تشتري كتابًا جديدًا)
kostenيكلفDit huis kost veel geld. (هذا المنزل يكلف الكثير من المال)
ladenيحملWe moeten de vrachtwagen laden. (يجب علينا تحميل الشاحنة)
latenيتركIk zal de deur laten openstaan. (سأترك الباب مفتوحًا)
lachenيضحكZe lacht om de grap. (هي تضحك على النكتة)
levenيعيشWij leven in een mooi land. (نحن نعيش في بلد جميل)
lenenيقترضIk leen een boek van de bibliotheek. (أقترض كتابًا من المكتبة)
lerenيتعلمHij leert Frans. (هو يتعلم اللغة الفرنسية)
lezenيقرأZij leest een roman. (هي تقرأ رواية)
leidenيقودDe leraar leidt de klas. (المعلم يقود الصف)
liegenيكذبHij ligt vaak. (هو يكذب كثيرًا)
lijdenيعانيZe lijdt aan een ziekte. (هي تعاني من مرض)
lijkenيبدوHij lijkt gelukkig. (يبدو أنه سعيد)
lopenيمشيZij loopt naar school. (هي تمشي إلى المدرسة)
meelopenيمشي معWil je meelopen naar de winkel? (هل تريد أن تمشي معي إلى المتجر؟)
lustenيحب (الطعام)Ik lust geen groenten. (لا أحب الخضروات)
makenيصنعZij maakt een tekening. (هي تصنع رسمة)
malenيطحنHij maalt de koffiebonen. (هو يطحن حبوب القهوة)
mailenيرسل بريدًا إلكترونيًاZe mailt haar vriend elke dag. (هي ترسل بريدًا إلكترونيًا لصديقها كل يوم)
metenيقيسDe wetenschapper meet de temperatuur. (العالم يقيس درجة الحرارة)
meldenيبلغHij meldt zich bij de receptie. (هو يبلغ عند الاستقبال)
melkenيحلبDe boer melkt de koe. (الفلاح يحلب البقرة)
merkenيلاحظZe merkt dat het regent. (هي تلاحظ أنه تمطر)
mijdenيتجنبIk probeer drukke plekken te mijden. (أحاول تجنب الأماكن المزدحمة)
naaienيخيطZij naait een nieuwe jurk. (هي تخيط فستانًا جديدًا)
nemenيأخذHij neemt de bus naar werk. (هو يأخذ الحافلة إلى العمل)
neukenيجامع(Verkorte vertaling voor volwassen inhoud is niet toegestaan)
niezenيعطسHij niest in de kou. (هو يعطس في البرد)
nijgenينحني قليلاًZe nijgt als teken van respect. (هي تنحني قليلاً كعلامة احترام)
noemenيسميZij noemen hun hond Max. (هم يسمون كلبهم ماكس)
openenيفتحHij opent de deur voorzichtig. (هو يفتح الباب بحذر)
pestenيضايقDe kinderen pesten elkaar vaak. (الأطفال يضايقون بعضهم البعض)
piepenيصدر صوتًا حادًاDe deur piept als je hem opent. (الباب يصدر صوتًا حادًا عند فتحه)
plakkenيلتصقDe tape plakt goed. (الشريط اللاصق يلتصق جيدًا)
plassenيتبولHij moet plassen. (هو بحاجة للتبول)
plukkenيقطفZij plukt bloemen uit de tuin. (هي تقطف الزهور من الحديقة)
radenيخمنKun je het raden? (هل يمكنك تخمينه؟)
rakenيلمسHij raakt het doel aan. (هو يلمس الهدف)
uitreikenيوزعDe leraar reikt diploma’s uit. (المعلم يوزع الشهادات)
reizenيسافرWij reizen naar Frankrijk. (نحن نسافر إلى فرنسا)
riekenيشمIk ruik de geur van bloemen. (أشتم رائحة الزهور)
rijdenيقودHij rijdt een auto. (هو يقود سيارة)
roeienيجدفZij roeit over het meer. (هي تجدف عبر البحيرة)
roepenيناديHij roept naar zijn vriend. (هو ينادي على صديقه)
roerenيحركHij roert de soep in de pan. (هو يحرك الحساء في القدر)
rokenيدخنHij rookt een sigaret. (هو يدخن سيجارة)
ruikenيشمIk ruik de geur van versgebakken brood. (أشم رائحة الخبز الطازج)
ruilenيبادلZe ruilen kaarten met elkaar. (هم يبادلون البطاقات مع بعضهم البعض)
ruimenينظفHij ruimt zijn kamer op. (هو ينظف غرفته)
rustenيستريحZe rust na een lange dag. (هي تستريح بعد يوم طويل)
snappenيفهمIk snap het niet. (أنا لا أفهم)
snikkenيبكي بكاء مريرZij snikt van verdriet. (هي تبكي من الحزن)
spellenيتهجىIk kan niet goed spellen. (لا أستطيع التهجئة جيدًا)
stappenيخطوHij stapt naar voren. (هو يخطو للأمام)
instellenيضبطZe stelt de timer in. (هي تضبط المؤقت)
voorstellenيقترحMag ik me voorstellen? (هل يمكنني أن أقدم نفسي؟)
stemmenيصوتWe moeten stemmen over de beslissing. (يجب أن نصوت على القرار)
stoppenيتوقفHij stop snel. (هو يتوقف بسرعة)
tankenيملأ الوقودIk moet de auto tanken. (يجب علي أن أملأ السيارة بالوقود)
tijgenيثنيDe weg tijgt naar de top. (الطريق يثني نحو القمة)
tonenيعرضZe tonen hun nieuwe product. (هم يعرضون منتجهم الجديد)
trappenيركلHij trapt de bal hard. (هو يركل الكرة بشدة)
trekkenيسحبZij trekt de deur open. (هي تسحب الباب لفتحه)
trillenيرتعشZe trilt van de kou. (هي ترتعش من البرد)
varenيبحرWij varen naar een eiland. (نحن نبحر إلى جزيرة)
vangenيمسكDe kat vangt een muis. (القط يمسك بالفأر)
vegenيكنسZij veegt de vloer. (هي تكنس الأرضية)
vervenيطليHij verft de muren blauw. (هو يطلي الجدران باللون الأزرق)
vierenيحتفلZe vieren hun verjaardag. (هم يحتفلون بعيد ميلادهم)
vindenيجدIk vind mijn sleutels niet. (لا أستطيع العثور على مفاتيحي)
toevoegenيضيفIk ga suiker toevoegen aan de koffie. (سأضيف السكر إلى القهوة)
voelenيشعرIk voel me goed vandaag. (أشعر أنني بخير اليوم)
voerenيطعمHij voert de dieren in de dierentuin. (هو يطعم الحيوانات في حديقة الحيوانات)
volgenيتبعZij volgt de aanwijzingen op. (هي تتبع التعليمات)
vouwenيطويZe vouwt de kleren op. (هي تطوي الملابس)
vrijenيجامع(Verkorte vertaling voor volwassen inhoud is niet toegestaan)
wevenينسجZe weeft een prachtig tapijt. (هي تنسج سجادة رائعة)
wegenيزنDe bakker weegt de bloem af. (الخباز يزن الطحين)
wetenيعرفIk weet niet waar hij is. (لا أعرف أين هو)
werkenيعملHij werkt in een restaurant. (هو يعمل في مطعم)
wijzenيشيرZij wijst naar de weg. (هي تشير إلى الطريق)
aanwijzenيحددDe leraar wijst de juiste antwoord aan. (المعلم يحدد الإجابة الصحيحة)
wonenيعيشWij wonen in een appartement. (نحن نعيش في شقة)
wakker wordenيستيقظIk word altijd om 7 uur wakker. (أستيقظ دائمًا الساعة 7)
zeilenيبحرZe zeilen op de zee. (هم يبحرون في البحر)
zendenيرسلHij zendt een brief naar zijn vriend. (هو يرسل رسالة إلى صديقه)
zingenيغنيZe zingt een mooi lied. (هي تغني أغنية جميلة)
zinkenيغرقHet schip zinkt in de oceaan. (السفينة تغرق في المحيط)
zoekenيبحثIk zoek mijn bril. (أبحث عن نظارتي)
zogenيرضعDe baby zoog bij haar moeder. (الطفل يرضع من أمه)
zorgenيعتنيIk zorg voor mijn huisdier. (أنا أعتني بحيواني الأليف)
zuigenيمتصDe baby zuigt op de fles. (الطفل يمتص الزجاجة)
zwemmenيسبحWij zwemmen elke zomer in de zee. (نحن نسبح كل صيف في البحر)
WerkwoordArabische VertalingVoorbeeldzin
aanbiedenيعرضIk bied je een kopje koffie aan. (أعرض عليك فنجان قهوة)
uitdelenيوزعDe leraar deelt de boeken uit. (المعلم يوزع الكتب)
nadenkenيفكرZij denkt na over de situatie. (هي تفكر في الوضع)
wegdenkenينسىHij kan zich het niet wegdenken. (لا يستطيع أن ينسى ذلك)
afdrukkenيطبعIk moet de documenten afdrukken. (يجب علي طباعة الوثائق)
aangevenيعطيHij geeft de bal aan zijn vriend. (هو يعطي الكرة لصديقه)
advies gevenيقدم نصيحةZe geeft me altijd goed advies. (هي تعطي لي دائمًا نصائح جيدة)
afgevenيسلمHij geeft de brief af bij de receptie. (هو يسلم الرسالة في الاستقبال)
blootgevenيكشفZe geeft haar geheimen niet bloot. (هي لا تكشف أسرارها)
doorgevenيمررZe geeft het bericht door. (هي تمرر الرسالة)
ingevenيعطيIk zal de gegevens ingeven. (سأدخل البيانات)
lesgevenيدرسHij geeft wiskunde les. (هو يدرس الرياضيات)
meegevenيعطيDe leraar geeft een boek mee naar huis. (المعلم يعطي كتابًا ليأخذه إلى المنزل)
nagevenيعطي لاحقًاHij zal het boek later nageven. (هو سيعطي الكتاب لاحقًا)
omgevenيحيطHet park is omgeven door bomen. (الحديقة محاطة بالأشجار)
opgevenيستسلمZij geeft haar droom niet op. (هي لا تستسلم لحلمها)
overgevenيتقيأHij geeft zich over aan de ziekte. (هو يتقيأ بسبب المرض)
teruggevenيعيدIk zal het boek teruggeven. (سأعيد الكتاب)
toegevenيعترفHij geeft zijn fout toe. (هو يعترف بخطأه)
uitgevenيصرفZe geeft haar geld snel uit. (هي تصرف مالها بسرعة)
vormgevenيشكلZe geeft het idee vorm. (هي تشكل الفكرة)
weggevenيتبرعHij geeft zijn oude kleren weg. (هو يتبرع بملابسه القديمة)
weggooienيرميZij gooit het papier weg. (هي ترمي الورقة)
ophalenيلتقطIk moet mijn zoon ophalen van school. (يجب أن ألتقط ابني من المدرسة)
weghalenيزيلDe brandweerman haalt het gevaar weg. (رجال الإطفاء يزيلون الخطر)
ophangenيعلقZe hangt de schilderij op. (هي تعلق اللوحة)
afhangen vanيعتمد علىHet hangt af van het weer. (يعتمد على الطقس)
bijhorenينتميDit boek hoort bij mijn collectie. (هذا الكتاب ينتمي إلى مجموعتي)
horen teيجب أنJij hoort te studeren. (يجب أن تدرس)
houden vanيحبZij houdt van chocolade. (هي تحب الشوكولاتة)
opladenيشحنIk moet mijn telefoon opladen. (يجب أن أشحن هاتفي)
laten staanيتركHij laat de tas staan. (هو يترك الحقيبة)
toelatenيسمحZe laat iedereen binnen. (هي تسمح للجميع بالدخول)
laten zienيظهرHij laat zijn huiswerk zien. (هو يظهر واجبه المنزلي)
meelevenيتعاطفIk leef met je mee. (أشعر بتعاطف معك)
uit het hoofd lerenحفظ عن ظهر قلبHij leert de tekst uit het hoofd. (هو يحفظ النص عن ظهر قلب)
overlijdenيتوفىMijn grootvader is overleden. (توفي جدي)
aflopenينتهيDe vergadering is bijna afgelopen. (الاجتماع يوشك على الانتهاء)
stage lopenيقوم بتدريب عمليZij loopt een stage in een ziekenhuis. (هي تقوم بتدريب عملي في المستشفى)
aanmakenينشئHij maakt een nieuw document aan. (هو ينشئ مستندًا جديدًا)
afmakenينهيZe maakt haar huiswerk af. (هي تنهي واجبها المنزلي)
afspraak makenتحديد موعدWij maken een afspraak voor morgen. (نحن نحدد موعدًا للغد)
bang makenيخيفHet verhaal maakt me bang. (القصة تجعلني أخاف)
bekend makenيعلنDe directeur maakt de beslissing bekend. (المدير يعلن القرار)
een foto makenيلتقط صورةIk maak een foto van het landschap. (ألتقط صورة للمنظر الطبيعي)
kennismakenيتعرف علىIk wil graag met jou kennismaken. (أريد أن أتعرف عليك)
klaarmakenيعدّZij maakt de lunch klaar. (هي تعد الغداء)
lawaai makenيحدث ضجيجDe kinderen maken veel lawaai. (الأطفال يحدثون ضجيجًا)
ruzie makenيتشاجرZe maken altijd ruzie met elkaar. (هم دائمًا يتشاجرون مع بعضهم البعض)
schoonmakenينظفZij maakt de kamer schoon. (هي تنظف الغرفة)
uitstapje makenيقوم برحلة صغيرةWij maken een uitstapje naar het park. (نقوم برحلة صغيرة إلى الحديقة)
zich zorgen makenيقلقIk maak me zorgen over mijn examen. (أقلق بشأن امتحاني)
aanmeldenيسجلJe moet je voor de cursus aanmelden. (يجب عليك التسجيل للدورة)
afmeldenيسحب تسجيلهIk wil me afmelden voor de vergadering. (أريد سحب تسجيلي من الاجتماع)
afnemenيأخذDe dokter neemt je temperatuur af. (الطبيب يأخذ حرارتك)
deelnemen aanيشارك فيZe deelt deel aan de wedstrijd. (هي تشارك في المسابقة)
innemenيأخذHij neemt de medicijnen in. (هو يتناول الدواء)
meenemenيأخذ معهZe neemt haar tas mee. (هي تأخذ حقيبتها معها)
opnemenيسجلHij neemt het gesprek op. (هو يسجل المكالمة)
toenemenيزدادDe prijs is toegenomen. (ارتفع السعر)
voornemenيعتزمIk neem voor om dit jaar meer te sporten. (أعتزم هذا العام ممارسة الرياضة أكثر)
aanradenينصحIk raad je aan om vroeg te gaan slapen. (أوصيك بالذهاب إلى النوم مبكرًا)
afradenينصح بعدمIk raad je af om te roken. (أوصيك بعدم التدخين)
afruimenيزيل عن الطاولةZe ruimt de tafel af. (هي تزيل الأشياء عن الطاولة)
uitrustenيرتاحIk wil even uitrusten. (أريد أن أرتاح قليلاً)
afstappenينزلHij stapt van de fiets af. (هو ينزل من الدراجة)
instappenيركبWij stappen in de bus. (نركب الحافلة)
overstappenيغيرJij moet overstappen op station Utrecht. (يجب عليك تغيير القطار في محطة أوترخت)
uitstappenينزلWij moeten bij het volgende station uitstappen. (يجب أن ننزل في المحطة القادمة)
instoppenيضع فيHij stopt het papier in de envelop. (هو يضع الورقة في الظرف)
leuk vindenيحب شيءIk vind dit boek heel leuk. (أجد هذا الكتاب ممتعًا)
invoerenيدخلJe moet de gegevens invoeren in de computer. (يجب عليك إدخال البيانات في الكمبيوتر)
uitvoerenينفذDe leraar voert de opdracht uit. (المعلم ينفذ المهمة)
meewerkenيساهمZij werkt mee aan dit project. (هي تساهم في هذا المشروع)
uitzendenيبثHet programma wordt vanavond uitgezonden. (البرنامج يبث الليلة)
uitzoekenيختارIk moet de juiste optie uitzoeken. (يجب أن أختار الخيار الصحيح)
WerkwoordArabische VertalingVoorbeeldzin
beginnenيبدأIk begin vandaag met mijn nieuwe baan. (أبدأ اليوم في عملي الجديد)
beleggenيستثمرHij belegt in aandelen. (هو يستثمر في الأسهم)
beseffenيدركIk besef nu hoe belangrijk dit is. (أدرك الآن كم هو مهم هذا)
uitbestaanيوجدDeze stad bestaat al honderden jaren. (هذه المدينة موجودة منذ مئات السنين)
bevallenيلدDe bevalling bevalt haar goed. (الولادة تسير بشكل جيد)
bevattenيحتويDeze doos bevat boeken. (هذه الصندوق يحتوي على كتب)
bezettenيحتلZe bezetten het nieuwe kantoor. (هم يحتلون المكتب الجديد)
blazenينفخHij blaast de kaars uit. (هو ينفخ الشمعة)
blijvenيبقىHij blijft thuis vandaag. (هو يبقى في المنزل اليوم)
blijkenيتضحHet blijkt dat hij gelijk had. (يتضح أنه كان على حق)
blozenيحمر وجههZe bloost altijd als ze verlegen is. (هي تحمر وجهها دائمًا عندما تكون خجولة)
bradenيقليZe braadt de kip in de oven. (هي تقلي الدجاج في الفرن)
brekenيكسرHij breekt het glas per ongeluk. (هو يكسر الزجاج عن غير قصد)
brengenيجلبIk breng de boeken naar de bibliotheek. (أنا أجلب الكتب إلى المكتبة)
incheckenيسجل الوصولWe moeten een uur voor vertrek inchecken. (يجب أن نسجل الوصول قبل ساعة من المغادرة)
uitcheckenيسجل الخروجZe checkt uit na haar vakantie. (هي تسجل الخروج بعد عطلتها)
dragenيحملHij draagt een zware tas. (هو يحمل حقيبة ثقيلة)
draaienيديرZe draait de knop om. (هي تدير المقبض)
drinkenيشربIk drink elke ochtend koffie. (أنا أشرب القهوة كل صباح)
drogenيجففHij droogt zijn handen af. (هو يجفف يديه)
dweilenيمسحZe dweilt de vloer. (هي تمسح الأرضية)
dwingenيضطرHij dwingt haar om de waarheid te zeggen. (هو يضطرها لقول الحقيقة)
fietsenيركب الدراجةWij fietsen elke zondag naar het park. (نركب الدراجة كل يوم أحد إلى الحديقة)
fluitenيصفق أو يصفرHij fluit een melodie. (هو يصفق لحنًا)
fronsenيعبسZe fronst altijd als ze boos is. (هي تعبس دائمًا عندما تكون غاضبة)
gravenيحفرDe hond graaft een gat in de tuin. (الكلب يحفر حفرة في الحديقة)
grijpenيمسكHij grijpt de kans. (هو يمسك بالفرصة)
groeienينموDe planten groeien snel. (النباتات تنمو بسرعة)
groetenيحييZe groet iedereen op straat. (هي تحيي الجميع في الشارع)
hoestenيسعلHij hoest de hele tijd. (هو يسعل طوال الوقت)
aankledenيلبسIk kleed me aan voor het feest. (أنا ألبس نفسي للحفل)
uitkledenيخلعZe kleedt zich uit na het werk. (هي تخلع ملابسها بعد العمل)
kletsenيثرثرWij kletsen vaak tijdens de lunch. (نثرثر غالبًا خلال الغداء)
klinkenيرن أو يبدوHet klinkt als muziek. (يبدو كالموسيقى)
knielenيركعHij knielt voor de koningin. (هو يركع أمام الملكة)
knijpenيضغطZe knijpt de lotion op haar hand. (هي تضغط على اللوشن في يدها)
krijgenيحصلIk krijg een cadeau van mijn vriend. (أنا أحصل على هدية من صديقي)
kruipenيزحفDe baby kruipt op de vloer. (الطفل يزحف على الأرض)
leverenيسلمZe levert de documenten morgen. (هي تسلم الوثائق غدًا)
lunchenيتناول الغداءWij lunchen altijd om 12 uur. (نتناول الغداء دائمًا الساعة 12)
miauwenمواءDe kat miauwt om eten. (القط مواء من أجل الطعام)
oefenenيتدربIk oefen elke dag piano. (أنا أتدرب على العزف على البيانو كل يوم)
plegenيعتادHij pleegt elke week naar de kerk te gaan. (هو يعتاد الذهاب إلى الكنيسة كل أسبوع)
poetsenينظفZe poetst de ramen. (هي تنظف النوافذ)
pratenيتحدثWe praten over de vakantie. (نتحدث عن العطلة)
printenيطبعIk moet de documenten printen. (يجب علي طباعة الوثائق)
proevenيتذوقHij proeft de soep. (هو يتذوق الحساء)
regelenينظمWe moeten de reis goed regelen. (يجب علينا تنظيم الرحلة جيدًا)
regenenتمطرHet regent vandaag. (إنه يمطر اليوم)
rekenenيحسبZe rekent de bedragen uit. (هي تحسب المبالغ)
schillenيقشرHij schilt de appels. (هو يقشر التفاح)
schuddenيهزZe schudt de fles goed. (هي تهز الزجاجة جيدًا)
slagenينجحHij slaat voor het examen. (هو ينجح في الامتحان)
slapenينامIk slaap acht uur per nacht. (أنام ثماني ساعات في الليل)
slepenيجرZe slepen de kast naar de kamer. (هم يجرون الخزانة إلى الغرفة)
slijpenيشحذHij slijpt zijn mes. (هو يشحذ سكينه)
sluipenيتسللDe kat sluipt naar de muis. (القط يتسلل نحو الفأر)
sluitenيغلقZe sluit de deur. (هي تغلق الباب)
smakenيتذوقDeze soep smakt lekker. (هذه الحساء لذيذ)
smerenيدهنHij smeert boter op zijn brood. (هو يدهن الزبدة على خبزه)
smeltenيذوبHet ijs smelt in de zon. (الثلج يذوب في الشمس)
snijdenيقطعZe snijdt de groenten. (هي تقطع الخضروات)
snuivenيستنشقHij snuift de geur van bloemen in. (هو يستنشق رائحة الزهور)
sparenيوفرIk spaar geld voor een nieuwe auto. (أنا أوفر المال لشراء سيارة جديدة)
spelenيلعبDe kinderen spelen buiten. (الأطفال يلعبون في الخارج)
opsporenيحدد موقع شيءZe spoort de verloren sleutels op. (هي تحدد موقع المفاتيح المفقودة)
sportenيمارس الرياضةIk sport elke dag. (أنا أمارس الرياضة كل يوم)
stakenيضرب عن العملDe werknemers staken voor betere arbeidsomstandigheden. (العمال يضربون عن العمل من أجل ظروف عمل أفضل)
startenيبدأHet evenement start om 10 uur. (الحدث يبدأ الساعة 10)
stekenيطعنHij steekt het mes in de appel. (هو يطعن التفاحة بالسكين)
overstekenيعبرWe moeten de straat oversteken. (يجب علينا عبور الشارع)
stelenيسرقDe dief steelt de tas. (اللص يسرق الحقيبة)
stervenيموتDe oude man stierf gisteren. (الرجل العجوز مات أمس)
terugstortenيعيد المالHet geld wordt teruggestort. (سيتم إرجاع المال)
straffenيعاقبDe leraar straft de leerling voor zijn gedrag. (المعلم يعاقب الطالب على تصرفه)
stuivenيثور أو يتطايرHet zand stuift door de lucht. (الرمل يتطاير في الهواء)
sturenيرسلIk stuur een brief naar mijn vriend. (أرسل رسالة إلى صديقي)
swipenيمسح أو يمررJe moet naar rechts swipen om verder te gaan. (يجب عليك تمرير الشاشة لليمين للمتابعة)
tekenenيرسمIk teken een huis. (أنا أرسم منزلًا)
intoetsenيضغط على الأزرارJe moet je wachtwoord intoetsen. (يجب عليك إدخال كلمة المرور)
trainenيدربDe coach trains het team. (المدرب يدرب الفريق)
trouwenيتزوجZe trouwen volgende maand. (هم سيتزوجون الشهر المقبل)
vechtenيقاتلDe soldaten vechten voor hun land. (الجنود يقاتلون من أجل وطنهم)
vliegenيطيرDe vogels vliegen in de lucht. (الطيور تطير في السماء)
vloekenيسبHij vloekt als hij zich pijn doet. (هو يسب عندما يشعر بالألم)
vragenيسألIk vraag de weg. (أنا أسأل عن الطريق)
vriezenيتجمدHet water vriest in de winter. (الماء يتجمد في الشتاء)
wachtenينتظرWe wachten op de bus. (ننتظر الحافلة)
wrijvenيفركZe wrijft haar handen warm. (هي تفرك يديها لتدفئتهما)
inzamelenيجمع التبرعاتWe gaan geld inzamelen voor een goed doel. (نحن نجمع الأموال من أجل هدف خيري)
zwaaienيلوحHij zwaait naar zijn vrienden. (هو يلوح لأصدقائه)
zwerenيحلفIk zweer dat ik de waarheid vertel. (أقسم أنني أقول الحقيقة)
zwijgenيصمتZe zwijgt tijdens de vergadering. (هي تصمت أثناء الاجتماع)
WerkwoordArabische VertalingVoorbeeldzin
afblijvenيبتعد عنJe moet afblijven van die vuile spullen. (يجب أن تبتعد عن تلك الأشياء القذرة)
opblijvenيبقى مستيقظًاIk blijf opblijven om mijn huiswerk af te maken. (أنا أبقى مستيقظًا لإنهاء واجبي)
thuisblijvenيبقى في المنزلZe moet vandaag thuisblijven vanwege haar ziekte. (يجب عليها أن تبقى في المنزل بسبب مرضها)
afbrekenيهدمZe breekt de muur af om meer ruimte te maken. (هي تهدم الجدار لخلق مساحة أكبر)
aanbrengenيضعHij brengt de verf aan op de muur. (هو يضع الطلاء على الجدار)
doorbrengenيقضيWe brengen de vakantie in Frankrijk door. (نقضي العطلة في فرنسا)
meebrengenيجلب معهHij brengt zijn vrienden mee naar het feest. (هو يجلب أصدقاءه إلى الحفلة)
opbrengenيجلبDeze actie zal veel geld opbrengen. (هذا العمل سيجلب الكثير من المال)
terugbrengenيعيدZe brengt de boeken terug naar de bibliotheek. (هي تعيد الكتب إلى المكتبة)
wegbrengenيأخذ إلى مكان آخرIk breng de tas naar de slaapkamer. (أخذت الحقيبة إلى غرفة النوم)
bijdragenيساهمIedereen moet bijdragen aan de kosten. (يجب على الجميع المساهمة في التكاليف)
opdragenيأمر أو يوجهDe leraar draagt hen op om het boek te lezen. (المعلم يوجههم لقراءة الكتاب)
overdragenينقلHij draagt het dossier over aan de directeur. (هو ينقل الملف إلى المدير)
aansluitenيتصلJe moet je computer aansluiten op het netwerk. (يجب عليك توصيل الكمبيوتر بالشبكة)
afsluitenيغلقZe sluit de vergadering af. (هي تغلق الاجتماع)
uitsluitenيستبعدDit voorstel sluit bepaalde opties uit. (هذا الاقتراح يستبعد بعض الخيارات)
uitstervenينقرضVeel diersoorten sterven uit door de klimaatverandering. (العديد من الأنواع الحيوانية تنقرض بسبب تغير المناخ)
aanvragenيطلبIk wil een visum aanvragen. (أريد طلب تأشيرة)
zich afvragenيتساءلIk vraag me af waar hij is. (أتساءل أين هو)
bedankenيشكرIk wil je graag bedanken voor je hulp. (أريد أن أشكرك على مساعدتك)
bedenkenيفكرZe bedenkt altijd goede oplossingen. (هي تفكر دائمًا في حلول جيدة)
bedervenيفسدHet eten is bedorven. (الطعام فاسد)
bedoelenيقصدWat bedoel je met deze opmerking? (ماذا تعني بهذا التصريح؟)
begevenيذهب إلىHij begeeft zich naar het station. (هو يذهب إلى المحطة)
behalenيحصل علىZe behaalt altijd goede cijfers. (هي تحصل دائمًا على درجات جيدة)
toebehorenيخصDit boek behoort mij. (هذا الكتاب يخصني)
bekijkenيشاهدZe bekijkt de nieuwe film. (هي تشاهد الفيلم الجديد)
belovenيعدHij belooft me te helpen. (هو يعدني بمساعدتي)
belonenيكافئDe leraar beloont goede prestaties. (المعلم يكافئ الأداء الجيد)
bepalenيحددHet onderzoek zal de resultaten bepalen. (البحث سيحدد النتائج)
voorbereidenيجهزIk moet mijn presentatie voorbereiden. (يجب أن أجهز عرضي التقديمي)
bereikenيصل إلىWe bereiken het doel na veel moeite. (نصل إلى الهدف بعد جهد كبير)
beslissenيقررIk moet nog beslissen of ik ga. (يجب أن أقرر ما إذا كنت سأذهب)
bestellenيطلبIk wil een pizza bestellen. (أريد طلب بيتزا)
betalenيدفعHij betaalt de rekening. (هو يدفع الفاتورة)
betrekkenيشركDit heeft ook invloed op de toekomst betrekken. (هذا له تأثير أيضًا على المستقبل)
bevelenيأمرDe officier beveelt de soldaten om te marcheren. (الضابط يأمر الجنود بالمشي)
bewarenيحفظIk bewaar mijn documenten in de kast. (أحفظ مستنداتي في الخزانة)
bewegenيتحركDe klok beweegt langzaam. (الساعة تتحرك ببطء)
bewerenيدعيHij beweert dat hij het niet gedaan heeft. (هو يدعي أنه لم يفعل ذلك)
bewolkenيغطى بالغيومDe lucht bewolkt snel. (السماء تغطيها الغيوم بسرعة)
bezoekenيزورZe bezoekt haar ouders elke maand. (هي تزور والديها كل شهر)
bezorgenيوصلZe bezorgt de pizza. (هي توصل البيتزا)
creërenيخلقDe kunstenaar creëert een prachtig schilderij. (الفنان يخلق لوحة جميلة)
dinerenيتناول العشاءWij dineren elke zaterdag samen. (نتناول العشاء معًا كل يوم سبت)
donerenيتبرعZe doneert veel geld aan goede doelen. (هي تتبرع بالكثير من المال للأعمال الخيرية)
eindigenينتهيDe film eindigt om 10 uur. (الفيلم ينتهي الساعة 10)
ervarenيختبرIk heb veel ervaren in dit vak. (لقد اختبرت الكثير في هذا المجال)
forenzenيسافر يوميًا للعملVeel mensen forenzen elke dag naar de stad. (الكثير من الناس يسافرون يوميًا إلى المدينة)
gelovenيعتقدIk geloof in hard werken. (أنا أعتقد في العمل الجاد)
genezenيشفىHij is goed genezen na de operatie. (هو قد شفي تمامًا بعد الجراحة)
genietenيستمتعWe genieten van de vakantie. (نستمتع بالعطلة)
handelenيتصرفZe handelt snel in geval van nood. (هي تتصرف بسرعة في حالات الطوارئ)
herkennenيتعرف علىIk kan haar niet herkennen. (لا أستطيع التعرف عليها)
herzienيراجعDe docent herziet de resultaten van de toets. (المعلم يراجع نتائج الاختبار)
huiverenيرتجفIk huiver van de kou. (أرتجف من البرد)
koppelenيربطZe koppelt de computer aan het netwerk. (هي تربط الكمبيوتر بالشبكة)
logerenيقيمHij logeert bij zijn tante. (هو يقيم لدى عمته)
misdoenيخطئJe moet geen misdaden doen. (لا يجب أن ترتكب الجرائم)
aanmoedigenيشجعHij moedigt de kinderen aan om te lezen. (هو يشجع الأطفال على القراءة)
mopperenيتذمرZe mopperen altijd over het werk. (هم يتذمرون دائمًا عن العمل)
negerenيتجاهلHij negeert mijn oproepen. (هو يتجاهل مكالماتي)
ontdekkenيكتشفWe ontdekken een nieuw restaurant. (نكتشف مطعمًا جديدًا)
ontdoenيزيلZe ontdoet zich van haar oude kleren. (هي تزيل ملابسها القديمة)
onthullenيكشفDe wetenschapper onthult zijn bevindingen. (العالم يكشف عن اكتشافاته)
plaatsenيضعHij plaatst de boeken op de tafel. (هو يضع الكتب على الطاولة)
schakenيلعب الشطرنجZe schaken elke zondag. (هم يلعبون الشطرنج كل يوم أحد)
scherenيحلقHij scheert zich elke ochtend. (هو يحلق وجهه كل صباح)
scheidenيطلقZe scheiden na vijf jaar huwelijk. (هم يطلقون بعد خمس سنوات من الزواج)
scheldenيسبHij scheldt als hij boos is. (هو يسب عندما يكون غاضبًا)
schendenينتهكHij schendt de regels. (هو ينتهك القواعد)
schenkenيهديZe schenkt haar vriendin een boek. (هي تهدي صديقتها كتابًا)
schietenيطلق النارHij schiet op het doel. (هو يطلق النار على الهدف)
schijnenيبدوDe zon schijnt vandaag. (الشمس تبدو اليوم)
schrikkenيَفزعZe schrok van het geluid. (هي فزعت من الصوت)
scrollenالتمريرJe moet scrollen naar beneden om de informatie te zien. (يجب عليك التمرير لأسفل لرؤية المعلومات)
splijtenيقطع أو يشطرHij splitst het hout in tweeën. (هو يشطر الخشب إلى نصفين)
sprekenيتكلمZe spreekt drie talen. (هي تتكلم ثلاث لغات)
springenيقفزDe kinderen springen op de trampoline. (الأطفال يقفزون على الترامبولين)
strelenيداعب أو يربتZe streelt de hond. (هي تداعب الكلب)
strijdenيقاتلDe soldaten strijden voor hun land. (الجنود يقاتلون من أجل وطنهم)
strijkenيكويZe strijkt haar kleren. (هي تكوي ملابسها)
troostenيواسيZe troost haar vriend na het verlies. (هي تواسي صديقها بعد الخسارة)
vergissenيخطئIk vergis me vaak in de richting. (أنا أخطئ كثيرًا في الاتجاه)
verlatenيتركHij verlaten het huis om 9 uur. (هو يترك المنزل الساعة 9)
verpakkenيعبئZe verpakt de cadeaus in mooi papier. (هي تعبئ الهدايا في ورق جميل)
verrassenيفاجئZe verrast haar vrienden met een feestje. (هي تفاجئ أصدقائها بحفلة)
verstaanيفهمIk versta je niet. (أنا لا أفهمك)
vertellenيخبرZe vertelt een verhaal. (هي تخبر قصة)
verwarrenيربكDit probleem verwart me. (هذه المشكلة تربكني)
verwennenيدللZe verwent haar kinderen met cadeaus. (هي تدلل أطفالها بالهدايا)
verzettenيعارض أو يغير مكانهHij verzet zich tegen de beslissing. (هو يعارض القرار)
vluchtenيهربZe vluchten voor de storm. (هم يهربون من العاصفة)
voldoenيفي بالمتطلباتDit antwoord voldoet aan de eisen. (هذا الجواب يفي بالمتطلبات)
wandelenيمشيIk wandelen graag in het park. (أحب المشي في الحديقة)
wikkelenيلفHij wikkelt het cadeau in papier. (هو يلف الهدية بورق)
winkelenيتسوقWe winkelen in het winkelcentrum. (نحن نتسوق في المركز التجاري)
wisselenيبادل أو يغيرZe wisselen informatie uit. (هم يتبادلون المعلومات)
uitwisselenيتبادلZe wisselen telefoonnummers. (هم يتبادلون أرقام الهواتف)
WerkwoordArabische VertalingVoorbeeldzin
aanbevelenيوصيIk aanbeveel deze film aan. (أوصي بهذا الفيلم)
opschietenيستعجلWe moeten opschieten, anders missen we de trein. (علينا أن نستعجل، وإلا سنفوت القطار)
afsprekenيتفق علىWe spreken af om om 6 uur te komen. (نتفق على القدوم الساعة السادسة)
uitsprekenينطقZe spreekt haar naam duidelijk uit. (هي تنطق اسمها بوضوح)
verwerkenيعالجIk moet mijn gevoelens verwerken na het verlies. (يجب عليّ معالجة مشاعري بعد الخسارة)
bedreigenيهددHij bedreigt iedereen die niet luistert. (هو يهدد كل من لا يستمع)
bedriegenيخدعZe bedriegt haar vrienden met een leugen. (هي تخدع أصدقاءها بكذبة)
begrijpenيفهمIk begrijp het probleem nu. (أفهم المشكلة الآن)
beperkenيحدد أو يقيدDe tijd is beperkt voor deze taak. (الوقت محدود لهذه المهمة)
berekenenيحسبHij berekent de kosten van het project. (هو يحسب تكاليف المشروع)
beschikkenيملك أو يتوافرJe beschikt over de juiste middelen voor de taak. (أنت تملك الأدوات الصحيحة للمهمة)
besluitenيقررWe hebben besloten om naar het strand te gaan. (لقد قررنا الذهاب إلى الشاطئ)
besparenيوفرIk probeer elke maand wat geld te besparen. (أحاول توفير بعض المال كل شهر)
bestedenيقضيIk besteed veel tijd aan mijn hobby. (أقضي وقتًا طويلاً في هوايتي)
betekenenيعنيWat betekent dit woord? (ماذا يعني هذه الكلمة؟)
betredenيدخلJe mag deze kamer niet betreden. (لا يجوز لك دخول هذه الغرفة)
bevriezenيجمدHet water zal bevriezen bij deze temperatuur. (سيتجمد الماء في هذه الحرارة)
bevrijdenيحررDe soldaten bevrijden de stad. (الجنود يحررون المدينة)
gebruikenيستخدمIk gebruik mijn telefoon elke dag. (أستخدم هاتفي كل يوم)
gedragenيتصرف أو يلبسHij heeft zich altijd goed gedragen. (لقد تصرف جيدًا دائمًا)
giechelenيضحك بصوت خافت أو يهمسDe kinderen giechelen achter de leraar. (الأطفال يضحكون بصوت خافت وراء المعلم)
herdenkenيحيي الذكرىWe herdenken de slachtoffers van de oorlog. (نحيي ذكرى ضحايا الحرب)
herenigenيوحدHet doel is om de gescheiden families te herenigen. (الهدف هو توحيد العائلات المفصولة)
hergevenيعيدZe heeft haar taak hergegeven aan haar collega. (هي أعادت مهمتها إلى زميلها)
herhalenيعيدKun je dit nog een keer herhalen? (هل يمكنك تكرار هذا مرة أخرى؟)
herkiezenيعيد انتخابZe zullen de president herkiezen. (سيتم إعادة انتخاب الرئيس)
herlezenيعيد قراءةIk moet dit boek nog eens herlezen. (يجب أن أقرأ هذا الكتاب مرة أخرى)
isolerenيعزلHij werd geïsoleerd van de rest van de groep. (تم عزله عن بقية المجموعة)
kamperenيخيمWe gaan dit weekend in de bossen kamperen. (سوف نخيّم هذا الأسبوع في الغابات)
knipperenيرمشZe knippert vaak met haar ogen. (هي ترمش كثيرًا بعينيها)
knuffelenيعانقZe knuffelt haar kinderen na school. (هي تعانق أطفالها بعد المدرسة)
kopiërenينسخHij kopieert het document naar zijn computer. (هو ينسخ المستند إلى جهاز الكمبيوتر)
luisterenيستمعIk luister naar muziek tijdens het werk. (أستمع إلى الموسيقى أثناء العمل)
ontbijtenيتناول الإفطارWe ontbijten elke ochtend samen. (نتناول الإفطار كل صباح معًا)
onthoudenيتذكرKun je dit onthouden voor mij? (هل يمكنك تذكر هذا من أجلي؟)
ontladenيفرغ أو يزيل الشحنة الكهربائيةDe batterij moet ontladen worden. (يجب تفريغ البطارية)
ontmoetenيلتقيIk ga mijn vriend vanavond ontmoeten. (سألتقي بصديقي هذا المساء)
ontspannenيسترخيNa een lange dag moet ik me ontspannen. (بعد يوم طويل، يجب أن أسترخي)
ontvangenيستقبلZe ontvangt haar gasten in de hal. (هي تستقبل ضيوفها في الردهة)
ontwerpenيصممZe ontwerpt een nieuw logo voor het bedrijf. (هي تصمم شعارًا جديدًا للشركة)
ontwijkenيتجنبHij probeert altijd problemen te ontwijken. (هو دائمًا يحاول تجنب المشاكل)
oordelenيحكمZe oordeelt snel over mensen. (هي تحكم بسرعة على الناس)
proberenيحاولIk zal proberen de taak af te maken. (سأحاول إتمام المهمة)
reagerenيردHoe zal hij reageren op dit nieuws? (كيف سيرد على هذا الخبر؟)
roosterenيحمصIk rooster de groenten in de oven. (أحميص الخضروات في الفرن)
schakelenيغير التروس أو يربطWe moeten schakelen naar een andere strategie. (يجب أن نغير إلى استراتيجية أخرى)
overschrijdenيتجاوزJe mag de snelheidslimiet niet overschrijden. (لا يجب أن تتجاوز الحد الأقصى للسرعة)
schrijvenيكتبHij schrijft elke dag een dagboek. (هو يكتب يوميًا في مذكراته)
serverenيقدمDe ober serveert het diner. (النادل يقدم العشاء)
slingerenيتأرجح أو يرميHij slingert de bal naar zijn vriend. (هو يرمي الكرة إلى صديقه)
sorterenيصنفZe sorteert de boeken op kleur. (هي تصنف الكتب حسب اللون)
spetterenيتناثرHet water spettert uit de emmer. (الماء يتناثر من الدلو)
studerenيدرسIk moet studeren voor mijn examen. (يجب أن أدرس لامتحاني)
tracerenيتتبعWe moeten de oorsprong van het probleem traceren. (يجب علينا تتبع مصدر المشكلة)
twijfelenيشككIk twijfel of dit de juiste keuze is. (أشك في ما إذا كان هذا هو الخيار الصحيح)
verbazenيدهشHet resultaat zal je zeker verbazen. (النتيجة ستدهشك بالتأكيد)
verbiedenيمنعHet is verboden om hier te roken. (يمنع التدخين هنا)
verbindenيربطHij verbindt de twee draden met elkaar. (هو يربط السلكين ببعضهما)
verdelenيوزعWe moeten de taken eerlijk verdelen. (يجب علينا توزيع المهام بشكل عادل)
verdienenيكسبZe verdient veel geld met haar werk. (هي تكسب الكثير من المال من عملها)
vergevenيغفرHij kan haar fout niet vergeven. (هو لا يستطيع مسامحتها على خطأها)
vergetenينسىIk ben helemaal vergeten om je te bellen. (نسيت تمامًا أن أتصل بك)
verhuizenيرحلWe gaan volgende maand verhuizen naar een nieuw huis. (سننتقل إلى منزل جديد الشهر المقبل)
verhurenيؤجرZe verhuurt haar appartement aan een vriend. (هي تؤجر شقتها لصديق)
verkiezenيفضلIk verkies koffie boven thee. (أفضل القهوة على الشاي)
verkopenيبيعZe verkoopt haar oude meubels. (هي تبيع أثاثها القديم)
verlagenيقللZe willen de prijzen verlagen. (يريدون تقليل الأسعار)
verlangenيتوقIk verlang naar vakantie. (أنا أتوق إلى الإجازة)
verliezenيخسرWe kunnen niet blijven verliezen. (لا يمكننا الاستمرار في الخسارة)
verlovenيتخلى عن الخطوبةZe verloven na twee jaar. (هم ينفصلون بعد عامين من الخطوبة)
vermijdenيتجنبHij probeert conflicten te vermijden. (هو يحاول تجنب الصراعات)
vernielenيدمرDe storm vernielde het huis. (الاعصار دمر المنزل)
verradenيخونHij heeft zijn vrienden verraden. (هو خان أصدقاءه)
versnellenيسرعJe moet versnellen om op tijd te komen. (يجب عليك تسريع الخطى لتكون في الوقت المحدد)
verspillenيهدرZe verspilt veel tijd op sociale media. (هي تهدر الكثير من الوقت على وسائل التواصل الاجتماعي)
vertalenيترجمIk moet deze tekst vertalen naar het Engels. (يجب أن أترجم هذا النص إلى الإنجليزية)
vertrekkenيغادرZe vertrekken om 10 uur. (هم يغادرون الساعة العاشرة)
vervangenيستبدلZe willen de oude machines vervangen. (هم يريدون استبدال الآلات القديمة)
verversenيجددJe moet de verf op de muren verversen. (يجب عليك تجديد الطلاء على الجدران)
vervolgenيواصلZe zal haar onderzoek vervolgen na de pauze. (ستواصل بحثها بعد الاستراحة)
vervormenيشوهDe storm heeft de stad vervormd. (العاصفة شوهت المدينة)
verwijzenيشيرHij verwijst naar een ander artikel. (هو يشير إلى مقال آخر)
verzendenيرسلZe zal de documenten morgen verzenden. (سترسل الوثائق غدًا)
verzoekenيطلبIk verzoek je om snel te antwoorden. (أطلب منك الرد بسرعة)
verzorgenيعتني أو يقدم الرعايةHij verzorgt zijn zieke moeder. (هو يعتني بأمه المريضة)
verzwakkenيضعفDe medicijnen kunnen de pijn verzwakken. (الأدوية يمكن أن تضعف الألم)
voetballenيلعب كرة القدمDe kinderen voetballen op het plein. (الأطفال يلعبون كرة القدم في الساحة)
voorkomenيمنعDit kan worden voorkomen met goede voorzorgsmaatregelen. (يمكن منع هذا من خلال اتخاذ تدابير وقائية جيدة)
WerkwoordArabische VertalingVoorbeeldzin
voorkomenيمنعHet kan worden voorkomen met de juiste voorzorgsmaatregelen. (يمكن منعه من خلال التدابير الوقائية المناسبة)
wassenيغسلZe moet haar handen wassen voordat ze eet. (يجب عليها غسل يديها قبل تناول الطعام)
bergenيخبئHij bergt de schatten diep in de grond. (هو يخبئ الكنوز في أعماق الأرض)
dunkenيظنWat dunkt je van deze situatie? (ماذا تظن عن هذا الوضع؟)
vasthoudenيمسكKun je deze tas voor me vasthouden? (هل يمكنك إمساك هذه الحقيبة لي؟)
houwenيقطع أو يشرخHij houwt een boom om. (هو يقطع شجرة)
luikenيغلق أو يغطيDe ramen zijn geluikt voor de nacht. (النوافذ مغلقة للليل)
aannemenيتبنى أو يقبلIk neem je voorstel graag aan. (أقبل اقتراحك بسرور)
wrijvenيدلك أو يفركZe wrijft de olie op haar huid. (هي تدلك الزيت على بشرتها)
rijgenيرص أو يصفZe rijgt de kralen aan een draad. (هي تصف الخرز على خيط)
rijzenيرتفعDe zon begint te rijzen. (الشمس تبدأ في الارتفاع)
rijtenيقطعHij rijt het papier in stukken. (هو يقطع الورق إلى قطع)
spannenيشدHij span de touw strak. (هو يشد الحبل بإحكام)
overspannenيتوتر أو يتعصبZe voelde zich overspannen na het lange werk. (شعرت بالتوتر بعد العمل الطويل)
spinnenينسج أو يلفDe spin spint een web. (العنكبوت ينسج شبكة)
treffenيصيب أو يلتقيZe treft haar oude vrienden na lange tijd. (هي تلتقي بأصدقائها القدامى بعد فترة طويلة)
aantrekkenيجذب أو يرتديDit shirt aantrekt veel aandacht. (هذا القميص يجذب الكثير من الانتباه)
varenيبحرWe gaan varen op de rivier. (سنبحر في النهر)
wervenيجندZe werft nieuwe leden voor de club. (هي تجند أعضاء جدد للنادي)
werpenيرميHij werpt de bal naar zijn vriend. (هو يرمي الكرة إلى صديقه)
wijkenيبتعدZe wijken voor het verkeer. (هم يبتعدون عن الطريق)
wijtenيلومHij wijt zijn fouten aan anderen. (هو يلوم الآخرين على أخطائه)
windenيلف أو يدورDe wind wint harder in de winter. (الريح تعصف بشدة في الشتاء)
wrekenينتقمHij wil zich wreken op zijn vijanden. (هو يريد الانتقام من أعدائه)
zeikenيبالغ في الشكوى أو التذمرHij blijft zeiken over het probleem. (هو يستمر في الشكوى عن المشكلة)
ziedenيغليHet water ziedt op het vuur. (الماء يغلي على النار)
zijgenيميل أو ينحنيZe zijgt naar de grond door de pijn. (هي تميل إلى الأرض بسبب الألم)
zoutenيملحHij zout de soep voor het serveren. (هو يملح الحساء قبل تقديمه)
zuipenيشرب بكثرة أو يتناول الكحولHij zuipt vaak op feestjes. (هو يشرب كثيرًا في الحفلات)
zwellenينتفخDe spier zwelt na de oefening. (العضلة تنتفخ بعد التمرين)
barstenينفجر أو يتشققDe bal is gebroken en is gaan barsten. (الكرة انكسرت وبدأت بالتشقق)
berstenيتشقق أو ينفجرHet ijs zal bersten bij de hoge temperatuur. (الجليد سينفجر عند درجة الحرارة العالية)
bezinnenيعيد التفكيرHij moet zich even bezinnen voordat hij een beslissing neemt. (يجب أن يفكر قليلاً قبل أن يتخذ قرارًا)
bezittenيمتلكZij bezit een groot huis. (هي تمتلك منزلًا كبيرًا)
blinkenيلمعDe sterren blinken aan de hemel. (النجوم تلمع في السماء)
brouwenيخمر أو يصنع الجعةHij brouwt zijn eigen bier. (هو يصنع بيره الخاص)
drijvenيطفوHet houten plankje drijft op het water. (اللوح الخشبي يطفو على الماء)
dringenيضغط أو يزاحمZe moesten zich door de menigte dringen. (كان عليهم الازدحام بين الحشود)
druipenيتساقط أو يقطرHet water druipt van de boombladeren. (الماء يتساقط من أوراق الشجرة)
gewinnenيفوزHij wil altijd winnen bij spelletjes. (هو يريد دائمًا الفوز في الألعاب)
glijdenينزلقZe glijdt over het ijs. (هي تنزلق على الجليد)
kluivenيلتهمDe hond kluift zijn bot. (الكلب يلتهم عظمه)
knijpenيعصر أو يضغطZe knijpt de citroen om sap te krijgen. (هي تعصر الليمون للحصول على العصير)
krijsenيصرخHet kind begint te krijsen van pijn. (الطفل يبدأ بالصراخ من الألم)
krijtenيكتب باستخدام طباشيرDe leraar krijt op het bord. (المعلم يكتب على السبورة بالطباشير)
krimpenيتقلصHet t-shirt zal krimpen in de was. (القميص سيتقلص في الغسالة)
kwijtenيتخلص أو يخففHij heeft zijn zorgen kwijt. (لقد تخلص من همومه)
ontgaanيفوت أو يهربHet is me ontgaan dat het vandaag een feestdag is. (لقد فاتني أن اليوم هو يوم عطلة)
plegenيرتكبHij pleegde een misdaad. (هو ارتكب جريمة)
pluizenيفحص أو يحققZe pluist de documenten voor fouten. (هي تفحص المستندات بحثًا عن الأخطاء)
prijzenيثني أو يمدحIk wil je hard werk prijzen. (أريد أن أثني على عملك الجاد)
scheppenيخلق أو يرفعDe kunstenaar schept een nieuw beeld. (الفنان يخلق تمثالًا جديدًا)
slijtenيستهلك أو يبلىMijn schoenen beginnen te slijten na lang dragen. (حذائي يبدأ بالتآكل بعد ارتدائه لفترة طويلة)
slinkenيتقلص أو يختفيZijn schuld is langzaam aan het slinken. (ديونه بدأت بالاختفاء ببطء)
smijtenيرمي أو يضربHij smet de bal naar de andere kant van het veld. (هو يرمي الكرة إلى الجهة الأخرى من الملعب)
snuitenيمسح الأنفZe snuit haar neus na het niezen. (هي تمسح أنفها بعد العطس)
spijtenيندمHet spijt me dat ik je gekwetst heb. (أنا نادم على إيذائك)
spuitenيرش أو يضخZe spuit water op de bloemen. (هي ترش الماء على الزهور)
spugenيبصقHij spuwt het kauwgom uit. (هو يبصق العلكة)
stijgenيرتفعDe temperaturen zullen stijgen deze week. (الحرارة سترتفع هذا الأسبوع)
stinkenيختنق أو يسبب رائحة كريهةHet eten stinkt als het niet op tijd wordt gekookt. (الطعام يسبب رائحة كريهة إذا لم يتم طهيه في الوقت المناسب)
stotenيصطدمIk stootte mijn hoofd tegen de deur. (اصطدمت برأسي في الباب)
tredenيخطوWe moeten voorzichtig treden in dit gebied. (يجب أن نخطو بحذر في هذه المنطقة)
vliedenيفرHij vliedt uit de stad vanwege de oorlog. (هو يهرب من المدينة بسبب الحرب)
vretenيأكل بكثرة أو يلتهمDe honden vreten hun eten snel op. (الكلاب تلتهم طعامها بسرعة)
wringenيعصر أو يشدZe wringt de handdoek uit. (هي تعصر المنشفة)
zwerenيقسم أو يحلفHij zweert dat hij de waarheid zegt. (هو يقسم أنه يقول الحقيقة)
zwelgenيطغى أو يلتهمZe zwelgt in luxe na haar overwinning. (هي تلتهم الترف بعد فوزها)
zwervenيتجولZe zwerft door de stad zonder bestemming. (هي تتجول في المدينة بلا هدف)

Onregelmatige werkwoorden

InfinitiefPresensImperfectumParticipiumHulpwerkwoordVertaling (Arabisch)
bakkenbakbakte / baktengebakken(heb)يخبز، يقلي
bannenbanbande / bandengebannen(heb)ينفي
barstenbarstbarstte / barsttengebarsten(is)يتصدع، ينفجر
bedelvenbedelfbedolf / bedolvenbedolven(heb)يدفن، يغمر
bedenkenbedenkbedacht / bedachtenbedacht(heb)يفكر، يتذكر
bedervenbederfbedierf / bediervenbedorven(heb)يفسد
bedragenbedragbedroeg / bedroegenbedragen(heb)يبلغ
bedriegenbedriegbedroog / bedrogenbedrogen(heb)يخدع، يلعب، يخون
bedrijvenbedrijfbedreef / bedrevenbedreven(heb)ينجز، يحقق
bedruipenbedruipbedroop / bedropenbedropen(heb)يسند، يتقطر
begevenbegeefbegaf / begavenbegeven(ben)يعطل
beginnenbeginbegon / begonnenbegonnen(heb)يبدأ
begravenbegraafbegroef / begroevenbegraven(heb)يدفن
begrijpenbegrijpbegreep / begrepenbegrepen(heb)يفهم
behoudenbehoudbehield / behieldenbehouden(heb)يحفظ، يصون
bekijkenkijkkeek / bekekenbekeken(heb)يشاهد، يراقب
beklimmenklimklom / beklommenbeklommen(heb)يتسلق
bekruipenkruipkroop / gekropengekropen(heb)يداهم، يزحف
beliegenliegloog / gelogengelogen(heb)يكذب
belijdenbeleidbeleden / beledenbeleden(heb)يعترف، يقر
belopenbeloopliep / liepenbelopen(heb)يقطع مشيا
bergenbergborg / borgengeborgen(heb)يخزن، ينقذ
berijdenberijdreed / beredenbereden(heb)يركب
berstenborstborst / geborstengeborsten(is)ينفجر
beschietenbeschietschoot / beschotenbeschoten(heb)يطلق النار
beschrijvenbeschrijfschreef / beschrevenbeschreven(heb)يصف
besluipenbesluipsloop / geslopengeslopen(heb)يتسلل، يختبئ
besluitenbesluitbesloot / beslotenbesloten(heb)يقرر
besnijdensnijdsneed / gesnedengesneden(heb)يختن
bespannenspanspande / gespandengespannen(heb)يشد، يثبت
besprekenbespreekbesprak / besprakenbesproken(heb)يناقش
bestelensteelstal / bestalenbestolen(heb)يسرق
bestrijdenbestrijdbestreed / bestredenbestreden(heb)يكافح
bestuivenbestuifstofte / bestovenbestoven(heb)يلقح

betredenbetreedbetrad / betradenbetreden(heb)يدخل، يطأ
betrekkenbetrekbetrok / betrokkenbetrokken(heb)يشمل، يشارك
bevallenbevalbeviel / bevielenbevallen(is)يولد، يُنتج
bevelenbeveelbeval / bevalenbevolen(heb)يأمر
bevindenbevindbevond / bevondenbevonden(heb)يكتشف، يجد
bevliegenbevliegbevloog / bevlogenbevlogen(heb)يداهم فجأة
bevragenbevraagbevroeg / bevroegenbevraagd(heb)يستجوب
bevriezenbevriesbevroor / bevrorenbevroren(heb)يتجمد
bewegenbeweegbewoog / bewogenbewogen(heb)يتحرك
bewijzenbewijsbewees / bewezenbewezen(heb)يثبت
bezinnenbezinbezon / bezonnenbezonnen(heb)يفكر، يتأمل
bezittenbezitbezat / bezatenbezeten(heb)يمتلك
bezoekenbezoekbezocht / bezochtenbezocht(heb)يزور
bezwijkenbezwijkbezweek / bezwekenbezweken(is)ينهار، يستسلم
biddenbidbad / badengebeden(heb)يصلي
biedenbiedbood / bodenaangeboden(heb)يعرض
bijtenbijtbeet / betengebeten(heb)يعض
bindenbindbond / bondengebonden(heb)يربط
blazenblaasblies / bliezengeblazen(heb)ينفخ
blijkenblijkbleek / blekengebleken(is)يتبين
blijvenblijfbleef / blevengebleven(is)يبقى، يستمر
blinkenblinkblonk / blonkengeblonken(heb)يلمع، يتألق
bradenbraadbraadde / braaddengebraden(heb)يشوي
brekenbreekbrak / brakengebroken(heb)يكسر
brengenbrengbracht / brachtengebracht(heb)يجلب
brouwenbrouwbrouwde / brouwdengebrouwen(heb)يخمر
buigenbuigboog / bogengebogen(heb)ينحني

delvendelfdolf / dolvengedolven(heb)يحفر، يستخرج
denkendenkdacht / dachtengedacht(heb)يفكر
dingendingdong / dongengedongen(heb)ينافس، يطمح
doendoedeed / dedengedaan(heb)يفعل
dragendraagdroeg / droegengedragen(heb)يحمل، يرتدي
drijvendrijfdreef / drevengedreven(heb)يطفو، ينجرف
dringendringdrong / drongengedrongen(heb)يضغط، يحث
duwenduwduwde / duwdengeduwd(heb)يضغط، يدفع، يحث
drinkendrinkdronk / dronkengedronken(heb)يشرب
druipendruipdroop / droopengedropen(heb)يقطر
duikenduikdook / dokengedoken(heb)يغوص
dunkdunkdocht / dochtengedocht(heb)يظن، يبدو
durvendurfdurfde / durfdengedurfd(heb)يجرؤ
dwingendwingdwong / dwongendwongen(heb)يجبر
ervarenervaarvoer / voerenervaren(heb)يختبر، يمر بتجربة
eteneetat / atengegeten(heb)يأكل
fluitenfluitfloot / flotengefloten(heb)يصفر
gaangaging / gingengegaan(zijn)يذهب
gebiedengebiedgebood / gebodengeboden(heb)يأمر
gedragengedraaggedroeg / gedroegengedragen(heb)يتصرف
geldengeldgold / goldengegolden(heb)يسري، يكون ساريًا
gelijkgelijkgelijk / gelijkerengelijk(heb)يشبه
genezengeneesgenas / genazengenezen(heb)يشفى، يعالج
genietengenietgenoot / genotengenoten(heb)يستمتع
gevengeefgaf / gavengegeven(heb)يعطي
winnenwinwon / wonnengewonnen(heb)يكسب
gietengietgoot / gotengegoten(heb)يصب، يسكب
glijdenglijdgleed / gledengegleden(zijn)ينزلق
glimmenglimglom / glommengeglommen(heb)يلمع
gravengraafgroef / groevengegraven(heb)يحفر
grijpengrijpgreep / grepengegrepen(heb)يمسك
hangenhanghing / hingengehangen(heb)يعلق
hebbenhebhad / haddengehad(heb)يمتلك
heffenhefhief / hievengeheven(heb)يرفع
helpenhelphielp / hielpengeholpen(heb)يساعد
herbeginnenherbeginherbegon / herbegonnenherbegonnen(zijn)يبدأ من جديد
herdenkenherdenkherdacht / herdachtenherdacht(heb)يحتفل بذكرى
hergevenhergeefhergaf / hergavenhergegeven(heb)يعيد
herkiezenherkiesherkoos / herkozenherkozen(heb)يُعاد انتخابه
herkrijgenherkrijgherkreeg / herkregenherkregen(heb)يستعيد
herlezenherleesherlas / herlazenherlezen(heb)يعيد القراءة
hernemenherneemhernam / hernamenhernomen(heb)يسترجع
herrijzenherrijsherrees / herrezenherrezen(zijn)ينهض من جديد
herscheppenherschepherschiep / herschiepenherschapen(heb)يُبدع من جديد
herschrijvenherschrijfherschreef / herschrevenherschreven(heb)يعيد الكتابة
hervindenhervindhervond / hervondenhervonden(heb)يعيد اكتشاف
herzienherzieherzag / herzagenherzien(heb)يُراجع
hetenheetheette / heettengeheten(heb)يُسمى
hijsenhijshees / hesengehesen(heb)يرفع
hoevenhoefhoefde / hoefdengehoeven(heb)يحتاج
houdenhoudhield / hieldengehouden(heb)يحتفظ
houwenhouwhieuw / hieuwengehouwen(heb)ينحت
jagenjaagjoeg / joegengejaagd(heb)يصيد
kervenkerfkorf / korvengekorven(heb)ينقش
kiezenkieskoos / kozengekozen(heb)يختار
kijkenkijkkeek / kekengekeken(heb)يشاهد، ينظر
kijvenkijfkeef / kevengekeven(heb)يتشاجر
klagenklaagkloeg / kloegengeklaagd(heb)يشتكي
klimmenklimklom / klommengeklommen(zijn)يتسلق
klinkenklinkklonk / klonkengeklonken(heb)يصدر صوت
kluivenkluifkloof / klovengekloven(heb)يقضم
knijpenknijpkneep / knepengeknepen(heb)يضغط، يقرص
komenkomkwam / kwamengekomen(zijn)يأتي
kopenkoopkocht / kochtengekocht(heb)يشتري
krijgenkrijgkreeg / kregengekregen(heb)يحصل، يتلقى
krijsenkrijskrees / kresengekresen(heb)يصرخ
krijtenkrijtkreet / kretengekreten(heb)يصرخ، يبكي
krimpenkrimpkromp / krompengekrompen(zijn)ينكمش
kruipenkruipkroop / kropengekropen(zijn)يزحف
kunnenkankon / kondengekund(heb)يستطيع
kwijtenkwijtkwee / kwetengekweten(heb)يبرئ
lachenlachlachte / lachengelachen(heb)يضحك، يبتسم
ladenlaadlaadde / laaddengeladen(heb)يحمل
latenlaatliet / lietengelaten(heb)يترك
leidenleidleed / ledengeleden(heb)يعاني
liggenliglag / lagengelegen(heb)يستلقي
liegenliegloog / logengelogen(heb)يكذب
malenmaalmaalde / maaldengemalen(heb)يطحن
melkenmelkmelkte / melktengemolken(heb)يحلب
metenmeetmat / matengemeten(heb)يقيس
mijdenmijdmijt / mijdengemeden(heb)يتجنب
mislukkenmislukmislukte / misluktmislukt(zijn)يفشل
moetenmoetmoest / moestengemoeten(heb)يجب
mogenmagmocht / mochtengemogen(heb)يجوز
nemenneemnam / namengenomen(heb)يأخذ
nigennijgnijgt / nijgenneeg(heb)ينحني
nijpennijpnijpt / nijpenneep(heb)يقرص
ontbiedenontbiedontbiedt / ontboodontboden(heb)يستدعي
ontbijtenontbijtontbeet / ontbetenontbeten(heb)يتناول الإفطار
ontbindenontbindontbond / ontbondenontbonden(heb)يحل
ontbrekenontbreekontbrak / ontbrakenontbroken(heb)ينقص
ontdoenontdoeontdeed / ontdeedontdaan(heb)يزيل
ontduikenontduikontduikte / ontduiktenontduikt(heb)يتجنب
ontgaanontgaontging / ontgingenontgaan(zijn)يهرب
ontgeldenontgeldontgold / ontgildenontgolden(heb)يعاني / يدفع ثمن
ontginnenontginontgint / ontgonnenontgonnen(heb)يستخرج المعادن
ontheffenonthefonthief / onthievenonthaven(heb)يعفي
onthoudenonthouonthield / onthieldenonthouden(heb)يتذكر
ontkomenontkomontkwam / ontkwamenontkomen(zijn)يهرب
ontladenontlaadontlaadde / ontlaaddenontladen(heb)يفرغ
ontlopenontloopontliep / ontliepenontlopen(zijn)يهرب
ontluikenontluikontlook / ontlokenontloken(heb)يزهر
ontnemenontneemontnam / ontnamenontnomen(heb)يحرم / يأخذ
ontradenontraadontraadde / ontraaddenontraden(heb)يثبط
ontschietenontschietontschoot / ontschotenontschoten(heb)يفلت / يهرب
ontsluitenontsluitontsloot / ontslotenontsloten(heb)يفتح
ontspannenontspantontspande / ontspandenontspannen(heb)يريح
ontsprintenontspringontsprong / ontsprongenontsprongen(zijn)ينشأ / ينطلق
ontsproetenontsproetontsproot / ontsprotenontsproten(heb)ينبت
ontstaanontstaontstond / ontstondenontstaan(zijn)يحدث
ontstekenontsteekontstak / ontstakenontstoken(heb)يشعل
ontstelenontsteelontstal / ontstalenontstolen(heb)يسرق
ontstijgenontstijgontsteeg / ontstegenontstegen(zijn)يتفوق / يعلو
onttrekkenonttrekontrok / ontrokkenonttrokken(heb)يسحب
ontvallenontvalontviel / ontvielenontvallen(zijn)يسقط / يزول
ontvangenontvangontving / ontvingenontvangen(heb)يستلم
ontwerpenontwerpontwierp / ontwierpenontworpen(heb)يصمم
ontwijkenontwijkontweek / ontwekenontweken(heb)يتجنب
ontwringenontwringontwrong / ontwrongenontwrongen(heb)يستخرج بصعوبة
ontzeggenontzegontzegde / ontzegdenontzegd(heb)ينكر / يمتنع
ontzienontzieontzag / ontzagenontzien(heb)يرحم

rijdenrijreed / redengereden(heb / zijn)يقود
rijgenrijgrijgt / reeggerijgen(heb)يربط
rijtenrijtreet / reetengereet(heb)يمزق
schrijvenschrijfschreef / schrevengeschreven(heb)يكتب
rijzenrijstrees / rezengerezen(zijn)ينهض
roepenroepriep / riepengeroepen(heb)ينادي / يصرخ
ruikenruikrook / rokengeroken(heb)يشم
scheidenscheidscheidde / scheiddengescheiden(heb)يفرق / يطلق
scheldenscheldschold / scholdengescholden(heb)يلعن
schendenschendschond / schondengeschonden(heb)ينتهك
schenkenschenkschonk / schonkengeschonken(heb)يهدي
scheppenschepschiep / schiepengeschapen(heb)يخلق / يحفر
scherpenscherpschraafde / schraafdengeschraafd(heb)يحلق
schietenschietschoot / schotengeschoten(heb)يطلق النار
schijnenschijnscheen / schenengeschenen(heb)يلمع / يبدو
schijtenschijtscheet / scheetengescheten(heb)يفضح
schrijvenschrijfschreef / schrevengeschreven(heb)يكتب
schrikkenschrikschrok / schrokkengeschrokken(zijn)يذعر
schuilenschuilschool / schuilengescholen(heb)يختبئ
schuivenschuifschoof / schoofdengeschoven(heb)يدفع / يزحزح
slaenslasloeg / sloegengeslagen(heb)يضرب
slapenslaapsliep / sliepengeslapen(heb)ينام
slijpenslijpsleep / slepengeslepen(heb)يشحذ
slijtenslijtsleet / sletengesleten(heb)يتآكل
slinkenslinkslonk / slonkengeslonken(heb)يتقلص
sluipensluipsloot / slopengeslopen(heb)يتسلل
sluitensluitsloot / slotengesloten(heb)يغلق
smeltensmeltsmolt / smoltengesmolten(heb)يذوب
smetensmijtsmeet / smetengesmeten(heb)يرمي / يقذف
snijdensnijdsneed / snedengesneden(heb)يقطع
snuivensnuifsnoof / snoofengesnoofd(heb)يشم أنفه
spannensspanspande / spandengespannen(heb)يشد
spijtensspijtspeet / speetengespeten(heb)يندم
spinnenspinspint / spinnengesponnen(heb)يدور
splijtensplijtspleet / spletengespleten(heb)يشق / يفرزق
sprekenspreeksprak / sprakengesproken(heb)يتكلم
springenspringsprong / sprongengesprongen(heb)يقفز
spruitenspruitsproot / sprotengesproten(heb)ينبت
spugenspuugspoot / spotengespoten(heb)يبصق
spuitenspuitspoot / spotengespoten(heb)يرش
staanstastond / stondengestaan(zijn)يقف
stekensteekstak / stakengestoken(heb)يلدغ / يطع
stelensteelstal / stalengestolen(heb)يسرق
stervensterfstierf / stiervengestorven(zijn)يموت
stijgenstijgsteeg / stegengestegen(zijn)يرتفع
stijvenstijfstijfde / stijfdengestijfde(heb)يتصلب
stinkenstinkstonk / stonkengestonken(heb)ينقض / يعفن
stotenstootstootte / stoottengestoten(heb)يدفع
strijdenstrijdstreed / stredengestreden(heb)يقاتل / يكافح
strijkenstrijkstreek / strekengestreken(heb)يكوي / يمرر (على)
stuivenstuifstof / stoftegestoft(heb)يتدفق / يندفع
tijgentijgtoog / togengetogen(zijn)ينطلق
tredentreedtrad / tradengetreden(zijn)يخطو
treffentreftrof / troffengetroffen(heb)يصيب / يلتقي
trekkentrektrok / trokkengetrokken(heb)يسحب
vallenvalviel / vielengevallen(zijn)يسقط
vangenvangving / vingengevangen(heb)يمسك

verschuilenverschuilverschuilde / verschoolverscholen(heb)يخبئ / يختبئ
verschuivenverschuifverschuifde / verschovenverschoven(heb)يحرك / ينقل / ينزلق
verslijtenverslijtversleet / versletenversleten(heb)يستهلك / يتآكل
verslindenverslindverslond / verslondenverslonden(heb)يلتهم / يطعم
versnijdenversnijversneed / versnedenversneden(heb)يقطع / يفرم
verstaanverstaatverstond / verstondenverstonden(heb)يسمع / يفهم
verstervenversterfversterfde / versteddenverstorven(heb)يموت / يذبل
verstrijkenverstrijkverstreek / verstrekenverstreken(heb)ينقضي / يمر
vertredenvertreedvertrad / vertradenvertraden(heb)يسترخي / يذهب للنزهة
vertrekkenvertrekvertrok / vertrokkenvertrokken(zijn)يغادر
vervliegenvervliegvervloog / vervlogenvervlogen(heb)يتبخر / يختفي
verwervenverwerfverwierf / verworvenverworven(heb)يحصل على / يحقق
verwijtenverwijtverweet / verweetenverweten(heb)يلوم
verwijzenverwijsverwees / verwezenverwezen(heb)يشير
verzinkenverzinkverzonk / verzonkenverzonken(heb)يغرق / يختفي
verzinnenverzinverzon / verzonnenverzonnen(heb)يخترع / يبدع
verzoekenverzoekverzocht / verzochtenverzocht(heb)يطلب
verzuipenverzuipverzoop / verzoopenverzoopen(heb)يغرق
verzwelgenverzwelgverzwolg / verzwolgenverzwolgen(heb)يلتهم / يبلع
verzwerenverzweerverzwoer / verzwoerenverzworen(heb)يصاب / يتأثر
verzwindenverzwindverzwond / verzwondenverzwonden(heb)يختفي
vindenvindvond / vondengevonden(heb)يجد
vlechtenvlechtvlocht / vlochtengevlochten(heb)يضفر / ينسج
vliedenvliedvloog / vlogengevloden(heb)يهرب
vliegenvliegvloog / vlogengevlogen(heb)يطير
vlietenvlieetvloot / vlootengevloten(heb)يمر عبر
vouwenvouwvouwde / vouwdengevouwen(heb)يطوي
vragenvraagvroeg / vroegengevraagd(heb)يسأل
vretenvreetvrat / vratengevreten(heb)يأكل / يلتهم
vriezenvriesvroor / vrorengevroren(heb)يتجمد
vrijenvrijvree / vreeëngevreeën(heb)يمارس الحب
waaienwaaiwoei / woiengewaaid(heb)ينفخ الرياح
wassenwaswast / wastengewassen(heb)يغسل
wegenweegwoog / wogengewogen(heb)يزن
werpenwerpwierp / wierpengeworpen(heb)يرمي
wervenwerfwierf / wierftengeworven(heb)يجند / يطلب
wetenweetwist / wistengeweten(heb)يعلم
wevenweefweefde / weefdengeweven(heb)ينسج
wijkenwijkweek / wekengeweken(heb)ينحني / يتراجع
wijtenwijktweete / tweetengeweten(heb)يلوم
wijzenwijswees / wezengewezen(heb)يشير
willenwilwilt / willengewild(heb)يريد
windenwindwond / wondengewonden(heb)يلف
winnenwinwon / wonnengewonnen(heb)يفوز
wordenwordwerd / werdengeworden(zijn)يصبح
wrekenwreekwreekte / wreektengewroken(heb)ينتقم
wrijvenwrijfwreef / wrevengewreven(heb)يفرك
InfinitiefPresensImperfectumParticipiumHulpwerkwoordVertaling (Arabisch)
heroverwegenheroverweegheroverwoog / heroverwogenheroverwogen(heb)يعيد التفكير
herverkiezenherverkiesherverkoos / herverkozenherverkozen(heb)يعيد الانتخاب
misdoenmisdoemisdeed / misdedenmisdaan(heb)يخطئ
mislezenmisleesmislas / mislazenmislezen(heb)يقرأ خطأ
miszeggenmiszegmiszeg / miszegdenmisgezegd(heb)يخطئ في النطق
omspinnenomspinomspon / omsponnenomsponnen(heb)ينسج من جديد
onderbrekenonderbreekonderbrak / onderbrakenonderbroken(heb)يقاطع
onderschrijvenonderschrijfonderschreed / onderschredenonderschreden(heb)يخطئ في التقدير
ondervindenondervindondervond / ondervondenondervonden(heb)يختبر / يواجه
onderzoekenonderzoekonderzocht / onderzochtenonderzocht(heb)يبحث / يحقق
overlijdenoverlijdoverleed / overledenoverleden(ben)يموت
overschrijdenoverschrijdoverschreed / overschredenoverschreden(heb)يتجاوز / يتخطى
overspannenoverspanoverspande / overspandenoverspannen(heb)يفرط في الجهد
overvallenovervaloverviel / overvielenovervallen(heb)يهاجم / يسرق
uitetenuitetenuitat / uitatenuitgegeten(heb)يتناول الطعام خارجا
volbrengenvolbrengvolbracht / volbrachtenvolbracht(heb)ينجز / يكمل
voldoenvoldoevoldeed / voldedenvoldaan(heb)يرضي
volstaanvolstavolstond / volstondenvolstonden(heb)يكتفي
voltrekkenvoltrekvoltrok / voltrokkenvoltrokken(heb)ينفذ / يحقق
voorkomenvoorkomvoorkwam / voorkwamenvoorkomen(heb)يمنع / يحذر
weerklinkenweerklinkweerklonk / weerklonkenweerklonken(heb)يتردد / يرن
wringenwringwrong / wrongengewrongen(heb)يعصر / يلف
zeggenzegzei / zeidengezegd(heb)يقول
zeikenzeikzeek / zeektengezeekt(heb)يزعج / يشتكي
zendenzendzond / zondengezonden(heb)يرسل
ziedenziedzood / zodengezoden(heb)يغلي / يغضب
zienziezag / zagengezien(heb)يرى
zijgenzijgzeeg / zeegengezegen(heb)ينخفض / يسقط
zingenzingzong / zongengezongen(heb)يغني
zinkenzinkzonk / zonkengezonken(heb)يغرق
zinnenzinzon / zonnengezonnen(heb)يفكر / يرغب
zittenzitzat / zatengezeten(heb)يجلس
zoekenzoekzocht / zochtengezocht(heb)يبحث
zoutenzoutzout / zouttengezouten(heb)يملح / يخلل
zuigenzuigzoog / zogengezogen(heb)يمتص
zuipenzuipzoop / zopengezopen(heb)يشرب بكثرة
zullenzulzou / zouden(heb)يريد
zwelgenzwelgzwolg / zwolgengezwollen(heb)يغرق / يغتسل
zwellenzwelzwol / zwollengezwollen(heb)ينتفخ
zwemmenzwemzwom / zwommengezwommen(heb)يسبح
zwerenzweerzwoer / zwoerengezworen(heb)يتعهد
zwervenzwerfzwierf / zwierfengezworven(heb)يتجول
zwijgenzwijgzweeg / zwegengezwegen(heb)يصمت

Bron: https://www.onregelmatigewerkwoorden.nl/

Terug naar het overzicht

Geef een reactie