Voorbereiding inburgeringsexamen
Voorbereiding
Wil je meer weten over inburgeren? Bekijk dan onderstaande video ‘Inburgeren vanaf 2022’ (er zijn meerdere vertalingen mogelijk):
Als je asielaanvraag is goedgekeurd dan moet je je voorbereiden op het inburgeringsexamen. Je krijgt daar 3 jaar de tijd voor. Om goed in te burgeren moet je overigens niet alleen de Nederlandse taal leren. Je zult ook moeten leren hoe we in Nederland wonen en werken.
Ben je asielstatushouder, dan bepaalt de gemeente welke cursus jij doet. Dit staat in jouw persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP). Ben je geen asielstatushouder, maar bijvoorbeeld gezinsmigrant? Dan moet je zelf een cursus kiezen. Maar de gemeente bepaalt de leerroute.
Er zijn 3 leerroutes. De zelfredzaamheidsroute is een route voor inburgering plichtige vluchtelingen, waarvoor de andere routes te moeilijk zijn. Zij leren de Nederlandse taal op A1-niveau en worden (op een eenvoudige manier) voorbereid om mee te doen in de Nederlandse samenleving.
De B1 route is een route voor taal en (vrijwilligers)werk. Inburgering plichtige nieuwkomers spreken en schrijven binnen maximaal 3 jaar de Nederlandse taal op niveau B1. Tegelijk kunnen zij meedoen door (vrijwilligers)werk.
De onderwijsroute is een route die vooral voor jongeren is bedoeld. Zij leren de Nederlandse taal op niveau B1 of hoger. Ook worden zij dan voorbereid op het volgen van een mbo-, hbo- of universitaire opleiding.
Daarnaast is ‘Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM)’ onderdeel van alle leerroutes.
Wil je gaan studeren of werken? Dan is inburgeren met een Nt2-cursus de beste keuze. Er zijn 2 examenprogramma’s voor het Staatsexamen Nt2:
- Programma I (taalniveau B1) is voor mensen die willen werken of studeren op mbo 3-niveau of mbo 4-niveau.
- Programma II (taalniveau B2) is voor mensen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.
In sommige situaties hoeft u niet alle examens te doen. Of zelfs helemaal geen examen. Bijvoorbeeld omdat u ziek bent of al een diploma hebt.
Welke route je ook doet, wij wensen jou veel succes met het leren van de Nederlandse taal!
Blik op werk
U wilt inburgeren en zoekt een geschikte school. Alléén als u een cursus volgt op een school met het Keurmerk Blik op Werk (https://www.blikopwerk.nl/particulier/taal-en-inburgeren) kunt u daarvoor geld lenen bij DUO.
Op de website www.zoekinburgerschool.nl vindt u informatie over inburgerscholen die door Blik op Werk gecontroleerd zijn. Een goedgekeurde school bezit het Keurmerk Blik op Werk. Alle informatie over inburgeren en daarvoor geld lenen is te vinden op de speciale website van DUO.
Als u een inburgeringscursus hebt gevolgd, krijgt u een vragenlijst van Blik op Werk. Dat kan per e-mail, per post of u wordt gebeld. De vragen gaan over de cursus. Op basis van uw antwoorden weet Blik op Werk hoe tevreden u bent over uw cursus. Uw leraren en de school weten niet welke antwoorden u geeft. De antwoorden van alle cursisten vormen samen het cijfer voor klanttevredenheid.
Examens
Diversen in het Arabisch – herhaling (zie A1)
Inburgeren
Spreken
Het oefenexamen A2 Spreken doet het niet in de browser Safari.
- Oefenexamen Spreken 1 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Spreken 2 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Spreken 3 Link opent externe pagina
Luisteren
- Oefenexamen Luisteren 1 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Luisteren 2 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Luisteren 3 Link opent externe pagina
Graag meer oefeningen? Zoek op ‘luistervideo A2 Ad Appel’
Wil je meer oefenen? Zoek dan op ‘het complete luisterboeken’
Muziek luisteren (met teksten)
Simone Kleinsma
Liedjes met goede intonatie, geen lyrics/tekst
Even tot hier
Er wordt gezongen over actualiteiten, vanuit een bepaald gezichtspunt
André van Duin
Ouderwetse humor, goede intonatie
Lezen
- Oefenexamen Lezen 1 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Lezen 2 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Lezen 3 Link opent externe pagina
- Oefenexamen Lezen 4 Link opent externe pagina
Luisterboeken
(halverwege zie je een balk. Hiermee start je het boek, dat je kunt lezen …. en beluisteren)
Schrijven
- Oefenexamen A2 Schrijven 1 / Practice exam A2 Writing 1PDF, 54KB
- Oefenexamen A2 Schrijven 2 / Practice exam A2 Writing 2PDF, 213KB
- Oefenexamen A2 Schrijven 3 / Practice exam A2 Writing 3PDF, 186KB
Grammatica
Aanwijzend voornaamwoord
Het woord zegt het al; het aanwijzend voornaamwoord wijst (bijna) letterlijk iets of iemand aan. Bij de-woorden gebruik je altijd die of deze. Bij het-woorden gebruik je altijd dat of dit. En is het dichtbij (bij jou) of ver (niet bij jou?)
Voor de-woorden: gebruik je ‘deze’ (dichtbij) of ‘die’ (ver): Deze pen doet het niet, wil je die pen even geven?
Voor het-woorden: gebruik je ‘dit’ (dichtbij) of ‘dat’ (ver): Dit potlood schrijft niet goed, wil je dat potlood even geven?
Lidwoord
Er zijn 3 lidwoorden: de, het en een.
In sommige talen mag je zeggen: Ik loop met hond. In het Nederlands mag dit niet.
Je moet een lidwoord gebruiken: Ik loop met de hond.
In het Nederlands zijn er zijn drie lidwoorden: de, het en een
Lidwoorden staan nooit alleen; ze staan altijd voor zelfstandige naamwoorden.
![]() | de | het | een | een |
| de auto | het huis | een hond | een huis | |
| de boom | het meisje | een boom | een meisje | |
| de hond | het kettinkje | een hond | een kettinkje |
Meervoud
Op niveau A1 heb je het volgende geleerd: meestal gebruik je -en of -s om het meervoud van woorden te maken. Bijvoorbeeld:
een boek twee boeken
een appel twee appels
Soms gebruik je –‘s. Dat doe je bij woorden die eindigen op -a, -i, -o, -u of -y:
een oma twee oma’s
een taxi twee taxi’s
een auto twee auto’s
een menu twee menu’s
een baby twee baby’s
Er zijn ook woorden met een onregelmatig meervoud, bijvoorbeeld:
de dag de dagen
de weg de wegen
het lid de leden
de stad de steden
Alle woorden die eindigen op -heid eindigen in het meervoud op -heden
de mogelijkheid de mogelijkheden
de overheid de overheden
Adjectief
Een adjectief (bijvoeglijk naamwoord) geeft meer informatie over een de- of het-woord: een mooi huis, een rode auto.
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
Het geeft een eigenschap, kenmerk of toestand aan van een zelfstandig naamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak direct voor een zelfstandig naamwoord:
![]() | de mooie ring de drukke hond de kleine lepel de lieve moeder | de rode auto de kapotte telefoon het prachtige kettinkje de moeilijke som |
Maar soms staan bijvoeglijke naamwoorden niet direct voor een zelfstandig naamwoord:
![]() | De auto is rood. | → | Rood is de eigenschap van de auto. |
| Mijn moeder is altijd heel erg lief. | → | Lief is de eigenschap van moeder. | |
| De telefoon is tijdens de wedstrijd kapot gegaan. | → | Kapot is de toestand van de telefoon. |
Trappen van vergelijking
De trappen van vergelijking zijn de vormen van bijvoeglijke naamwoorden en sommige bijwoorden die aangeven in welke mate de door het bijvoeglijke naamwoord uitgedrukte eigenschap of toestand vergelijkbaar is met een ander geval: in gelijke mate, in hogere/lagere mate of in de hoogste/laagste mate. Men onderscheidt drie trappen van vergelijking: de stellende trap (of: positief), de vergrotende trap (of: comparatief) en de overtreffende trap (of: superlatief).
Als je dingen met elkaar vergelijkt, gebruik je de trappen van vergelijking.
Bijvoorbeeld: mijn jas is mooi, jouw jas is mooier dan mijn jas, maar haar jas is het mooist(e).
Als je twee dingen vergelijkt, gebruik je de comparatief (met -er), als je meer dan twee dingen vergelijkt de superlatief (met -st(e):
Dit restaurant is goedkoper dan dat restaurant.
Dat huis is het grootst (van allemaal).
Als het bijvoeglijk naamwoord (adjectief) eindigt op een -r, krijgen we -der in de comparatief:
duur duurder het duurst
lekker lekkerder het lekkerst
Sommige vormen zijn onregelmatig. Die moet je uit je hoofd leren:
goed – beter dan – het best(e)
veel – meer dan – het meest(e)
weinig – minder dan – het minst(e)
graag – liever dan – het liefst(e)
Werkwoorden van positie: staan, zitten, liggen, lopen, hangen
Als je wil zeggen waar iets is, is de positie van het ding belangrijk. Een zin zonder positie, zoals “Mijn sleutels zijn op tafel.”, klinkt niet natuurlijk. Veel beter is dus: “Mijn sleutels liggen op tafel.”
Als iets plat (horizontaal) is, gebruiken we leggen (voor de actie) en liggen (voor het resultaat):
Ik leg het boek op tafel Het boek ligt op tafel.
Als iets rechtop (verticaal) is, gebruiken we zetten (voor de actie) en staan (voor het resultaat):
Ik zet het boek in de kast. Het boek staat in de kast.
Let op: de positie van een bord lijkt misschien horizontaal, maar toch gebruik je zetten en staan: Ik zet het bord op tafel, het bord staat op tafel.
Voor dingen in een kleine ruimte gebruiken we stoppen en zitten:
Ik stop mijn sleutels in mijn zak. Mijn sleutels zitten in mijn zak.
Als de positie niet duidelijk is, gebruiken we doen:
Ik doe water in de pan.
Voltooide tijd
Voltooid tegenwoordige tijd
Als een werkwoord in de voltooid tegenwoordige tijd staat, betekent dit dat de activiteit die ermee uitgedrukt wordt al is afgelopen. Er staat dan altijd een voltooid deelwoord in de zin. Het voltooid deelwoord wordt bijna altijd vergezeld door een hulpwerkwoord. Onderstaande voorbeeldzinnen staan in de voltooid tegenwoordige tijd:
- Hij heeft vanochtend hard gewerkt.
- Mason is geholpen door de dokter.
- Ik ben niet naar het feest gegaan.
Voltooid verleden tijd
Net als in de voltooid tegenwoordige tijd geldt ook voor de voltooid verleden tijd dat de activiteit al heeft plaatsgevonden. Bovendien staat er in de zin ook altijd een voltooid deelwoord, in combinatie met een hulpwerkwoord. Het belangrijkste verschil met de voltooid tegenwoordige tijd is dat het hulpwerkwoord bij de voltooid verleden tijd in de verleden tijd staat:
- Willem had nog nooit carnaval gevierd.
- Hij was hard op zijn knie gevallen.
- Sietske en Jasper hadden veel gelachen samen.
Verleden tijd
Voegwoorden
Een voegwoord is een woord dat twee korte zinnen, woordgroepen of woorden aan elkaar koppelt. Hij voegt de zinnen dus eigenlijk samen. Vandaar ook de naam. Een voegwoord vertelt je bovendien wat het verband is tussen de twee korte stukjes.
Je kunt zeggen: “Maria gaat naar huis. Zij is ziek.” Met een voegwoord koppel je deze zinnen aan elkaar: “Maria gaat naar huis, want zij is ziek.”
Het tweede stuk van de zin geeft de reden aan van het eerste stuk.
– Reden: Maria is ziek.
– Gevolg: Zij gaat naar huis.
Samengestelde zinnen
Samengestelde zinnen hebben meer dan één vervoegd werkwoord en zijn samengesteld uit meer dan één zin:
- Ik ga slapen, want ik ben moe.
- Ik weet zeker dat het morgen mooi weer wordt.
Er zijn 2 soorten samengestelde zinnen:
- nevenschikkende en
- onderschikkende.
Nevenschikkende
In nevenschikkende zinnen worden deze voegwoorden gebruikt:
- en,
- of,
- maar,
- want,
- dus.
In nevenschikkende zinnen hebben we twee (of meer) volwaardige zinnen. We kunnen ze dus naast elkaar gebruiken: Ik ga slapen. Ik ben moe.
Onderschikkende
In onderschikkende zinnen daarentegen hebben we veel meer voegwoorden:
- dat,
- omdat,
- hoewel,
- tot,
- wanneer,
- als,
- indien,
- zoals,
- of,
- zodat,
- terwijl,
- toen,
- nadat
- …
Woordvolgorde
In onderschikkende zinnen hebben we een hoofdzin en een bijzin. In dit soort zinnen springt het werkwoord van de bijzin naar achteraan in de zin.
- Ik weet zeker. = de hoofdzin.
- Het wordt morgen mooi weer. = de bijzin.
Door het voegwoord ‘dat’ springt het werkwoord ‘wordt’ achteraan in de zin:
… dat het morgen mooi weer wordt.
Ik weet zeker dat het morgen mooi weer wordt.
Zinnen met ‘maar’
Zinnen met ‘want’
Zinnen met ‘omdat’
Zinnen met ‘als’
Zinnen met ‘om te ……’
Voorzetsels
Een voorzetsel staat vaak voor een zelfstandig naamwoord.
Voorzetsels zijn onder andere:
Voorzetsels
voor, achter, naast, in, op, door, over, uit, boven, onder, om, tegen, aan, binnen, buiten, langs, tijdens, sinds, bij, tot, zonder, met, behalve, naar, na, via, per, te, tegen, volgens…
Vaak kun je een voorzetsel herkennen door er …de kast of …het feest
achter te zetten.
…de kast of …het feest
![]() | voor de kast, op de kast, achter de kast…tijdens het feest, tot het feest, zonder het feest… |
Met een voorzetsel kun je een waar en wanneer aangeven.
Waar of wanneer?
![]() | Waar | Wanneer |
| Zij staat voor het huis. Hij is in het huis. Moeder zit achter het huis. | Hij blijft hier tot zaterdag. Zij begint per vandaag. Ik ben hier sinds vorige week. |
Waar
Zij staat voor het huis.
Hij is in het huis.
Moeder zit achter het huis.
Wanneer
Hij blijft hier tot zaterdag.
Zij begint per vandaag.
Ik ben hier sinds vorige week.
Let op!
Soms heb je te maken met een scheidbaar werkwoord en niet met een voorzetsel!
Het werkwoord bestaat uit twee delen.
Scheidbare werkwoorden
| Maartje blaast in haar eentje de ballonnen op. De meisjes kijken elkaar verbaasd aan. | Het werkwoord is opblazen. Het werkwoord is aankijken. |
Maartje blaast in haar eentje de ballonnen op.
Het werkwoord is opblazen.
De meisjes kijken elkaar verbaasd aan.
Het werkwoord is aankijken.
op en aan zijn hier dus géén voorzetsels, maar ze horen bij het werkwoord!
Verwijswoorden
Een verwijswoord is een woord dat naar een ander woord, een woordgroep of een hele zin verwijst.
Bijvoorbeeld:
- Saskia geniet van de warme zomerdagen. Ze gaat lekker zwemmen en eet heerlijke ijsjes.
Het woord ‘Ze’ is een verwijswoord, want het verwijst naar Saskia. Het is dezelfde persoon.
Meestal staat hetgeen waarnaar verwezen wordt eerder in de tekst dan het verwijswoord. Toch is dat niet altijd zo. Soms komt het verwijswoord eerst:
- De sturen van hun fietsen raakten elkaar heel even. In een flits vielen Sjoerd en Kas op de grond.
Je ziet dat in dit voorbeeld eerst het verwijswoord genoemd wordt. Waarnaar verwijst ‘hun’? Het antwoord op die vraag is: Sjoerd en Kas. Het woord ‘hun’ verwijst dus naar Sjoerd en Kas.
Verwijswoorden worden niet voor niks gebruikt. Kijk maar eens wat er gebeurt als je géén verwijswoorden gebruikt:
- Siem heeft zin in de vakantie. Siem gaat dan samen met Siems ouders een weekje weg. Siems vader heeft Siem verteld dat Siem en de ouders van Siem naar Kreta gaan.
Je ziet het: de tekst is op deze manier niet zo fijn om te lezen. Ook is hij erg saai. Daarom kun je beter een tekst schrijven mét verwijswoorden:
- Siem heeft zin in de vakantie. Hij gaat dan samen met zijn ouders een weekje weg. Zijn vader heeft hem verteld dat ze naar Kreta gaan.
Als je weet wat verwijswoorden zijn, herken je ze gemakkelijker in een tekst. Ook weet je beter waarnaar ze verwijzen. Dat is handig, want daardoor snap je de tekst beter.
Een mooie bijkomstigheid: bij begrijpend lezen wordt nogal eens gevraagd waarnaar verwijswoorden verwijzen. Als je de theorie begrijpt, geef je zonder moeite het juiste antwoord.
Oefenen met verwijswoorden
Weet jij nu helemaal hoe het zit? Dan is het tijd om te oefenen met verwijswoorden. De antwoorden van de opdrachten zijn onderaan de pagina te vinden.
Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM)
Het examen KNM doet u op de computer. U bekijkt filmpjes. Bijvoorbeeld over boodschappen doen of naar de dokter gaan. Na elk filmpje moet u vragen beantwoorden. Het examen duurt 45 minuten.
Diverse onderwerpen worden hier besproken:
1) https://youtu.be/780rnjV8rb8
2) https://youtu.be/Xd-TjeQeLh0
3) https://youtu.be/x8dI_tnJmoQ
4) https://youtu.be/K3g80Qg5vBU
5) https://youtu.be/caluLv0OPOc
6) https://youtu.be/B2X4pvrqvbs
7) https://youtu.be/Qva8axNapPs
8) https://youtu.be/cF3WzRHmJTE
9) https://youtu.be/9Yznz3l-tb8
10) https://youtu.be/RVPkobNpjU8
11) https://youtu.be/5yKsTnmcO0w
12) https://youtu.be/BRay5SFyLFA
2. Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP)
De MAP bestaat uit 2 delen:
Arbeidsmarkt
In het onderdeel arbeidsmarkt van de MAP leert u bijvoorbeeld:
- welke banen er zijn in Nederland (https://www.123test.com/nl/beroepen/)
- welke banen geschikt voor u zijn (https://www.123test.com/nl/uitgebreide-beroepskeuzetest/)
- hoe u moet solliciteren (https://lerensolliciteren.nl/hoe-moet-je-solliciteren/)
Deze website informeert u hierover middels blogs.
Participatie
In het onderdeel participatie van de MAP leert u meer over de Nederlandse samenleving. U moet ook praktijkopdrachten doen. Bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, stage of betaald werk.
3. Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA)
| TIP: Wil je een woord opzoeken op internet? Gebruik dan niet Google of een andere zoekmachine, want daar staan veel fouten in. Surf naar een echte woordenlijst, zoals https://woordenlijst.org/ . |
Heb jij last van examenvrees? Hier hebben wij een blog over gepubliceerd op deze site.




