Woorden en zinnen (A1 tot en met B2)

Geplaatst op door in de categorie Taal, Werken in Nederland

Welkom op ons blog, waar je stap voor stap de belangrijkste thema’s en woordenschat kunt ontdekken van niveau A1 tot en met B2. De woorden en zinnen zijn geordend op niveau, zodat je eerst de basis leert die je nodig hebt op A1, zoals familie, dokter en dagelijkse routines. Daarna bouw je verder uit met woorden en zinnen op A2, B1 en B2.

Bij elk onderwerp vind je een titel in het Nederlands, Engels en Arabisch, gevolgd door voorbeeldzinnen op de niveaus A1, A2, B1 en B2. De zinnen op A1 en A2 zijn vertaald zodat je de betekenis goed begrijpt en de basiswoorden goed kunt leren. Vanaf B1 gaan we ervan uit dat je de kernwoorden kent of deze uit de context kunt afleiden, daarom staan die zinnen alleen in het Nederlands.

Zo bouw je niet alleen een stevige basis op, maar leer je ook hoe je je taalgebruik kunt uitbreiden en verfijnen naarmate je vordert. Veel succes en plezier met leren!


A1 woorden (met zinnen op A1-B2 niveau)


Persoonlijke informatie

Naam – Name – اسم

  • A1: Ik heet Ahmed.
    • AR: اسمي أحمد
    • EN: My name is Ahmed
  • A2: Mijn naam is Ahmed.
    • AR: اسمي أحمد
    • EN: My name is Ahmed
  • B1: Mijn naam is Ahmed en ik ben vernoemd naar mijn opa.
  • B2: Mijn naam is Ahmed, ik ben vernoemd naar mijn opa en mijn naam heeft een speciale betekenis in onze familie.

Leeftijd – Age – عمر

  • A1: Ik ben 25.
    • AR: عمري 25 سنة
    • EN: I am 25 years old
  • A2: Ik ben 25 jaar oud.
    • AR: عمري 25 سنة
    • EN: I am 25 years old
  • B1: Ik ben 25 jaar, maar volgende maand word ik 26.
  • B2: Ik ben 25 jaar, maar volgende maand word ik 26 en ik merk dat de tijd steeds sneller lijkt te gaan.

Geboortedatum – Date of birth – تاريخ الميلاد

  • A1: Ik ben geboren op 12 maart.
    • AR: وُلدت في 12 مارس
    • EN: I was born on March 12
  • A2: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998.
    • AR: تاريخ ميلادي هو 12 مارس 1998
    • EN: My date of birth is March 12, 1998
  • B1: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998 en ik vier mijn verjaardag altijd met familie.
  • B2: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998 en ik vier mijn verjaardag altijd met familie, waarbij we traditiegetrouw samen eten en spelletjes doen.

Gezin – Family – أسرة

  • A1: Ik heb een gezin.
    • AR: لدي أسرة
    • EN: I have a family
  • A2: Mijn gezin is klein.
    • AR: أسرتي صغيرة
    • EN: My family is small
  • B1: Mijn gezin bestaat uit mijn ouders, mijn zus en ik.
  • B2: Mijn gezin bestaat uit mijn ouders, mijn zus en ik, en we hebben een hechte band omdat we veel tijd samen doorbrengen.

Familie – Family – عائلة

  • A1: Ik heb een grote familie.
    • AR: لدي عائلة كبيرة
    • EN: I have a big family
  • A2: Mijn familie woont in Nederland.
    • AR: عائلتي تعيش في هولندا
    • EN: My family lives in the Netherlands
  • B1: Mijn familie woont in Nederland en we zien elkaar elke week.
  • B2: Mijn familie woont in Nederland, we zien elkaar elke week en we houden ervan om samen te eten en bij te praten.

Broer – Brother – أخ

  • A1: Ik heb een broer.
    • AR: لدي أخ
    • EN: I have a brother
  • A2: Mijn broer heet Omar.
    • AR: اسم أخي عمر
    • EN: My brother’s name is Omar
  • B1: Mijn broer heet Omar en hij is ouder dan ik.
  • B2: Mijn broer heet Omar, hij is ouder dan ik en hij helpt me vaak met mijn huiswerk omdat hij goed is in wiskunde.

Zus – Sister – أخت

  • A1: Ik heb een zus.
    • AR: لدي أخت
    • EN: I have a sister
  • A2: Mijn zus is jong.
    • AR: أختي صغيرة
    • EN: My sister is young
  • B1: Mijn zus is jong en ze houdt van tekenen.
  • B2: Mijn zus is jong, ze houdt van tekenen en ze maakt vaak mooie tekeningen voor onze familie.

Vader – Father – أب

  • A1: Mijn vader heet Ali.
    • AR: اسم والدي علي
    • EN: My father’s name is Ali
  • A2: Mijn vader werkt in een fabriek.
    • AR: والدي يعمل في مصنع
    • EN: My father works in a factory
  • B1: Mijn vader werkt in een fabriek en hij komt elke dag om vijf uur thuis.
  • B2: Mijn vader werkt in een fabriek, hij komt elke dag om vijf uur thuis en hij kookt vaak op zondag, want hij vindt dat leuk.

Moeder – Mother – أم

  • A1: Mijn moeder heet Fatima.
    • AR: اسم والدتي فاطمة
    • EN: My mother’s name is Fatima
  • A2: Mijn moeder is lief.
    • AR: والدتي طيبة
    • EN: My mother is kind
  • B1: Mijn moeder is lief en ze maakt elke dag lekker eten voor ons.
  • B2: Mijn moeder is lief, ze maakt elke dag lekker eten voor ons en ze helpt me altijd als ik me niet goed voel.

Kind – Child – طفل

  • A1: Ik heb een kind.
    • AR: لدي طفل
    • EN: I have a child
  • A2: Mijn kind is vier jaar oud.
    • AR: طفلي عمره أربع سنوات
    • EN: My child is four years old
  • B1: Mijn kind is vier jaar oud en gaat naar de kleuterschool.
  • B2: Mijn kind is vier jaar oud, gaat naar de kleuterschool en leert daar liedjes zingen en samen spelen met andere kinderen.

Opa – Grandfather – جد

  • A1: Mijn opa is oud.
    • AR: جدي كبير في السن
    • EN: My grandfather is old
  • A2: Mijn opa woont bij ons.
    • AR: جدي يعيش معنا
    • EN: My grandfather lives with us
  • B1: Mijn opa woont bij ons en vertelt vaak verhalen over vroeger.
  • B2: Mijn opa woont bij ons, vertelt vaak verhalen over vroeger en ik luister graag naar hem omdat hij veel weet over onze familiegeschiedenis.

Oma – Grandmother – جدة

  • A1: Mijn oma is lief.
    • AR: جدتي طيبة
    • EN: My grandmother is kind
  • A2: Mijn oma bakt lekkere koekjes.
    • AR: جدتي تخبز كعكات لذيذة
    • EN: My grandmother bakes tasty cookies
  • B1: Mijn oma bakt lekkere koekjes en ze leert mij hoe ik ze ook kan maken.
  • B2: Mijn oma bakt lekkere koekjes, ze leert mij hoe ik ze ook kan maken en we hebben altijd veel plezier samen in de keuken.

Taal – Language – لغة

  • A1: Ik spreek een beetje Nederlands.
    • AR: أتكلم القليل من اللغة الهولندية
    • EN: I speak a little Dutch
  • A2: Ik leer de Nederlandse taal.
    • AR: أتعلم اللغة الهولندية
    • EN: I am learning the Dutch language
  • B1: Ik leer de Nederlandse taal, omdat ik hier werk en vrienden heb.
  • B2: Ik leer de Nederlandse taal, omdat ik hier werk en vrienden heb, en ik wil de taal vloeiend spreken om beter te kunnen communiceren.

Land – Country – بلد

  • A1: Ik kom uit Marokko.
    • AR: أنا من المغرب
    • EN: I come from Morocco
  • A2: Mijn land is Marokko.
    • AR: بلدي هو المغرب
    • EN: My country is Morocco
  • B1: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland.
  • B2: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland en ik voel me verbonden met beide culturen.

Stad – City – مدينة

  • A1: Ik woon in een stad.
    • AR: أعيش في مدينة
    • EN: I live in a city
  • A2: Mijn stad is groot.
    • AR: مدينتي كبيرة
    • EN: My city is big
  • B1: Mijn stad is groot en er zijn veel winkels en restaurants.
  • B2: Mijn stad is groot, er zijn veel winkels en restaurants, en het openbaar vervoer is goed geregeld.

Straat – Street – شارع

  • A1: Ik woon in een rustige straat.
    • AR: أعيش في شارع هادئ
    • EN: I live on a quiet street
  • A2: Mijn straat is rustig.
    • AR: شارعي هادئ
    • EN: My street is quiet
  • B1: Mijn straat is rustig en er zijn veel bomen.
  • B2: Mijn straat is rustig, er zijn veel bomen en in de lente ruikt het heerlijk naar bloesem.

Adres – Address – عنوان

  • A1: Mijn adres is Kerkstraat 10.
    • AR: عنواني هو كيركسترات 10
    • EN: My address is Kerkstraat 10
  • A2: Mijn adres is Kerkstraat 10.
    • AR: عنواني هو كيركسترات 10
    • EN: My address is Kerkstraat 10
  • B1: Mijn adres is Kerkstraat 10 en ik woon hier al drie jaar.
  • B2: Mijn adres is Kerkstraat 10, ik woon hier al drie jaar en ik heb fijne buren die altijd klaarstaan om te helpen.

Telefoon – Phone – هاتف

  • A1: Ik heb een telefoon.
    • AR: لدي هاتف
    • EN: I have a phone
  • A2: Mijn telefoon is nieuw.
    • AR: هاتفي جديد
    • EN: My phone is new
  • B1: Mijn telefoon is nieuw en heeft een goede camera.
  • B2: Mijn telefoon is nieuw, heeft een goede camera en ik gebruik hem vaak om foto’s van mooie momenten te maken.

E-mail – Email – بريد إلكتروني

Vriend – Friend – صديق

  • A1: Ik heb een vriend.
    • AR: لدي صديق
    • EN: I have a friend
  • A2: Mijn vriend heet Samir.
    • AR: صديقي اسمه سمير
    • EN: My friend’s name is Samir
  • B1: Mijn vriend Samir en ik kennen elkaar al tien jaar.
  • B2: Mijn vriend Samir en ik kennen elkaar al tien jaar en we hebben samen veel mooie herinneringen aan onze jeugd.

Buurman – Neighbor – جار

  • A1: Mijn buurman is aardig.
    • AR: جاري لطيف
    • EN: My neighbor is nice
  • A2: Mijn buurman is vriendelijk.
    • AR: جاري ودود
    • EN: My neighbor is friendly
  • B1: Mijn buurman helpt mij vaak als ik iets nodig heb.
  • B2: Mijn buurman helpt mij vaak als ik iets nodig heb, en we drinken soms samen koffie om bij te praten.

Wonen – To live – يعيش

  • A1: Ik woon in Nederland.
    • AR: أعيش في هولندا
    • EN: I live in the Netherlands
  • A2: Ik woon in Amsterdam.
    • AR: أعيش في أمستردام
    • EN: I live in Amsterdam
  • B1: Ik woon in Amsterdam, maar ik wil later naar een rustigere stad verhuizen.
  • B2: Ik woon in Amsterdam, maar ik wil later naar een rustigere stad verhuizen omdat ik daar meer ruimte en minder drukte wil ervaren.

Ochtend – Morning – صباح

  • A1: In de ochtend drink ik thee.
    • AR: أشرب الشاي في الصباح
    • EN: I drink tea in the morning
  • A2: In de ochtend drink ik koffie.
    • AR: أشرب القهوة في الصباح
    • EN: I drink coffee in the morning
  • B1: In de ochtend drink ik koffie en lees ik het nieuws op mijn telefoon.
  • B2: In de ochtend drink ik koffie, lees ik het nieuws op mijn telefoon en maak ik een planning voor mijn dag.

Avond – Evening – مساء

  • A1: In de avond kijk ik tv.
    • AR: أشاهد التلفاز في المساء
    • EN: I watch TV in the evening
  • A2: In de avond kijk ik tv.
    • AR: أشاهد التلفاز في المساء
    • EN: I watch TV in the evening
  • B1: In de avond kijk ik tv en soms lees ik een boek voor het slapen.
  • B2: In de avond kijk ik tv, soms lees ik een boek voor het slapen, en ik probeer altijd op tijd naar bed te gaan voor een goede nachtrust.

Verjaardag – Birthday – عيد ميلاد

  • A1: Ik ben jarig.
    • AR: عيد ميلادي اليوم
    • EN: It’s my birthday
  • A2: Ik ben vandaag jarig.
    • AR: أنا اليوم أحتفل بعيد ميلادي
    • EN: Today is my birthday
  • B1: Ik ben vandaag jarig en ik vier het met mijn familie.
  • B2: Ik ben vandaag jarig, ik vier het met mijn familie en mijn vrienden komen ook op bezoek om samen taart te eten en cadeaus te geven.

Feest – Party – حفلة

  • A1: Ik ga naar een feest.
    • AR: سأذهب إلى حفلة
    • EN: I’m going to a party
  • A2: Ik ga vanavond naar een feest.
    • AR: سأذهب الليلة إلى حفلة
    • EN: I’m going to a party tonight
  • B1: Ik ga vanavond naar een feest bij mijn collega thuis.
  • B2: Ik ga vanavond naar een feest bij mijn collega thuis, waar veel mensen komen en er lekker eten en muziek zal zijn.

Werk – Work – عمل

  • A1: Ik werk.
    • AR: أنا أعمل
    • EN: I work
  • A2: Ik werk in een winkel.
    • AR: أعمل في متجر
    • EN: I work in a shop
  • B1: Ik werk in een winkel en help klanten met hun aankopen.
  • B2: Ik werk in een winkel, help klanten met hun aankopen en leer elke dag nieuwe dingen over producten en service.

School – School – مدرسة

  • A1: Ik ga naar school.
    • AR: أذهب إلى المدرسة
    • EN: I go to school
  • A2: Mijn school is dichtbij.
    • AR: مدرستي قريبة
    • EN: My school is nearby
  • B1: Mijn school is dichtbij en ik fiets er elke dag naartoe.
  • B2: Mijn school is dichtbij, ik fiets er elke dag naartoe en ik vind het leuk om met klasgenoten samen te werken aan projecten.

Taal – Language – لغة

  • A1: Ik leer Nederlands.
    • AR: أتعلم اللغة الهولندية
    • EN: I am learning Dutch
  • A2: Ik leer de Nederlandse taal.
    • AR: أتعلم اللغة الهولندية
    • EN: I am learning the Dutch language
  • B1: Ik leer de Nederlandse taal en ik oefen elke dag met spreken.
  • B2: Ik leer de Nederlandse taal, ik oefen elke dag met spreken en ik kijk ook Nederlandse films om mijn uitspraak te verbeteren.

Land – Country – بلد

  • A1: Mijn land is Syrië.
    • AR: بلدي هو سوريا
    • EN: My country is Syria
  • A2: Ik kom uit Syrië.
    • AR: أنا من سوريا
    • EN: I am from Syria
  • B1: Ik kom uit Syrië en ik woon nu in Nederland.
  • B2: Ik kom uit Syrië, ik woon nu in Nederland en ik mis soms mijn familie en het eten uit mijn land.

Vakantie – Holiday – عطلة

  • A1: Ik heb vakantie.
    • AR: لدي عطلة
    • EN: I have a holiday
  • A2: Ik ben op vakantie.
    • AR: أنا في عطلة
    • EN: I am on holiday
  • B1: Ik ben op vakantie en ik bezoek mijn familie in het buitenland.
  • B2: Ik ben op vakantie, ik bezoek mijn familie in het buitenland en we maken samen uitstapjes naar mooie plekken in de natuur.

Maaltijd – Meal – وجبة

  • A1: Ik eet.
    • AR: أنا آكل
    • EN: I am eating
  • A2: Ik eet een maaltijd.
    • AR: آكل وجبة
    • EN: I am eating a meal
  • B1: Ik eet een warme maaltijd met rijst en kip.
  • B2: Ik eet een warme maaltijd met rijst en kip, en ik kook vaak zelf omdat ik het leuk vind om nieuwe recepten te proberen.

Boek – Book – كتاب

  • A1: Ik lees een boek.
    • AR: أقرأ كتاباً
    • EN: I am reading a book
  • A2: Het boek is interessant.
    • AR: الكتاب ممتع
    • EN: The book is interesting
  • B1: Het boek is interessant en gaat over een jongen die op reis gaat.
  • B2: Het boek is interessant, het gaat over een jongen die op reis gaat en ik vind het leuk omdat het me laat nadenken over andere culturen.

Weer – Weather – طقس

  • A1: Het is koud.
    • AR: الطقس بارد
    • EN: It is cold
  • A2: Het is vandaag koud en winderig.
    • AR: الطقس اليوم بارد وعاصف
    • EN: Today it is cold and windy
  • B1: Het is vandaag koud en winderig, dus ik draag een warme jas.
  • B2: Het is vandaag koud en winderig, dus ik draag een warme jas en blijf liever binnen met een kopje thee.

Kleding – Clothing – ملابس

  • A1: Ik draag een jas.
    • AR: أرتدي معطفاً
    • EN: I am wearing a coat
  • A2: Ik draag een jas en een sjaal.
    • AR: أرتدي معطفاً ووشاحاً
    • EN: I am wearing a coat and a scarf
  • B1: Ik draag een jas, een sjaal en stevige schoenen omdat het regent.
  • B2: Ik draag een jas, een sjaal en stevige schoenen omdat het regent en ik wil niet nat worden onderweg naar mijn werk.

Winkel – Shop – متجر

  • A1: Ik ben in de winkel.
    • AR: أنا في المتجر
    • EN: I am in the shop
  • A2: Ik koop brood in de winkel.
    • AR: أشتري خبزاً من المتجر
    • EN: I buy bread in the shop
  • B1: Ik koop brood en melk in de winkel bij mij om de hoek.
  • B2: Ik koop brood en melk in de winkel bij mij om de hoek, en ik maak altijd eerst een boodschappenlijst zodat ik niets vergeet.

Vervoer – Transport – مواصلات

  • A1: Ik neem de bus.
    • AR: أركب الحافلة
    • EN: I take the bus
  • A2: Ik neem de bus naar school.
    • AR: أركب الحافلة إلى المدرسة
    • EN: I take the bus to school
  • B1: Ik neem de bus naar school, maar soms ga ik ook met de fiets.
  • B2: Ik neem de bus naar school, maar soms ga ik ook met de fiets omdat het gezond is en ik graag beweeg.

Werken – Working – عمل

  • A1: Ik werk thuis.
    • AR: أعمل في المنزل
    • EN: I work at home
  • A2: Ik werk elke dag van 9 tot 5.
    • AR: أعمل كل يوم من التاسعة إلى الخامسة
    • EN: I work every day from 9 to 5
  • B1: Ik werk elke dag van 9 tot 5 en ik heb een pauze om 12 uur.
  • B2: Ik werk elke dag van 9 tot 5, ik heb een pauze om 12 uur en ik probeer tijdens het werk goed te concentreren.

Studeren – Studying – دراسة

  • A1: Ik studeer Nederlands.
    • AR: أدرس اللغة الهولندية
    • EN: I study Dutch
  • A2: Ik studeer elke avond een uur.
    • AR: أدرس ساعة واحدة كل مساء
    • EN: I study one hour every evening
  • B1: Ik studeer elke avond een uur en ik maak veel aantekeningen.
  • B2: Ik studeer elke avond een uur, maak veel aantekeningen en oefen met een studiegenoot.

In de winkel – In the store – في المتجر

Vragen om hulp – Asking for help – طلب المساعدة

  • A1: Waar is het brood?
    • AR: أين الخبز؟
    • EN: Where is the bread?
  • A2: Kunt u mij helpen?
    • AR: هل يمكنك مساعدتي؟
    • EN: Can you help me?
  • B1: Kunt u me vertellen waar de groenten zijn?
  • B2: Kunt u me vertellen waar de biologische groenten zijn en welke het lekkerst zijn?

Boodschappen doen – Grocery shopping – التسوق

  • A1: Ik koop brood.
    • AR: أشتري خبزاً
    • EN: I buy bread
  • A2: Ik ga naar de supermarkt.
    • AR: أذهب إلى السوبر ماركت
    • EN: I go to the supermarket
  • B1: Ik ga elke week naar de supermarkt om boodschappen te doen.
  • B2: Ik ga elke week naar de supermarkt om boodschappen te doen en ik koop meestal verse groenten en fruit.

Kleding kopen – Buying clothes – شراء الملابس

  • A1: Ik koop een shirt.
    • AR: أشتري قميصاً
    • EN: I buy a shirt
  • A2: Ik koop nieuwe schoenen.
    • AR: أشتري حذاءً جديداً
    • EN: I buy new shoes
  • B1: Ik koop vaak kleding in de winkel in het centrum.
  • B2: Ik koop vaak kleding in de winkel in het centrum, vooral als er korting is.

Winkelen

  • A1: Ik ga winkelen.
    • AR: أذهب للتسوق
    • EN: I go shopping
  • A2: Ik koop melk en brood.
    • AR: أشتري الحليب والخبز
    • EN: I buy milk and bread
  • B1: Ik ga op zaterdag naar de markt om verse groenten te kopen.
  • B2: Op zaterdag ga ik naar de markt om verse groenten te kopen en daarna ga ik naar de kledingwinkel voor een jas.

Prijzen vragen – Asking about prices – السؤال عن الأسعار

  • A1: Hoeveel kost dit?
    • AR: بكم هذا؟
    • EN: How much does this cost?
  • A2: Is dit goedkoop?
    • AR: هل هذا رخيص؟
    • EN: Is this cheap?
  • B1: Heeft u dit ook in een andere kleur en wat kost die?
  • B2: Heeft u dit ook in een andere maat en kleur, en kunt u me vertellen welke maat het beste bij mij past?

Betalen – Paying – الدفع

  • A1: Ik wil betalen.
    • AR: أريد الدفع
    • EN: I want to pay
  • A2: Kan ik met pin betalen?
    • AR: هل يمكنني الدفع بالبطاقة؟
    • EN: Can I pay by card?
  • B1: Kan ik ook contant betalen of alleen met pin?
  • B2: Kan ik ook met mijn telefoon betalen, of is alleen contant en pin mogelijk?

Klachten of vragen – Complaints or questions – الشكاوى أو الأسئلة

  • A1: Dit is kapot.
    • AR: هذا مكسور
    • EN: This is broken
  • A2: Ik wil dit terugbrengen.
    • AR: أريد إرجاع هذا
    • EN: I want to return this
  • B1: Ik heb dit gekocht, maar het werkt niet goed. Kan ik het ruilen?
  • B2: Ik heb dit product gekocht, maar het voldoet niet aan mijn verwachtingen. Kunt u me uitleggen wat mijn opties zijn?

Kledingwinkel – Clothing store – محل الملابس

  • A1: Ik zoek een shirt.
    • AR: أبحث عن قميص
    • EN: I am looking for a shirt
  • A2: Heeft u dit shirt in maat M?
    • AR: هل لديكم هذا القميص بمقاس م
    • EN: Do you have this shirt in size M?
  • B1: Heeft u dit ook in een andere kleur?
  • B2: Kan ik dit shirt passen? Waar is de paskamer?

Supermarkt – Supermarket – السوبرماركت

  • A1: Waar is de melk?
    • AR: أين الحليب؟
    • EN: Where is the milk?
  • A2: Heeft u verse groenten?
    • AR: هل لديكم خضروات طازجة؟
    • EN: Do you have fresh vegetables?
  • B1: Zijn deze groenten biologisch?
  • B2: Welke groente is het lekkerst om te koken?

Markt – Market – السوق

  • A1: Hoeveel kosten de appels?
    • AR: بكم التفاح؟
    • EN: How much are the apples?
  • A2: Kan ik deze sinaasappels proeven?
    • AR: هل يمكنني تذوق هذه البرتقالات؟
    • EN: Can I taste these oranges?
  • B1: Heeft u ook verse kruiden?
  • B2: Kunt u me helpen met het kiezen van verse en rijpe groenten?

Weekend – Weekend – عطلة نهاية الأسبوع

  • A1: In het weekend rust ik uit.
    • AR: أرتاح في عطلة نهاية الأسبوع
    • EN: I rest on the weekend
  • A2: In het weekend slaap ik uit.
    • AR: أنام طويلاً في عطلة نهاية الأسبوع
    • EN: I sleep in on the weekend
  • B1: In het weekend slaap ik uit en ga ik met vrienden naar het park.
  • B2: In het weekend slaap ik uit, ga ik met vrienden naar het park en geniet ik van de vrije tijd om te ontspannen.

Restaurant – Restaurant – مطعم

  • A1: Ik wil eten bestellen.
    • AR: أريد أن أطلب الطعام
    • EN: I want to order food
  • A2: Heeft u een menukaart?
    • AR: هل لديكم قائمة الطعام؟
    • EN: Do you have a menu?
  • B1: Wat raadt u aan als hoofdgerecht?
  • B2: Heeft u ook vegetarische gerechten?

Eten – Food – طعام

  • A1: Ik eet brood.
    • AR: آكل خبزاً
    • EN: I eat bread
  • A2: Ik eet graag groenten.
    • AR: أحب أن آكل الخضروات
    • EN: I like to eat vegetables
  • B1: Ik probeer minder vlees te eten.
  • B2: Ik vind het belangrijk om gezond en gevarieerd te eten.

Drinken – Drink – شراب

  • A1: Ik drink water.
    • AR: أشرب ماءً
    • EN: I drink water
  • A2: Ik drink graag koffie.
    • AR: أحب أن أشرب القهوة
    • EN: I like to drink coffee
  • B1: Drinkt u liever thee of koffie?
  • B2: Ik drink meestal groene thee omdat het gezond is.

Uitgaan – Going out – الخروج

  • A1: Ik ga naar de bioscoop.
    • AR: أذهب إلى السينما
    • EN: I go to the cinema
  • A2: We gaan naar een feest.
    • AR: نحن ذاهبون إلى حفلة
    • EN: We are going to a party
  • B1: We gaan vaak samen uit in het weekend.
  • B2: Uitgaan is leuk om vrienden te ontmoeten en te ontspannen.

Hotel – Hotel – فندق

  • A1: Ik heb een kamer geboekt.
    • AR: حجزت غرفة
    • EN: I have booked a room
  • A2: Heeft u een kamer met een badkamer?
    • AR: هل لديكم غرفة مع حمام؟
    • EN: Do you have a room with a bathroom?
  • B1: Hoe laat is het ontbijt in het hotel?
  • B2: Ik wil graag een kamer reserveren met uitzicht op zee.

Tijd en datum – Time and Date – الوقت والتاريخ

Dagen van de week – Days of the week – أيام الأسبوع

  • A1: Vandaag is maandag.
    • AR: اليوم هو الاثنين
    • EN: Today is Monday
  • A2: Morgen is dinsdag.
    • AR: غداً هو الثلاثاء
    • EN: Tomorrow is Tuesday
  • B1: Mijn favoriete dag is zaterdag omdat ik dan vrij ben.
  • B2: Ik plan mijn week meestal op zondag en kijk uit naar het weekend.

Maanden van het jaar – Months of the year – شهور السنة

A1: Januari is de eerste maand van het jaar.
 ◦ AR: يناير هو الشهر الأول.
 ◦ EN: January is the first month.
A2: Mijn verjaardag is in mei.
 ◦ AR: عيد ميلادي في مايو.
 ◦ EN: My birthday is in May.
B1: In december is het vaak koud en sneeuwt het soms.
B2: Ik maak graag vakanties in de zomermaanden juli en augustus.


Tijd uitdrukken en afspraken maken – Telling time and making appointments – التعبير عن الوقت وتحديد المواعيد

  • A1: Het is acht uur.
    • AR: الساعة الثامنة
    • EN: It is eight o’clock
  • A2: Het is kwart over acht.
    • AR: الساعة الثامنة والربع
    • EN: It is quarter past eight
  • B1: Het is tien voor negen.
  • B2: Het is vijf minuten over half tien.

Klok lezen – Telling time – قراءة الساعة

  • A1: Het is drie uur.
    • AR: الساعة الثالثة
    • EN: It is three o’clock
  • A2: De klok is half vijf.
    • AR: الساعة الرابعة والنصف
    • EN: The clock is half past four
  • B1: De trein vertrekt om kwart over acht.
  • B2: Mijn afspraak is om tien voor half twaalf ‘s ochtends.

Afspraken maken – Making appointments

  • A1: Ik heb een afspraak om tien uur.
    • AR: لدي موعد في الساعة العاشرة
    • EN: I have an appointment at ten o’clock
  • A2: Zullen we om half drie afspreken?
    • AR: هل نلتقي في الساعة الثانية والنصف؟
    • EN: Shall we meet at half past two?
  • B1: Kun je morgen om kwart over vijf?
  • B2: Laten we de afspraak verzetten naar tien voor vier, want ik heb dan meer tijd.

Op tijd komen – Being on time

  • A1: Ik ben op tijd.
    • AR: أنا في الوقت المحدد
    • EN: I am on time
  • A2: Ik kom altijd op tijd naar werk.
    • AR: أنا دائماً أصل إلى العمل في الوقت المحدد
    • EN: I always come to work on time
  • B1: Het is belangrijk om op tijd te komen voor de vergadering.
  • B2: Ik probeer altijd vijf minuten eerder te zijn, zodat ik me kan voorbereiden.

Vertraging – Delay

  • A1: Ik ben te laat.
    • AR: أنا متأخر
    • EN: I am late
  • A2: Sorry, ik heb vertraging.
    • AR: آسف، لدي تأخير
    • EN: Sorry, I am delayed
  • B1: Door het verkeer heb ik vijftien minuten vertraging.
  • B2: Ik bel je als ik vertraging heb, zodat je het weet.

Vragen naar tijd – Asking for time

  • A1: Hoe laat is het?
    • AR: كم الساعة؟
    • EN: What time is it?
  • A2: Hoe laat begint de les?
    • AR: متى يبدأ الدرس؟
    • EN: What time does the class start?
  • B1: Weet u hoe laat de trein vertrekt?
  • B2: Kun je me zeggen hoe laat de voorstelling begint en hoelang die duurt?

Weer – Weather – الطقس

A1: Het is zonnig.
 ◦ AR: الجو مشمس.
 ◦ EN: It is sunny.
A2: Het regent buiten.
 ◦ AR: تمطر في الخارج.
 ◦ EN: It is raining outside.
B1: Vandaag is het bewolkt en het kan gaan hagelen.
B2: Morgen wordt het stormachtig met veel wind en kans op sneeuw.

Temperatuur – Temperature – درجة الحرارة

A1: Het is warm vandaag.
 ◦ AR: الجو دافئ اليوم.
 ◦ EN: It is warm today.
A2: Het is koud buiten.
 ◦ AR: الجو بارد في الخارج.
 ◦ EN: It is cold outside.
B1: De temperatuur daalt ’s nachts tot onder het vriespunt.
B2: Deze week wordt het steeds warmer met temperaturen rond de dertig graden.

Neerslag – Precipitation – الهطول

A1: Het sneeuwt.
 ◦ AR: إنها تثلج.
 ◦ EN: It is snowing.
A2: Er is hagel vandaag.
 ◦ AR: هناك برد اليوم.
 ◦ EN: There is hail today.
B1: De regenbuien zijn hevig en duren de hele middag.
B2: Na de storm begint het te sneeuwen en blijven de wegen glad.

Wind – Wind – الرياح

A1: Het waait hard.
 ◦ AR: الرياح قوية.
 ◦ EN: The wind is strong.
A2: Er is een zachte bries.
 ◦ AR: هناك نسيم خفيف.
 ◦ EN: There is a light breeze.
B1: De windrichting verandert en neemt toe in kracht.
B2: Tijdens de storm waait het stormachtig met rukwinden tot 100 km/u.

Weersomstandigheden – Weather conditions – أحوال الطقس

A1: Het is mistig.
 ◦ AR: هناك ضباب.
 ◦ EN: It is foggy.
A2: De lucht is helder.
 ◦ AR: السماء صافية.
 ◦ EN: The sky is clear.
B1: De lucht is zwaar bewolkt met kans op onweer.
B2: Er is kans op zware onweersbuien met veel bliksem en donder.

Seizoenen – Seasons – الفصول

A1: Het is zomer.
 ◦ AR: إنه الصيف.
 ◦ EN: It is summer.
A2: In de herfst vallen de bladeren van de bomen.
 ◦ AR: في الخريف تسقط أوراق الأشجار.
 ◦ EN: In autumn, the leaves fall from the trees.
B1: De winter is koud en er ligt vaak sneeuw.
B2: In de lente bloeien de bloemen en wordt het weer warmer.

Klimaat – Climate – المناخ

A1: Het klimaat hier is warm.
 ◦ AR: المناخ هنا دافئ.
 ◦ EN: The climate here is warm.
A2: In dit gebied regent het vaak.
 ◦ AR: في هذه المنطقة تمطر كثيرًا.
 ◦ EN: It often rains in this area.
B1: Het klimaat verandert door de opwarming van de aarde.
B2: Door klimaatverandering zijn de zomers langer en droger geworden.

Weer voorspellen – Weather forecasting – التنبؤ بالطقس

A1: Morgen wordt het zonnig.
 ◦ AR: سيكون الجو مشمسًا غدًا.
 ◦ EN: It will be sunny tomorrow.
A2: Het gaat morgen regenen.
 ◦ AR: ستمطر غدًا.
 ◦ EN: It will rain tomorrow.
B1: De voorspelling zegt dat het morgen stormachtig wordt.
B2: Volgens de weersvoorspelling blijft het deze week bewolkt met kans op regen.

Kleding bij het weer – Clothing for the weather – الملابس حسب الطقس

A1: Ik draag een jas omdat het koud is.
 ◦ AR: أرتدي معطفًا لأنه بارد.
 ◦ EN: I wear a coat because it is cold.
A2: Het is warm, ik draag een T-shirt.
 ◦ AR: الجو دافئ، أرتدي قميصًا.
 ◦ EN: It is warm, I wear a T-shirt.
B1: Bij regen draag ik altijd een regenjas en laarzen.
B2: Als het sneeuwt, trek ik een dikke jas, handschoenen en een muts aan om warm te blijven.

Weersinvloeden – Weather effects – تأثيرات الطقس

A1: Het weer is mooi vandaag.
 ◦ AR: الطقس جميل اليوم.
 ◦ EN: The weather is nice today.
A2: Het weer beïnvloedt mijn humeur.
 ◦ AR: يؤثر الطقس على مزاجي.
 ◦ EN: The weather affects my mood.
B1: Slecht weer kan de reis vertragen.
B2: Door het stormachtige weer zijn veel vluchten geannuleerd.


Hobby’s en vrije tijd – Hobbies and free time – الهوايات والوقت الحر

Hobby – Hobby – هواية

  • A1: Mijn hobby is voetbal.
    • AR: هوايتي هي كرة القدم
    • EN: My hobby is football
  • A2: Mijn hobby is voetballen.
    • AR: هوايتي هي لعب كرة القدم
    • EN: My hobby is playing football
  • B1: Mijn hobby is voetballen, want ik speel graag met vrienden op zaterdag.
  • B2: Mijn hobby is voetballen, want ik speel graag met vrienden op zaterdag en ik train ook wekelijks bij een lokale club om beter te worden.

Lezen – Reading – القراءة

A1: Mijn hobby is lezen.
 ◦ AR: هوايتي هي القراءة.
 ◦ EN: My hobby is reading.
A2: In mijn vrije tijd lees ik graag boeken.
 ◦ AR: في وقت فراغي أحب قراءة الكتب.
 ◦ EN: In my free time, I like reading books.
B1: Ik lees regelmatig romans en gedichten.
B2: Tijdens mijn vrije tijd lees ik graag historische boeken en schrijf ik soms recensies.


Voetballen – Playing football – لعب كرة القدم

A1: Ik speel graag voetbal.
 ◦ AR: أحب لعب كرة القدم.
 ◦ EN: I like playing football.
A2: In mijn vrije tijd speel ik vaak voetbal met vrienden.
 ◦ AR: في وقت فراغي ألعب كرة القدم مع أصدقائي.
 ◦ EN: In my free time, I often play football with friends.
B1: Ik speel in een amateurteam en train twee keer per week.
B2: Ik neem deel aan toernooien en organiseer regelmatig wedstrijden met mijn team.


Gitaar spelen – Playing guitar – العزف على الغيتار

A1: Ik speel gitaar.
 ◦ AR: أعزف على الغيتار.
 ◦ EN: I play guitar.
A2: Mijn hobby is gitaar spelen in een band.
 ◦ AR: هوايتي هي العزف على الغيتار في فرقة.
 ◦ EN: My hobby is playing guitar in a band.
B1: Ik oefen elke dag om beter te worden.
B2: Ik schrijf mijn eigen muziek en geef ook gitaarles aan beginners.


Televisie kijken – Watching TV – مشاهدة التلفاز

A1: Ik kijk graag televisie.
 ◦ AR: أحب مشاهدة التلفاز.
 ◦ EN: I like watching TV.
A2: Mijn favoriete programma is een natuurdocumentaire.
 ◦ AR: برنامجي المفضل هو وثائقي عن الطبيعة.
 ◦ EN: My favorite show is a nature documentary.
B1: Ik kijk elke avond nieuws en soms films.
B2: Ik analyseer series en bespreek ze met vrienden online.

Film kijken – Watching movies – مشاهدة الأفلام

A1: Ik kijk graag naar films.
 ◦ AR: أحب مشاهدة الأفلام.
 ◦ EN: I like watching movies.
A2: Ik kijk vaak films thuis.
 ◦ AR: أشاهد الأفلام كثيرًا في المنزل.
 ◦ EN: I often watch movies at home.
B1: Ik ga graag naar de bioscoop om nieuwe films te zien.
B2: Ik bespreek na het kijken vaak films met mijn vrienden en schrijf soms recensies.

Muziek luisteren – Listening to music – الاستماع إلى الموسيقى

A1: Ik luister naar muziek.
 ◦ AR: أستمع إلى الموسيقى.
 ◦ EN: I listen to music.
A2: Ik luister graag naar mijn favoriete zanger.
 ◦ AR: أحب الاستماع إلى مطربي المفضل.
 ◦ EN: I like listening to my favorite singer.
B1: Ik luister vaak naar verschillende muziekgenres, zoals pop en jazz.
B2: Ik ga regelmatig naar concerten en ontdek graag nieuwe artiesten.

Wandelen – Walking – المشي

A1: Ik ga wandelen.
 ◦ AR: أذهب للمشي.
 ◦ EN: I go walking.
A2: Ik wandel graag in het park.
 ◦ AR: أحب المشي في الحديقة.
 ◦ EN: I like walking in the park.
B1: Ik maak elke zondag een lange wandeling in het bos.
B2: Tijdens het wandelen luister ik vaak naar podcasts over geschiedenis en cultuur.


Wegbeschrijvingen – Directions – الاتجاهات

A1: Waar is de supermarkt?
 ◦ AR: أين السوبرماركت؟
 ◦ EN: Where is the supermarket?
A2: Hoe kom ik bij de school?
 ◦ AR: كيف أصل إلى المدرسة؟
 ◦ EN: How do I get to the school?
B1: Ga rechtdoor en neem bij de tweede straat links.
B2: Loop rechtuit tot het verkeerslicht, sla dan linksaf en de school ligt na honderd meter aan de rechterkant.

A1: Is het ver naar het werk?
 ◦ AR: هل الطريق إلى العمل بعيد؟
 ◦ EN: Is it far to work?
A2: Ik loop meestal naar mijn werk.
 ◦ AR: عادةً أمشي إلى عملي.
 ◦ EN: I usually walk to work.
B1: Je moet de derde straat rechtsaf en dan zie je het gebouw aan je linkerhand.
B2: Neem de bus naar het centrum en stap uit bij de halte tegenover het kantoorgebouw.


A1: Waar is het busstation?
 ◦ AR: أين محطة الحافلات؟
 ◦ EN: Where is the bus station?
A2: Het busstation is dichtbij het winkelcentrum.
 ◦ AR: محطة الحافلات بالقرب من المركز التجاري.
 ◦ EN: The bus station is near the shopping center.
B1: Loop langs de kerk en sla bij het plein rechtsaf, dan zie je het busstation aan het einde van de straat.
B2: Je kunt ook de metro nemen en uitstappen bij het busstation; dat is sneller dan lopen.


A1: Hoe ver is het naar het station?
 ◦ AR: كم يبعد المحطة؟
 ◦ EN: How far is it to the station?
A2: Het station is ongeveer tien minuten lopen.
 ◦ AR: المحطة تبعد حوالي عشر دقائق سيراً على الأقدام.
 ◦ EN: The station is about a ten-minute walk.
B1: Volg de borden naar het station en steek bij het park de straat over.
B2: Na het park zie je het station aan je rechterkant, vlakbij het café.


Basale gezondheid en lichaamsdelen – Basic Health and Body Parts – الصحة والأجزاء الجسمية الأساسية

Gezondheid – Health – صحة

  • A1: Ik ben ziek.
    • AR: أنا مريض
    • EN: I am sick
  • A2: Ik ben ziek en ik blijf thuis.
    • AR: أنا مريض وسأبقى في المنزل
    • EN: I am sick and I stay at home
  • B1: Ik ben ziek, ik blijf thuis en ik neem medicijnen.

A1: Ik voel me goed.
 ◦ AR: أشعر أنني بخير.
 ◦ EN: I feel good.
A2: Mijn hoofd doet pijn.
 ◦ AR: رأسي يؤلمني.
 ◦ EN: My head hurts.
B1: Ik heb al drie dagen koorts en ik voel me zwak.
B2: De dokter adviseerde me om rust te nemen en veel water te drinken.


A1: Waar is de apotheek?
 ◦ AR: أين الصيدلية؟
 ◦ EN: Where is the pharmacy?
A2: Ik heb een verband nodig voor mijn hand.
 ◦ AR: أحتاج إلى ضمادة ليدي.
 ◦ EN: I need a bandage for my hand.
B1: Mijn arm is geblesseerd en ik ga naar het ziekenhuis voor controle.
B2: Na het ongeluk moest ik naar de spoedeisende hulp omdat ik mijn enkel had verstuikt.


A1: Mijn arm doet pijn.
 ◦ AR: ذراعي تؤلمني.
 ◦ EN: My arm hurts.
A2: Mijn been is gebroken.
 ◦ AR: ساقي مكسورة.
 ◦ EN: My leg is broken.
B1: Ik heb last van mijn rug na het tillen van zware spullen.
B2: Door de kou heb ik spierpijn in mijn nek en schouders gekregen.


A1: Ik ben moe.
 ◦ AR: أنا متعب.
 ◦ EN: I am tired.
A2: Ik moet naar de dokter.
 ◦ AR: يجب أن أذهب إلى الطبيب.
 ◦ EN: I need to go to the doctor.
B1: Na het sporten heb ik last van mijn knieën.
B2: De dokter gaf me medicijnen en raadde aan om voldoende te slapen en gezond te eten.


A1: Heb je pijn?
 ◦ AR: هل تشعر بالألم؟
 ◦ EN: Do you have pain?
A2: Waar doet het pijn?
 ◦ AR: أين تشعر بالألم؟
 ◦ EN: Where does it hurt?
B1: Mijn keel doet pijn en ik kan moeilijk slikken.
B2: Sinds gisteren heb ik hoofdpijn en koorts, daarom blijf ik vandaag thuis.


Pijn – Pain – الألم

A1: Ik heb pijn.
 ◦ AR: أشعر بالألم.
 ◦ EN: I have pain.
A2: Mijn hoofd doet pijn.
 ◦ AR: رأسي يؤلمني.
 ◦ EN: My head hurts.
B1: Ik heb al twee dagen pijn in mijn rug.
B2: De pijn in mijn been wordt erger als ik loop.

Klachten – Complaints – الشكاوى

A1: Ik voel me niet goed.
 ◦ AR: لا أشعر أنني بخير.
 ◦ EN: I don’t feel well.
A2: Ik heb buikpijn en misselijkheid.
 ◦ AR: أشعر بألم في بطني وغثيان.
 ◦ EN: I have stomach pain and nausea.
B1: Ik heb last van hoesten en keelpijn.
B2: Mijn klachten zijn erger geworden, daarom ga ik naar de dokter.

Naar de dokter – Going to the doctor – الذهاب إلى الطبيب

A1: Ik ga naar de dokter.
 ◦ AR: سأذهب إلى الطبيب.
 ◦ EN: I am going to the doctor.
A2: Ik heb een afspraak bij de dokter.
 ◦ AR: لدي موعد مع الطبيب.
 ◦ EN: I have an appointment with the doctor.
B1: De dokter onderzoekt mijn keel en luistert naar mijn longen.
B2: Na het onderzoek schrijft de dokter medicijnen voor.

Naar de apotheek – Going to the pharmacy – الذهاب إلى الصيدلية

A1: Waar is de apotheek?
 ◦ AR: أين الصيدلية؟
 ◦ EN: Where is the pharmacy?
A2: Ik moet medicijnen halen bij de apotheek.
 ◦ AR: يجب أن أحصل على دواء من الصيدلية.
 ◦ EN: I need to get medicine from the pharmacy.
B1: De apotheker gaf me een recept voor de medicijnen.
B2: Ik haal regelmatig mijn medicijnen bij deze apotheek in de buurt.

Koorts – Fever – الحمى

A1: Ik heb koorts.
 ◦ AR: لدي حمى.
 ◦ EN: I have a fever.
A2: Mijn temperatuur is hoger dan normaal.
 ◦ AR: درجة حرارتي أعلى من المعتاد.
 ◦ EN: My temperature is higher than normal.
B1: Ik voel me zwak en ik heb koorts sinds gisteren.
B2: De dokter adviseerde me om thuis te blijven en veel te drinken vanwege de koorts.

Lichaamsdelen – Body parts – أجزاء الجسم

A1: Dit is mijn hoofd.
 ◦ AR: هذا رأسي.
 ◦ EN: This is my head.
A2: Mijn handen zijn koud.
 ◦ AR: يدي باردة.
 ◦ EN: My hands are cold.
B1: Mijn voeten doen pijn omdat ik lang heb gelopen.
B2: Mijn schouders en nek zijn stijf na een lange dag werken.

Ziekenhuis – Hospital – المستشفى

A1: Ik ga naar het ziekenhuis.
 ◦ AR: سأذهب إلى المستشفى.
 ◦ EN: I am going to the hospital.
A2: Het ziekenhuis is dicht bij mijn huis.
 ◦ AR: المستشفى قريب من منزلي.
 ◦ EN: The hospital is close to my house.
B1: Ik ben opgenomen in het ziekenhuis voor onderzoek.
B2: Na de behandeling in het ziekenhuis voel ik me veel beter.


A2 woorden (met zinnen op A1-B2 niveau)


Werk en beroep – Work and Profession – العمل والمهنة

A1: Ik werk in een kantoor.
 ◦ AR: أعمل في مكتب.
 ◦ EN: I work in an office.
A2: Mijn baas is vriendelijk en ik werk elke dag van negen tot vijf.
 ◦ AR: رئيسي لطيف وأعمل كل يوم من التاسعة إلى الخامسة.
 ◦ EN: My boss is friendly and I work every day from nine to five.
B1: Ik solliciteer voor een baan als administratief medewerker bij een groot bedrijf.
B2: Tijdens mijn werk organiseer ik vergaderingen en schrijf ik rapporten voor het management.


Beroepen – Professions – المهن

A1: Hij is timmerman.
 ◦ AR: هو نجار.
 ◦ EN: He is a carpenter.
A2: Zij werkt als verpleegster in het ziekenhuis.
 ◦ AR: هي تعمل كممرضة في المستشفى.
 ◦ EN: She works as a nurse in the hospital.
B1: Mijn vriend is elektricien en hij installeert lampen en stopcontacten.
B2: Als architect ontwerp ik gebouwen en ik werk samen met bouwbedrijven.


Werkplek – Workplace – مكان العمل

A1: Mijn werkplek is schoon en rustig.
 ◦ AR: مكان عملي نظيف وهادئ.
 ◦ EN: My workplace is clean and quiet.
A2: Op mijn werkplek staan computers, bureaus en stoelen.
 ◦ AR: في مكان عملي هناك حواسيب ومكاتب وكراسي.
 ◦ EN: At my workplace, there are computers, desks, and chairs.
B1: De werkplek is goed georganiseerd en iedereen helpt elkaar.
B2: Op kantoor is er een aparte ruimte voor vergaderingen en pauzes.


Solliciteren – Applying for a job – التقدم لوظيفة

A1: Ik zoek een baan.
 ◦ AR: أبحث عن وظيفة.
 ◦ EN: I am looking for a job.
A2: Ik stuur een brief om te solliciteren.
 ◦ AR: أرسل رسالة للتقدم للوظيفة.
 ◦ EN: I send a letter to apply for the job.
B1: Ik heb een sollicitatiegesprek gehad bij een groot bedrijf.
B2: Tijdens het gesprek leg ik uit waarom ik geschikt ben voor de functie.


Dagelijkse werkzaamheden – Daily tasks – المهام اليومية

A1: Ik typ op de computer.
 ◦ AR: أكتب على الكمبيوتر.
 ◦ EN: I type on the computer.
A2: Ik beantwoord e-mails en maak afspraken.
 ◦ AR: أجيب على الرسائل الإلكترونية وأحدد المواعيد.
 ◦ EN: I answer emails and make appointments.
B1: Mijn werkzaamheden bestaan uit het bijhouden van de administratie en het plannen van vergaderingen.
B2: Ik organiseer projecten en zorg dat alles op tijd klaar is.


Bouwen – Building – البناء

A1: De bouwvakker werkt op de bouwplaats.
 ◦ AR: عامل البناء يعمل في موقع البناء.
 ◦ EN: The construction worker works on the building site.
A2: Ze bouwen een nieuw huis in de straat.
 ◦ AR: هم يبنون بيتًا جديدًا في الشارع.
 ◦ EN: They are building a new house on the street.
B1: De bouwvakkers gebruiken machines om het werk sneller te doen.
B2: Tijdens de bouw moet alles volgens de veiligheidsregels gebeuren.


Schilderen – Painting – الطلاء

A1: Ik schilder de muur blauw.
 ◦ AR: أطلّي الحائط باللون الأزرق.
 ◦ EN: I paint the wall blue.
A2: Hij schildert het huis elke vijf jaar opnieuw.
 ◦ AR: هو يعيد طلاء المنزل كل خمس سنوات.
 ◦ EN: He repaints the house every five years.
B1: Voor het schilderen moet de muur eerst schoongemaakt worden.
B2: Bij het schilderen gebruik ik speciale verf die lang meegaat.


Typen – Typing – الطباعة

A1: Ik kan snel typen.
 ◦ AR: أستطيع الطباعة بسرعة.
 ◦ EN: I can type fast.
A2: Ik leer blind typen op school.
 ◦ AR: أتعلم الطباعة بدون النظر في المدرسة.
 ◦ EN: I am learning to touch type at school.
B1: Tijdens mijn werk typ ik vaak lange teksten en rapporten.
B2: Met snel en nauwkeurig typen bespaar ik veel tijd op kantoor.

Werk en beroep – Work and Profession – العمل والمهنة

A1: De dokter helpt mensen.
 ◦ AR: الطبيب يساعد الناس.
 ◦ EN: The doctor helps people.
A2: De leraar geeft les aan kinderen.
 ◦ AR: المعلم يدرس الأطفال.
 ◦ EN: The teacher teaches children.
B1: De kok bereidt dagelijks maaltijden in het restaurant.
B2: De accountant controleert de financiële administratie van het bedrijf.


Vast contract – Permanent contract – عقد دائم

A1: Ik heb een contract.
 ◦ AR: لدي عقد.
 ◦ EN: I have a contract.
A2: Mijn contract is voor één jaar.
 ◦ AR: عقدي لمدة سنة واحدة.
 ◦ EN: My contract is for one year.
B1: Ik heb een vast contract bij mijn werkgever gekregen.
B2: Een vast contract geeft zekerheid over mijn baan en inkomen.


Overwerken – Overtime – العمل الإضافي

A1: Ik werk extra uren.
 ◦ AR: أعمل ساعات إضافية.
 ◦ EN: I work extra hours.
A2: Soms moet ik overwerken na mijn normale werkdag.
 ◦ AR: أحيانًا يجب أن أعمل ساعات إضافية بعد دوام عملي.
 ◦ EN: Sometimes I have to work overtime after my normal workday.
B1: Overwerken gebeurt vaak bij drukke projecten op kantoor.
B2: Door overwerken verdien ik extra geld, maar het kost me ook tijd.


Pauze – Break – استراحة

A1: Ik neem pauze om te eten.
 ◦ AR: آخذ استراحة لأكل الطعام.
 ◦ EN: I take a break to eat.
A2: Tijdens de pauze drink ik koffie met mijn collega’s.
 ◦ AR: أثناء الاستراحة أشرب القهوة مع زملائي.
 ◦ EN: During the break, I drink coffee with my colleagues.
B1: In de pauze praten we over het werk en ontspanning.
B2: Ik gebruik mijn pauze om even te wandelen en mijn hoofd leeg te maken.


Team – Team – فريق

A1: Wij werken in een team.
 ◦ AR: نحن نعمل في فريق.
 ◦ EN: We work in a team.
A2: Ons team bestaat uit vijf collega’s.
 ◦ AR: فريقنا يتكون من خمسة زملاء.
 ◦ EN: Our team consists of five colleagues.
B1: Het team overlegt elke week over de voortgang van het project.
B2: Samenwerken in een team maakt het werk leuker en effectiever.


Onderwijs en studie – Education and Study – التعليم والدراسة

Schoolvak – School Subject – مادة دراسية

A1: Mijn favoriete schoolvak is wiskunde.
 ◦ AR: مادتي الدراسية المفضلة هي الرياضيات.
 ◦ EN: My favorite school subject is math.
A2: Ik vind geschiedenis een interessant schoolvak.
 ◦ AR: أجد التاريخ مادة دراسية ممتعة.
 ◦ EN: I find history an interesting school subject.
B1: Tijdens het schoolvak natuurkunde leren we over de natuurwetten.
B2: Het schoolvak Engels helpt mij om beter te communiceren in het buitenland.


Leraar – Teacher – معلم

A1: De leraar geeft les.
 ◦ AR: المعلم يعطي الدرس.
 ◦ EN: The teacher gives a lesson.
A2: Mijn leraar helpt me met moeilijke vragen.
 ◦ AR: معلمي يساعدني في الأسئلة الصعبة.
 ◦ EN: My teacher helps me with difficult questions.
B1: De leraar legt de stof duidelijk uit aan de klas.
B2: De leraar motiveert de leerlingen om goed te studeren.


Les – Lesson – درس

A1: Ik heb een les Nederlands.
 ◦ AR: لدي درس في اللغة الهولندية.
 ◦ EN: I have a Dutch lesson.
A2: De les begint om negen uur.
 ◦ AR: يبدأ الدرس في الساعة التاسعة.
 ◦ EN: The lesson starts at nine o’clock.
B1: Tijdens de les maken we aantekeningen in ons schrift.
B2: Na de les bespreekt de docent de opdrachten met de klas.


Studeren – Studying – الدراسة

A1: Ik studeer elke dag.
 ◦ AR: أدرس كل يوم.
 ◦ EN: I study every day.
A2: Ik studeer voor mijn examen volgende week.
 ◦ AR: أدرس لامتحاني الأسبوع القادم.
 ◦ EN: I study for my exam next week.
B1: Ik studeer in de bibliotheek omdat het rustig is.
B2: Door goed te studeren hoop ik mijn diploma te halen.


Opleiding – Education Program – برنامج تعليمي

A1: Ik volg een opleiding.
 ◦ AR: أنا أتابع برنامجًا تعليميًا.
 ◦ EN: I follow an education program.
A2: Mijn opleiding duurt drie jaar.
 ◦ AR: برنامجي التعليمي يدوم ثلاث سنوات.
 ◦ EN: My education program lasts three years.
B1: Tijdens mijn opleiding leer ik veel over techniek.
B2: De opleiding bereidt me voor op een baan in de zorg.


Examen – Exam – امتحان

A1: Ik heb een examen.
 ◦ AR: لدي امتحان.
 ◦ EN: I have an exam.
A2: Het examen is volgende week.
 ◦ AR: الامتحان الأسبوع القادم.
 ◦ EN: The exam is next week.
B1: Ik ben zenuwachtig voor mijn examen Nederlands.
B2: Na het examen bespreekt de leraar de resultaten met de klas.


Huiswerk – Homework – واجب منزلي

A1: Ik maak mijn huiswerk.
 ◦ AR: أعمل واجبي المنزلي.
 ◦ EN: I do my homework.
A2: Het huiswerk is moeilijk vandaag.
 ◦ AR: الواجب صعب اليوم.
 ◦ EN: The homework is difficult today.
B1: Ik maak mijn huiswerk altijd na school.
B2: Door huiswerk te maken verbeter ik mijn taalvaardigheid.


Bibliotheek – Library – مكتبة

A1: Ik ga naar de bibliotheek.
 ◦ AR: أذهب إلى المكتبة.
 ◦ EN: I go to the library.
A2: In de bibliotheek leen ik boeken.
 ◦ AR: أستعير كتبًا من المكتبة.
 ◦ EN: I borrow books from the library.
B1: De bibliotheek is een rustige plek om te studeren.
B2: Ik gebruik de bibliotheek om extra informatie voor mijn studie te vinden.


Presentatie – Presentation – عرض تقديمي

A1: Ik geef een presentatie.
 ◦ AR: أقدم عرضًا تقديميًا.
 ◦ EN: I give a presentation.
A2: Mijn presentatie gaat over het milieu.
 ◦ AR: عرضي التقديمي عن البيئة.
 ◦ EN: My presentation is about the environment.
B1: Tijdens de presentatie gebruik ik een PowerPoint.
B2: Ik oefen mijn presentatie voor de klas om zenuwen te verminderen.


Studieboeken – Textbooks – كتب الدراسة

A1: Ik lees uit mijn studieboek.
 ◦ AR: أقرأ من كتاب دراستي.
 ◦ EN: I read from my textbook.
A2: Mijn studieboeken zijn zwaar.
 ◦ AR: كتب دراستي ثقيلة.
 ◦ EN: My textbooks are heavy.
B1: Ik gebruik mijn studieboeken om te leren voor het examen.
B2: Studieboeken helpen me de stof beter te begrijpen en te onthouden.


Reizen en vervoer – Travel and Transport – السفر والنقل

Openbaar vervoer – Public Transport – النقل العام

A1: Ik neem de bus naar mijn werk.
 ◦ AR: أستقل الحافلة إلى عملي.
 ◦ EN: I take the bus to my work.
A2: Het openbaar vervoer is vaak druk in de ochtend.
 ◦ AR: يكون النقل العام مزدحمًا غالبًا في الصباح.
 ◦ EN: Public transport is often busy in the morning.
B1: Ik gebruik het openbaar vervoer om naar school te gaan.
B2: Het openbaar vervoer is milieuvriendelijk en goedkoop.


Ticket – Ticket – تذكرة

A1: Ik koop een ticket voor de trein.
 ◦ AR: أشتري تذكرة القطار.
 ◦ EN: I buy a train ticket.
A2: Het ticket kost tien euro.
 ◦ AR: تكلف التذكرة عشرة يورو.
 ◦ EN: The ticket costs ten euros.
B1: Ik koop mijn tickets online om tijd te besparen.
B2: Voor lange reizen is het handig om een retourticket te kopen.


Route – Route – مسار

A1: Wat is de route naar het station?
 ◦ AR: ما هو الطريق إلى المحطة؟
 ◦ EN: What is the route to the station?
A2: De route naar het museum is duidelijk aangegeven.
 ◦ AR: الطريق إلى المتحف موضح بوضوح.
 ◦ EN: The route to the museum is clearly marked.
B1: Ik gebruik een app om de snelste route te vinden.
B2: De routeplanner helpt me om vertragingen te vermijden.


Hotel – Hotel – فندق

A1: Ik verblijf in een hotel.
 ◦ AR: أنا أقيم في فندق.
 ◦ EN: I stay in a hotel.
A2: Het hotel heeft een zwembad en gratis wifi.
 ◦ AR: يحتوي الفندق على مسبح وإنترنت مجاني.
 ◦ EN: The hotel has a swimming pool and free wifi.
B1: Ik boek mijn hotel van tevoren via internet.
B2: Het hotelpersoneel helpt me met het regelen van een taxi.


Vliegticket – Plane Ticket – تذكرة طائرة

A1: Ik heb een vliegticket naar Amsterdam.
 ◦ AR: لدي تذكرة طائرة إلى أمستردام.
 ◦ EN: I have a plane ticket to Amsterdam.
A2: Mijn vliegticket is geldig voor volgende maand.
 ◦ AR: تذكرتي صالحة للشهر القادم.
 ◦ EN: My plane ticket is valid for next month.
B1: Ik check online in met mijn vliegticket.
B2: Bij het inchecken laat ik mijn vliegticket aan de balie zien.


Station – Station – محطة

A1: Ik ben op het station.
 ◦ AR: أنا في المحطة.
 ◦ EN: I am at the station.
A2: Het station is groot en heeft veel winkels.
 ◦ AR: المحطة كبيرة ولديها العديد من المتاجر.
 ◦ EN: The station is large and has many shops.
B1: Op het station wacht ik op de trein naar Rotterdam.
B2: Het station is goed bereikbaar met de bus en de tram.


Taxi – Taxi – تاكسي

A1: Ik neem een taxi naar het hotel.
 ◦ AR: أستقل سيارة أجرة إلى الفندق.
 ◦ EN: I take a taxi to the hotel.
A2: De taxi is duurder dan de bus.
 ◦ AR: سيارة الأجرة أغلى من الحافلة.
 ◦ EN: The taxi is more expensive than the bus.
B1: Ik bel een taxi via een app op mijn telefoon.
B2: De taxi-chauffeur spreekt goed Engels en weet de weg.


Reis – Trip – رحلة

A1: Ik maak een reis naar Frankrijk.
 ◦ AR: أقوم برحلة إلى فرنسا.
 ◦ EN: I take a trip to France.
A2: Mijn reis duurt twee weken.
 ◦ AR: رحلتي تستغرق أسبوعين.
 ◦ EN: My trip lasts two weeks.
B1: Tijdens mijn reis bezoek ik verschillende steden.
B2: Ik plan mijn reis zorgvuldig om alles te kunnen zien.


Vertrek – Departure – المغادرة

A1: Het vertrek is om tien uur.
 ◦ AR: المغادرة في الساعة العاشرة.
 ◦ EN: The departure is at ten o’clock.
A2: Bij het vertrek moet je je bagage laten controleren.
 ◦ AR: عند المغادرة يجب فحص أمتعتك.
 ◦ EN: At departure, you must have your luggage checked.
B1: Het vertrek van de trein is altijd op tijd.
B2: Bij het vertrek van de vlucht worden de passagiers omgeroepen.


Aankomst – Arrival – الوصول

A1: De aankomst is om acht uur.
 ◦ AR: الوصول في الساعة الثامنة.
 ◦ EN: The arrival is at eight o’clock.
A2: Bij aankomst wacht mijn familie op mij.
 ◦ AR: عند الوصول تنتظر عائلتي.
 ◦ EN: My family waits for me at arrival.
B1: De aankomst van de trein is iets vertraagd.
B2: Bij aankomst moet je je paspoort laten zien.

Ticket – Ticket – تذكرة

A1: Ik koop een ticket voor de trein.
 ◦ AR: أشتري تذكرة القطار.
 ◦ EN: I buy a train ticket.
A2: Het ticket kost tien euro.
 ◦ AR: تكلف التذكرة عشرة يورو.
 ◦ EN: The ticket costs ten euros.
B1: Ik koop mijn tickets online om tijd te besparen.
B2: Voor lange reizen is het handig om een retourticket te kopen.

Treinkaartje – Train Ticket – تذكرة القطار

A1: Ik heb een treinkaartje nodig voor Amsterdam.
 ◦ AR: أحتاج إلى تذكرة قطار إلى أمستردام.
 ◦ EN: I need a train ticket to Amsterdam.
A2: Het treinkaartje is geldig voor één dag.
 ◦ AR: تذكرة القطار صالحة ليوم واحد.
 ◦ EN: The train ticket is valid for one day.
B1: Ik bewaar mijn treinkaartje goed zodat ik het niet kwijt raak.
B2: Soms kun je een voordeliger treinkaartje kopen bij vroeg boeken.

Conducteur – Conductor – مراقب التذاكر

A1: De conducteur controleert de kaartjes in de trein.
 ◦ AR: يقوم مراقب التذاكر بفحص التذاكر في القطار.
 ◦ EN: The conductor checks the tickets on the train.
A2: Als je geen kaartje hebt, kan de conducteur een boete geven.
 ◦ AR: إذا لم يكن لديك تذكرة، يمكن لمراقب التذاكر أن يعطيك غرامة.
 ◦ EN: If you don’t have a ticket, the conductor can give you a fine.
B1: De conducteur helpt ook bij vragen tijdens de reis.
B2: Soms is de conducteur verantwoordelijk voor de veiligheid in de trein.

Goederentrein – Freight Train – قطار البضائع

A1: De goederentrein brengt spullen naar andere steden.
 ◦ AR: ينقل قطار البضائع البضائع إلى مدن أخرى.
 ◦ EN: The freight train carries goods to other cities.
A2: Goederentreinen zijn vaak langer dan personen treinen.
 ◦ AR: تكون قطارات البضائع غالبًا أطول من قطارات الركاب.
 ◦ EN: Freight trains are often longer than passenger trains.
B1: Goederentreinen rijden meestal ’s nachts om het spoor vrij te houden.
B2: Het vervoer per goederentrein is milieuvriendelijker dan vrachtwagens.

Detectiepoortjes – Detection Gates – بوابات الكشف

A1: Bij de ingang zijn detectiepoortjes.
 ◦ AR: توجد بوابات كشف عند المدخل.
 ◦ EN: There are detection gates at the entrance.
A2: De detectiepoortjes controleren je kaartje.
 ◦ AR: تتحقق بوابات الكشف من تذكرتك.
 ◦ EN: The detection gates check your ticket.
B1: Soms gaan de detectiepoortjes niet open bij een fout.
B2: Medewerkers kunnen je helpen als de detectiepoortjes niet werken.

Busstation – Bus Station – محطة الحافلات

A1: Het busstation is vlakbij mijn huis.
 ◦ AR: محطة الحافلات بالقرب من بيتي.
 ◦ EN: The bus station is near my house.
A2: Op het busstation wachten veel mensen op de bus.
 ◦ AR: في محطة الحافلات ينتظر الكثير من الناس الحافلة.
 ◦ EN: Many people wait for the bus at the bus station.
B1: Het busstation heeft ook een kiosk en een wachtruimte.
B2: Op het busstation kun je informatie krijgen over vertrektijden.

Treinstation – Train Station – محطة القطار

A1: Ik stap uit op het treinstation.
 ◦ AR: أنزل في محطة القطار.
 ◦ EN: I get off at the train station.
A2: Het treinstation is druk tijdens de ochtendspits.
 ◦ AR: محطة القطار مزدحمة خلال ساعة الذروة الصباحية.
 ◦ EN: The train station is busy during the morning rush hour.
B1: Op het treinstation zijn winkels en cafés.
B2: Het treinstation heeft borden met informatie over treinen.

Bushokje – Bus Shelter – موقف الحافلات

A1: Ik wacht in het bushokje op de bus.
 ◦ AR: أنتظر في موقف الحافلات للحافلة.
 ◦ EN: I wait in the bus shelter for the bus.
A2: Het bushokje beschermt tegen regen en wind.
 ◦ AR: موقف الحافلات يحمي من المطر والرياح.
 ◦ EN: The bus shelter protects against rain and wind.
B1: Soms staat er reclame in het bushokje.
B2: Het bushokje heeft een zitplaats voor ouderen en kinderen.

Mededelingenbord – Notice Board – لوحة الإعلانات

A1: Op het mededelingenbord staat de vertrektijd.
 ◦ AR: على لوحة الإعلانات وقت المغادرة.
 ◦ EN: The notice board shows the departure time.
A2: Ik kijk op het mededelingenbord voor mijn bus.
 ◦ AR: أنظر إلى لوحة الإعلانات للحافلة الخاصة بي.
 ◦ EN: I look at the notice board for my bus.
B1: Het mededelingenbord hangt vaak in het station of op het busstation.
B2: Het mededelingenbord geeft ook informatie over vertragingen.


Winkelen en diensten – Shopping and Services – التسوق والخدمات

Bestellen – Ordering – الطلب

A1: Ik wil graag een koffie bestellen.
 ◦ AR: أريد طلب فنجان قهوة.
 ◦ EN: I would like to order a coffee.
A2: Mag ik de menukaart alstublieft?
 ◦ AR: هل يمكنني الحصول على قائمة الطعام من فضلك؟
 ◦ EN: May I have the menu, please?
B1: Ik wil graag het dagschotel bestellen.
B2: Zou u mij de speciale gerechten kunnen aanbevelen?

Prijzen – Prices – الأسعار

A1: Wat kost deze appel?
 ◦ AR: كم سعر هذه التفاحة؟
 ◦ EN: How much does this apple cost?
A2: Hoeveel kost een kopje thee?
 ◦ AR: كم ثمن فنجان الشاي؟
 ◦ EN: How much is a cup of tea?
B1: Zijn er kortingen voor studenten?
B2: Kunt u mij uitleggen waarom dit product duurder is?

Service – Service – الخدمة

A1: De ober brengt de rekening.
 ◦ AR: النادل يجلب الفاتورة.
 ◦ EN: The waiter brings the bill.
A2: De service was heel vriendelijk.
 ◦ AR: كانت الخدمة ودودة جدًا.
 ◦ EN: The service was very friendly.
B1: Ik wil graag een klacht indienen over de service.
B2: Goede service is belangrijk voor terugkerende klanten.

Menu – Menu – قائمة الطعام

A1: Mag ik het menu alstublieft?
 ◦ AR: هل يمكنني الحصول على قائمة الطعام؟
 ◦ EN: May I have the menu, please?
A2: Is er een vegetarisch menu?
 ◦ AR: هل يوجد قائمة نباتية؟
 ◦ EN: Is there a vegetarian menu?
B1: Ik wil graag de suggesties van de chef proberen.
B2: Kunt u me meer vertellen over de ingrediënten?

Kassa – Cash Register – صندوق الدفع

A1: Ik betaal bij de kassa.
 ◦ AR: أدفع عند صندوق الدفع.
 ◦ EN: I pay at the cash register.
A2: Kan ik ook met pinpas betalen?
 ◦ AR: هل يمكنني الدفع بالبطاقة؟
 ◦ EN: Can I pay by card?
B1: Soms is er een wachtrij bij de kassa.
B2: De kassamedewerker gaf me een bonnetje.

Retourneren – Returning – الإرجاع

A1: Ik wil dit product retourneren.
 ◦ AR: أريد إرجاع هذا المنتج.
 ◦ EN: I want to return this product.
A2: Heeft u het bonnetje nog?
 ◦ AR: هل لديك الإيصال؟
 ◦ EN: Do you still have the receipt?
B1: Het product is beschadigd en ik wil mijn geld terug.
B2: Retourneren kan binnen 14 dagen na aankoop.

Aanbieding – Offer – عرض

A1: Is er een aanbieding voor deze jas?
 ◦ AR: هل هناك عرض على هذه السترة؟
 ◦ EN: Is there an offer on this jacket?
A2: Deze aanbieding geldt alleen vandaag.
 ◦ AR: هذا العرض صالح فقط اليوم.
 ◦ EN: This offer is valid only today.
B1: Ik koop vaak producten in de aanbieding.
B2: Aanbiedingen helpen om geld te besparen.

Verpakking – Packaging – التغليف

A1: Wilt u het in een tas verpakken?
 ◦ AR: هل تريد أن نغلفه في حقيبة؟
 ◦ EN: Would you like it packed in a bag?
A2: Deze verpakking is milieuvriendelijk.
 ◦ AR: هذا التغليف صديق للبيئة.
 ◦ EN: This packaging is environmentally friendly.
B1: Ik heb liever geen plastic verpakking.
B2: Goede verpakking beschermt het product tijdens transport.

Reserveren – Reserving – الحجز

A1: Ik wil een tafel reserveren.
 ◦ AR: أريد حجز طاولة.
 ◦ EN: I want to reserve a table.
A2: Voor hoeveel personen wilt u reserveren?
 ◦ AR: كم عدد الأشخاص للحجز؟
 ◦ EN: For how many people do you want to reserve?
B1: Ik reserveer altijd van tevoren in drukke restaurants.
B2: Reserveren is aan te raden voor het weekend.

Servicekosten – Service Charges – رسوم الخدمة

A1: Zijn de servicekosten inbegrepen?
 ◦ AR: هل رسوم الخدمة متضمنة؟
 ◦ EN: Are the service charges included?
A2: De servicekosten zijn vijf procent.
 ◦ AR: رسوم الخدمة خمسة بالمئة.
 ◦ EN: The service charges are five percent.
B1: Soms worden de servicekosten apart berekend.
B2: Servicekosten verschillen per restaurant.

Klant – Customer – زبون

A1: De klant betaalt aan de kassa.
 ◦ AR: الزبون يدفع عند الصندوق.
 ◦ EN: The customer pays at the register.
A2: De klant is koning in onze winkel.
 ◦ AR: الزبون هو الملك في متجرنا.
 ◦ EN: The customer is king in our store.
B1: Een tevreden klant komt terug.
B2: Klanttevredenheid is belangrijk voor het bedrijf.

Portemonnee – Wallet – محفظة

A1: Ik heb mijn portemonnee vergeten.
 ◦ AR: نسيت محفظتي.
 ◦ EN: I forgot my wallet.
A2: In mijn portemonnee zit geld en pasjes.
 ◦ AR: في محفظتي يوجد نقود وبطاقات.
 ◦ EN: In my wallet are money and cards.
B1: Mijn portemonnee is gestolen.
B2: Zorg dat je portemonnee altijd veilig is.

Korting – Discount – خصم

A1: Is er korting op deze jas?
 ◦ AR: هل هناك خصم على هذه السترة؟
 ◦ EN: Is there a discount on this jacket?
A2: Ik krijg tien procent korting.
 ◦ AR: أحصل على خصم عشرة بالمئة.
 ◦ EN: I get a ten percent discount.
B1: Tijdens de uitverkoop zijn er veel kortingen.
B2: Met een kortingscode betaal je minder.


Gezondheid en lichaam – Health and Body – الصحة والجسم

Symptoom – Symptom – عرض

A1: Ik heb koorts en hoofdpijn.
 ◦ AR: لدي حمى وصداع.
 ◦ EN: I have a fever and headache.
A2: Deze symptomen kunnen op griep wijzen.
 ◦ AR: قد تشير هذه الأعراض إلى الإنفلونزا.
 ◦ EN: These symptoms can indicate the flu.
B1: Het is belangrijk om symptomen goed te herkennen.
B2: Symptomen verschillen per ziekte.

Huisarts – General Practitioner – طبيب الأسرة

A1: Ik ga naar de huisarts.
 ◦ AR: أذهب إلى طبيب الأسرة.
 ◦ EN: I am going to the general practitioner.
A2: De huisarts onderzoekt mijn keel.
 ◦ AR: طبيب الأسرة يفحص حلقى.
 ◦ EN: The general practitioner examines my throat.
B1: De huisarts schrijft medicijnen voor.
B2: Bij ernstige klachten moet je direct de huisarts bellen.

Assistente – Assistant – المساعدة الطبية

A1: De assistente maakt een afspraak voor mij.
 ◦ AR: المساعدة الطبية تحدد لي موعدًا.
 ◦ EN: The assistant makes an appointment for me.
A2: De assistente meet mijn temperatuur.
 ◦ AR: المساعدة الطبية تقيس حرارتي.
 ◦ EN: The assistant measures my temperature.
B1: De assistente helpt bij het onderzoeken van patiënten.
B2: Soms beantwoordt de assistente mijn vragen over de afspraak.

Recept – Prescription – وصفة طبية

A1: De huisarts geeft mij een recept.
 ◦ AR: يعطي طبيب الأسرة لي وصفة طبية.
 ◦ EN: The general practitioner gives me a prescription.
A2: Met het recept haal ik medicijnen bij de apotheek.
 ◦ AR: أستخدم الوصفة الطبية لصرف الدواء من الصيدلية.
 ◦ EN: With the prescription, I get medicine at the pharmacy.
B1: Het recept is geldig voor één maand.
B2: Sommige medicijnen kun je niet zonder recept kopen.

Huisartsenpost – GP Out-of-Hours Service – مركز طبي خارج ساعات العمل

A1: De huisarts is er niet, ik ga naar de huisartsenpost.
 ◦ AR: طبيب الأسرة غير موجود، سأذهب إلى مركز طبي خارج ساعات العمل.
 ◦ EN: The GP is not available, I am going to the out-of-hours service.
A2: Bij spoed kun je de huisartsenpost bellen.
 ◦ AR: في حالة الطوارئ يمكنك الاتصال بمركز طبي خارج ساعات العمل.
 ◦ EN: In an emergency, you can call the out-of-hours service.
B1: De huisartsenpost is ’s avonds en in het weekend open.
B2: De huisartsenpost helpt bij dringende medische problemen.

Bezoekuren – Visiting Hours – أوقات الزيارة

A1: De bezoekuren zijn van drie tot vijf uur.
 ◦ AR: أوقات الزيارة من الثالثة إلى الخامسة.
 ◦ EN: The visiting hours are from three to five o’clock.
A2: Tijdens de bezoekuren mogen familie en vrienden langskomen.
 ◦ AR: خلال أوقات الزيارة يمكن للعائلة والأصدقاء المجيء.
 ◦ EN: During visiting hours, family and friends can visit.
B1: Buiten de bezoekuren mag niemand op bezoek komen.
B2: Bezoekuren verschillen per afdeling in het ziekenhuis.

Spreekuur – Consultation Hour – ساعة الاستشارة

A1: Het spreekuur begint om half tien.
 ◦ AR: تبدأ ساعة الاستشارة في التاسعة والنصف.
 ◦ EN: The consultation hour starts at half past nine.
A2: Ik heb een afspraak voor het spreekuur.
 ◦ AR: لدي موعد لساعة الاستشارة.
 ◦ EN: I have an appointment for the consultation hour.
B1: Tijdens het spreekuur onderzoekt de huisarts patiënten.
B2: Het spreekuur is vaak druk, dus er kunnen wachttijden zijn.

Wachttijd – Waiting Time – وقت الانتظار

A1: De wachttijd is ongeveer vijf minuten.
 ◦ AR: وقت الانتظار حوالي خمس دقائق.
 ◦ EN: The waiting time is about five minutes.
A2: Door de drukte is de wachttijd langer.
 ◦ AR: بسبب الازدحام يكون وقت الانتظار أطول.
 ◦ EN: Because of the rush, the waiting time is longer.
B1: Lange wachttijden kunnen vervelend zijn voor patiënten.
B2: Soms krijg je een belletje als je aan de beurt bent om wachttijd te voorkomen.

Spoeddienst – Emergency Service – خدمة الطوارئ

A1: Bij ernstige klachten ga ik naar de spoeddienst.
 ◦ AR: عند الشكاوى الخطيرة أذهب إلى خدمة الطوارئ.
 ◦ EN: For serious complaints, I go to the emergency service.
A2: De spoeddienst is 24 uur per dag open.
 ◦ AR: خدمة الطوارئ مفتوحة على مدار 24 ساعة.
 ◦ EN: The emergency service is open 24 hours a day.
B1: De spoeddienst behandelt patiënten met spoedeisende hulp.
B2: Soms moet je lang wachten bij de spoeddienst.

112 – Emergency Number – رقم الطوارئ

A1: Bel 112 bij een noodgeval.
 ◦ AR: اتصل بالرقم 112 في حالة الطوارئ.
 ◦ EN: Call 112 in an emergency.
A2: 112 is het algemene noodnummer in Nederland.
 ◦ AR: 112 هو رقم الطوارئ العام في هولندا.
 ◦ EN: 112 is the general emergency number in the Netherlands.
B1: Bij brand of een ernstig ongeluk bel je 112.
B2: 112 verbindt je met politie, ambulance of brandweer.

Noodhulp – Emergency Aid – المساعدة الطارئة

A1: Noodhulp komt snel bij een ongeluk.
 ◦ AR: تصل المساعدة الطارئة بسرعة عند الحادث.
 ◦ EN: Emergency aid arrives quickly at an accident.
A2: De ambulance geeft noodhulp onderweg naar het ziekenhuis.
 ◦ AR: تقدم سيارة الإسعاف المساعدة الطارئة في الطريق إلى المستشفى.
 ◦ EN: The ambulance provides emergency aid on the way to the hospital.
B1: Noodhulp is belangrijk bij levensbedreigende situaties.
B2: Het personeel van de spoeddienst verleent noodhulp.

Medicijn – Medicine – دواء

A1: Ik neem elke dag mijn medicijnen.
 ◦ AR: أتناول دوائي كل يوم.
 ◦ EN: I take my medicine every day.
A2: Dit medicijn helpt tegen hoesten.
 ◦ AR: هذا الدواء يساعد ضد السعال.
 ◦ EN: This medicine helps against coughing.
B1: De apotheek verkoopt medicijnen zonder recept.
B2: Medicijnen moeten volgens voorschrift worden ingenomen.

Koorts – Fever – حمى

A1: Ik heb koorts en voel me ziek.
 ◦ AR: لدي حمى وأشعر بالمرض.
 ◦ EN: I have a fever and feel sick.
A2: Koorts is een teken dat het lichaam vecht tegen een infectie.
 ◦ AR: الحمى علامة على أن الجسم يقاوم عدوى.
 ◦ EN: Fever is a sign the body fights an infection.
B1: Bij hoge koorts moet je naar het ziekenhuis.
B2: Koorts kan gepaard gaan met zweten en rillingen.

Hoofdpijn – Headache – صداع

A1: Ik heb hoofdpijn sinds vanochtend.
 ◦ AR: أعاني من صداع منذ الصباح.
 ◦ EN: I have had a headache since this morning.
A2: Hoofdpijn kan door stress komen.
 ◦ AR: قد يكون الصداع بسبب التوتر.
 ◦ EN: Headache can be caused by stress.
B1: Bij ernstige hoofdpijn moet je een dokter zien.
B2: Hoofdpijn kan ook een symptoom zijn van andere ziekten.

Griep – Flu – إنفلونزا

A1: Ik heb griep en ben moe.
 ◦ AR: أصبت بالإنفلونزا وأنا متعب.
 ◦ EN: I have the flu and I am tired.
A2: Griep begint vaak met koorts en spierpijn.
 ◦ AR: تبدأ الإنفلونزا غالبًا بالحمى وآلام العضلات.
 ◦ EN: Flu often starts with fever and muscle pain.
B1: Griep verspreidt zich gemakkelijk.
B2: Het is belangrijk om goed uit te rusten om sneller van de griep te herstellen.

Ziekenhuis – Hospital – مستشفى

A1: Ik ga naar het ziekenhuis voor onderzoek.
 ◦ AR: أذهب إلى المستشفى للفحص.
 ◦ EN: I am going to the hospital for examination.
A2: Het ziekenhuis heeft een apotheek en een spoedeisende hulp.
 ◦ AR: يحتوي المستشفى على صيدلية وطوارئ.
 ◦ EN: The hospital has a pharmacy and emergency room.
B1: In het ziekenhuis werken veel dokters en verpleegkundigen.
B2: Een ziekenhuisopname is soms noodzakelijk bij ernstige ziekten.

Verband – Bandage – ضمادة

A1: Ik heb een verband om mijn arm.
 ◦ AR: لدي ضمادة على ذراعي.
 ◦ EN: I have a bandage on my arm.
A2: Het verband beschermt de wond.
 ◦ AR: تحمي الضمادة الجرح.
 ◦ EN: The bandage protects the wound.
B1: Een verband moet schoon en droog blijven.
B2: De dokter vervangt het verband regelmatig.


Vrije tijd en ontspanning – Leisure and Relaxation – الترفيه والاسترخاء

Activiteit – Activity – نشاط

A1: Ik doe elke week een sportactiviteit.
 ◦ AR: أقوم بنشاط رياضي كل أسبوع.
 ◦ EN: I do a sports activity every week.
A2: Een leuke activiteit in het park is fietsen.
 ◦ AR: نشاط ممتع في الحديقة هو ركوب الدراجة.
 ◦ EN: A fun activity in the park is cycling.
B1: De activiteiten op het sportfestival zijn voor jong en oud.
B2: Mijn favoriete activiteiten zijn buiten, zoals wandelen en zwemmen.

Vereniging – Club / Association – جمعية

A1: Ik zit in een sportvereniging.
 ◦ AR: أنا عضو في جمعية رياضية.
 ◦ EN: I am a member of a sports club.
A2: In de vereniging leer ik nieuwe mensen kennen.
 ◦ AR: في الجمعية أتعرف على أشخاص جدد.
 ◦ EN: In the club, I meet new people.
B1: De vereniging organiseert ook toernooien en evenementen.
B2: Lid zijn van een vereniging geeft structuur aan mijn vrije tijd.

Toernooi – Tournament – بطولة

A1: Mijn team doet mee aan het toernooi.
 ◦ AR: يشارك فريقي في البطولة.
 ◦ EN: My team participates in the tournament.
A2: Het toernooi duurt drie dagen.
 ◦ AR: تستمر البطولة ثلاثة أيام.
 ◦ EN: The tournament lasts three days.
B1: Tijdens het toernooi spelen we tegen verschillende teams.
B2: Het toernooi is spannend en iedereen doet zijn best.

Hobbyclub – Hobby Club – نادي الهوايات

A1: Ik ga elke week naar de hobbyclub.
 ◦ AR: أذهب إلى نادي الهوايات كل أسبوع.
 ◦ EN: I go to the hobby club every week.
A2: De hobbyclub is een leuke plek om creatief te zijn.
 ◦ AR: نادي الهوايات مكان ممتع للإبداع.
 ◦ EN: The hobby club is a fun place to be creative.
B1: In de hobbyclub leren we verschillende technieken en vaardigheden.
B2: Soms organiseren we exposities om ons werk te laten zien.

Tentoonstelling – Exhibition – معرض

A1: Er is een tentoonstelling in het museum.
 ◦ AR: هناك معرض في المتحف.
 ◦ EN: There is an exhibition in the museum.
A2: De tentoonstelling toont kunst van verschillende kunstenaars.
 ◦ AR: يعرض المعرض فنوناً لفنانين مختلفين.
 ◦ EN: The exhibition shows art by different artists.
B1: De tentoonstelling duurt een maand.
B2: Veel mensen bezoeken de tentoonstelling in hun vrije tijd.

Recreatie – Recreation – الترفيه

A1: Zwemmen is een leuke vorm van recreatie.
 ◦ AR: السباحة شكل ممتع من أشكال الترفيه.
 ◦ EN: Swimming is a fun form of recreation.
A2: Recreatie helpt mij om te ontspannen na het werk.
 ◦ AR: يساعدني الترفيه على الاسترخاء بعد العمل.
 ◦ EN: Recreation helps me relax after work.
B1: Er zijn veel recreatiemogelijkheden in de buurt.
B2: Recreatiegebieden zijn belangrijk voor de gezondheid van mensen.

Belevenis – Experience – تجربة

A1: Het uitje was een mooie belevenis.
 ◦ AR: كانت النزهة تجربة جميلة.
 ◦ EN: The outing was a nice experience.
A2: Ik herinner me die belevenis nog goed.
 ◦ AR: ما زلت أتذكر تلك التجربة جيدًا.
 ◦ EN: I still remember that experience well.
B1: Belevenissen zoals reizen verrijken mijn leven.
B2: Ik deel mijn belevenissen vaak met vrienden en familie.

Vrije tijd – Leisure time – وقت الفراغ

A1: In mijn vrije tijd lees ik boeken.
 ◦ AR: في وقت فراغي أقرأ الكتب.
 ◦ EN: In my leisure time, I read books.
A2: Vrije tijd is belangrijk voor ontspanning.
 ◦ AR: وقت الفراغ مهم للاسترخاء.
 ◦ EN: Leisure time is important for relaxation.
B1: Tijdens mijn vrije tijd ga ik vaak wandelen.
B2: Vrije tijd besteed ik aan mijn hobby’s en familie.

Uitje – Outing – نزهة

A1: We maken een uitje naar het park.
 ◦ AR: نذهب في نزهة إلى الحديقة.
 ◦ EN: We go on an outing to the park.
A2: Het uitje was leuk en zonnig.
 ◦ AR: كانت النزهة ممتعة ومشمسة.
 ◦ EN: The outing was fun and sunny.
B1: Voor een uitje plan ik vaak vooraf.
B2: Uitjes met vrienden zijn altijd gezellig.

Sport – Sport – رياضة

A1: Ik speel voetbal in een team.
 ◦ AR: ألعب كرة القدم في فريق.
 ◦ EN: I play football in a team.
A2: Sport is goed voor de gezondheid.
 ◦ AR: الرياضة جيدة للصحة.
 ◦ EN: Sport is good for health.
B1: Ik train drie keer per week.
B2: Sport helpt om fit te blijven en stress te verminderen.

Hobby – Hobby – هواية

A1: Mijn hobby is schilderen.
 ◦ AR: هوايتي هي الرسم.
 ◦ EN: My hobby is painting.
A2: Ik heb verschillende hobby’s, zoals lezen en fietsen.
 ◦ AR: لدي هوايات مختلفة، مثل القراءة وركوب الدراجة.
 ◦ EN: I have different hobbies, like reading and cycling.
B1: Mijn hobby helpt mij ontspannen na het werk.
B2: Sommige hobby’s worden gedaan in verenigingen of clubs.

Wandelen – Walking – المشي

A1: Ik wandel elke ochtend in het park.
 ◦ AR: أمشي كل صباح في الحديقة.
 ◦ EN: I walk every morning in the park.
A2: Wandelen is een makkelijke sport voor iedereen.
 ◦ AR: المشي رياضة سهلة للجميع.
 ◦ EN: Walking is an easy sport for everyone.
B1: Tijdens het wandelen geniet ik van de natuur.
B2: Wandelen helpt om fit te blijven en de geest te ontspannen.

Filmavond – Movie night – ليلة فيلم

A1: Vanavond hebben we een filmavond thuis.
 ◦ AR: الليلة لدينا ليلة فيلم في المنزل.
 ◦ EN: Tonight we have a movie night at home.
A2: Een filmavond is leuk met vrienden of familie.
 ◦ AR: ليلة الفيلم ممتعة مع الأصدقاء أو العائلة.
 ◦ EN: A movie night is fun with friends or family.
B1: Bij een filmavond maken we vaak popcorn.
B2: Soms huren we een projector voor een groot scherm.

Muziek luisteren – Listening to music – الاستماع إلى الموسيقى

A1: Ik luister graag naar muziek.
 ◦ AR: أحب الاستماع إلى الموسيقى.
 ◦ EN: I like listening to music.
A2: Muziek helpt me ontspannen na een drukke dag.
 ◦ AR: تساعدني الموسيقى على الاسترخاء بعد يوم شاق.
 ◦ EN: Music helps me relax after a busy day.
B1: Ik luister naar verschillende muziekstijlen.
B2: Muziek kan ook helpen bij het leren of sporten.

Vrienden ontmoeten – Meeting friends – مقابلة الأصدقاء

A1: Ik ontmoet mijn vrienden in het café.
 ◦ AR: أقابل أصدقائي في المقهى.
 ◦ EN: I meet my friends in the café.
A2: Vrienden ontmoeten is leuk in het weekend.
 ◦ AR: مقابلة الأصدقاء ممتعة في عطلة نهاية الأسبوع.
 ◦ EN: Meeting friends is fun on weekends.
B1: We plannen vaak samen activiteiten.
B2: Vrienden ontmoeten is belangrijk voor sociale contacten.


Woning en buurt – Housing and Neighborhood – السكن والحي

Omgeving – Environment / Surroundings – البيئة

A1: De omgeving van mijn huis is groen en rustig.
 ◦ AR: بيئة بيتي خضراء وهادئة.
 ◦ EN: The environment around my house is green and quiet.
A2: In de omgeving zijn veel bomen en bloemen.
 ◦ AR: في البيئة هناك الكثير من الأشجار والزهور.
 ◦ EN: In the surroundings, there are many trees and flowers.
B1: De omgeving is geschikt voor kinderen om buiten te spelen.
B2: We houden de omgeving schoon en netjes voor iedereen.

Burenruzie – Neighbor Dispute – نزاع بين الجيران

A1: Soms is er een burenruzie over lawaai.
 ◦ AR: أحيانًا يكون هناك نزاع بين الجيران بسبب الضوضاء.
 ◦ EN: Sometimes there is a neighbor dispute about noise.
A2: Een burenruzie kan snel opgelost worden met een gesprek.
 ◦ AR: يمكن حل نزاع الجيران بسرعة بالحوار.
 ◦ EN: A neighbor dispute can be quickly solved by talking.
B1: Bij een ernstige burenruzie kan de wijkagent helpen.
B2: Goede communicatie voorkomt veel burenruzies.

Buurtfeest – Neighborhood party – حفلة الحي

A1: Er is een buurtfeest in het park.
 ◦ AR: هناك حفلة حي في الحديقة.
 ◦ EN: There is a neighborhood party in the park.
A2: Bij het buurtfeest komen veel mensen samen.
 ◦ AR: في حفلة الحي يجتمع الكثير من الناس.
 ◦ EN: Many people come together at the neighborhood party.
B1: Tijdens het buurtfeest is er muziek, eten en spelletjes.
B2: Het buurtfeest zorgt voor een goede sfeer en contact met de buren.

Wijk – District / Area – منطقة

A1: Mijn huis staat in een rustige wijk.
 ◦ AR: بيتي في منطقة هادئة.
 ◦ EN: My house is in a quiet district.
A2: De wijk heeft een basisschool en een supermarkt.
 ◦ AR: تحتوي المنطقة على مدرسة ابتدائية وسوبرماركت.
 ◦ EN: The district has a primary school and a supermarket.
B1: In de wijk wonen veel gezinnen met kinderen.
B2: De gemeente werkt aan betere voorzieningen in de wijk.

Wijkagent – Community Police Officer – شرطي الحي

A1: De wijkagent helpt bij problemen in de buurt.
 ◦ AR: شرطي الحي يساعد في مشاكل الحي.
 ◦ EN: The community police officer helps with problems in the neighborhood.
A2: Ik spreek regelmatig met de wijkagent over veiligheid.
 ◦ AR: أتحدث بانتظام مع شرطي الحي حول السلامة.
 ◦ EN: I regularly talk to the community police officer about safety.
B1: De wijkagent organiseert ook preventieactiviteiten.
B2: Dankzij de wijkagent voelt de buurt zich veiliger.

Buurthuis – Community Center – مركز الحي

A1: In het buurthuis zijn verschillende activiteiten.
 ◦ AR: في مركز الحي توجد أنشطة مختلفة.
 ◦ EN: There are different activities in the community center.
A2: Het buurthuis is een ontmoetingsplek voor de buurt.
 ◦ AR: مركز الحي مكان لقاء لسكان الحي.
 ◦ EN: The community center is a meeting place for the neighborhood.
B1: In het buurthuis worden cursussen en bijeenkomsten gehouden.
B2: Het buurthuis helpt om contacten tussen buren te versterken.

Woning – Home / House – منزل

A1: Mijn woning is klein maar gezellig.
 ◦ AR: منزلي صغير لكنه مريح.
 ◦ EN: My home is small but cozy.
A2: De woning heeft drie kamers en een tuin.
 ◦ AR: يحتوي المنزل على ثلاث غرف وحديقة.
 ◦ EN: The house has three rooms and a garden.
B1: Onze woning ligt in een rustige buurt.
B2: We zijn net verhuisd naar een nieuwe woning.

Meubel – Furniture – أثاث

A1: Ik heb een grote tafel in mijn woonkamer.
 ◦ AR: لدي طاولة كبيرة في غرفة المعيشة.
 ◦ EN: I have a big table in my living room.
A2: De meubels zijn modern en comfortabel.
 ◦ AR: الأثاث حديث ومريح.
 ◦ EN: The furniture is modern and comfortable.
B1: We hebben nieuwe meubels gekocht voor de keuken.
B2: De meubels passen goed bij de stijl van het huis.

Buur – Neighbor – جار

A1: Mijn buur is vriendelijk.
 ◦ AR: جاري ودود.
 ◦ EN: My neighbor is friendly.
A2: De buren helpen elkaar vaak.
 ◦ AR: الجيران يساعدون بعضهم البعض كثيرًا.
 ◦ EN: The neighbors often help each other.
B1: Onze buren organiseren een buurtfeest.
B2: Goede buren maken de buurt prettig om te wonen.

Buurt – Neighborhood – حي

A1: Mijn buurt is rustig en schoon.
 ◦ AR: حيي هادئ ونظيف.
 ◦ EN: My neighborhood is quiet and clean.
A2: In de buurt zijn winkels en een school.
 ◦ AR: في الحي يوجد محلات ومدرسة.
 ◦ EN: In the neighborhood there are shops and a school.
B1: De buurt heeft veel groene plekken om te wandelen.
B2: De gemeente investeert in het verbeteren van de buurt.

Buurtcentrum – Community Center – مركز الحي

A1: Ik ga vaak naar het buurtcentrum.
 ◦ AR: أذهب كثيرًا إلى مركز الحي.
 ◦ EN: I often go to the community center.
A2: In het buurtcentrum zijn verschillende activiteiten.
 ◦ AR: في مركز الحي توجد أنشطة مختلفة.
 ◦ EN: There are different activities in the community center.
B1: Het buurtcentrum organiseert workshops en bijeenkomsten.
B2: Het buurtcentrum is belangrijk voor sociale contacten in de buurt.

Parkeerplaats – Parking space – مكان وقوف السيارات

A1: Er is een parkeerplaats voor het huis.
 ◦ AR: يوجد مكان لوقوف السيارات أمام المنزل.
 ◦ EN: There is a parking space in front of the house.
A2: De parkeerplaats is vaak vol in de avond.
 ◦ AR: يكون موقف السيارات غالبًا ممتلئًا في المساء.
 ◦ EN: The parking lot is often full in the evening.
B1: Bewoners kunnen een parkeerplaats huren.
B2: In de buurt zijn ook parkeergarages en fietsenstallingen.

Straat – Street – شارع

A1: Mijn huis ligt aan een rustige straat.
 ◦ AR: بيتي يقع في شارع هادئ.
 ◦ EN: My house is on a quiet street.
A2: De straat is schoon en veilig.
 ◦ AR: الشارع نظيف وآمن.
 ◦ EN: The street is clean and safe.
B1: In onze straat wonen vooral gezinnen.
B2: Er zijn plannen om de straat te vernieuwen.

Trap – Stairs – سلم

A1: Ik woon op de tweede verdieping, dus ik gebruik de trap.
 ◦ AR: أعيش في الطابق الثاني، لذلك أستخدم السلم.
 ◦ EN: I live on the second floor, so I use the stairs.
A2: De trap is breed en goed verlicht.
 ◦ AR: السلم واسع ومضاء جيدًا.
 ◦ EN: The stairs are wide and well-lit.
B1: Soms helpt de buurman met zware spullen via de trap.
B2: In ons gebouw is ook een lift naast de trap.

Lift – Elevator – مصعد

A1: Ik neem de lift naar mijn appartement.
 ◦ AR: أستخدم المصعد إلى شقتي.
 ◦ EN: I take the elevator to my apartment.
A2: De lift werkt snel en stil.
 ◦ AR: يعمل المصعد بسرعة وبهدوء.
 ◦ EN: The elevator works fast and quietly.
B1: De lift is handig voor oudere mensen.
B2: Soms is de lift buiten gebruik door onderhoud.

Verwarming – Heating – التدفئة

A1: De verwarming is aan in de winter.
 ◦ AR: التدفئة تعمل في الشتاء.
 ◦ EN: The heating is on in winter.
A2: De verwarming maakt het huis warm en comfortabel.
 ◦ AR: التدفئة تجعل المنزل دافئًا ومريحًا.
 ◦ EN: The heating makes the house warm and comfortable.
B1: We hebben een nieuwe, energiezuinige verwarming geïnstalleerd.
B2: Goede verwarming is belangrijk in koude maanden.

Berging – Storage room – غرفة التخزين

A1: Ik bewaar mijn spullen in de berging.
 ◦ AR: أخزن أشيائي في غرفة التخزين.
 ◦ EN: I keep my things in the storage room.
A2: De berging is klein maar handig voor extra spullen.
 ◦ AR: غرفة التخزين صغيرة لكنها مفيدة للأغراض الإضافية.
 ◦ EN: The storage room is small but useful for extra items.
B1: In de berging staan fietsen en gereedschap.
B2: Soms gebruiken we de berging ook als wasruimte.

Dak – Roof – سقف

A1: Het dak van mijn huis is rood.
 ◦ AR: سقف بيتي أحمر.
 ◦ EN: The roof of my house is red.
A2: Het dak beschermt het huis tegen regen en wind.
 ◦ AR: يحمي السقف المنزل من المطر والرياح.
 ◦ EN: The roof protects the house from rain and wind.
B1: Het dak is onlangs gerepareerd vanwege lekkage.
B2: Een goed dak is belangrijk voor isolatie en warmte.

Vloer – Floor – أرضية

A1: De vloer is gemaakt van hout.
 ◦ AR: الأرضية مصنوعة من الخشب.
 ◦ EN: The floor is made of wood.
A2: De vloer voelt warm aan en is makkelijk schoon te maken.
 ◦ AR: الأرضية دافئة وسهلة التنظيف.
 ◦ EN: The floor feels warm and is easy to clean.
B1: We leggen binnenkort een nieuwe vloer in de woonkamer.
B2: Een goede vloer draagt bij aan het comfort van de woning.

Hek – Fence – سياج

A1: Er staat een hek rondom onze tuin.
 ◦ AR: هناك سياج حول حديقتنا.
 ◦ EN: There is a fence around our garden.
A2: Het hek is van hout en geeft privacy.
 ◦ AR: السياج مصنوع من الخشب ويوفر الخصوصية.
 ◦ EN: The fence is made of wood and provides privacy.
B1: Het hek is onlangs geschilderd en ziet er mooi uit.
B2: Een stevig hek zorgt voor veiligheid en afbakening van het terrein.


Sociale contacten – Social Contacts – العلاقات الاجتماعية

Uitnodiging – Invitation – دعوة

A1: Ik nodig mijn vriend uit voor het feest.
 ◦ AR: أدعو صديقي إلى الحفلة.
 ◦ EN: I invite my friend to the party.
A2: De uitnodiging is per e-mail gestuurd.
 ◦ AR: تم إرسال الدعوة عبر البريد الإلكتروني.
 ◦ EN: The invitation was sent by email.
B1: Ik heb veel uitnodigingen gekregen voor de verjaardag.
B2: Een goede uitnodiging geeft alle belangrijke informatie.

Voorstellen – Introducing – تقديم

A1: Mag ik mij voorstellen? Ik ben Ali.
 ◦ AR: هل لي أن أقدم نفسي؟ أنا علي.
 ◦ EN: May I introduce myself? I am Ali.
A2: Zij stelt haar nieuwe collega voor.
 ◦ AR: هي تقدم زميلها الجديد.
 ◦ EN: She introduces her new colleague.
B1: Tijdens het feest stelde ik veel mensen aan elkaar voor.
B2: Goede voorstellen maken de eerste indruk prettig.

Afspraak – Appointment / Meeting – موعد

A1: Ik heb een afspraak bij de dokter.
 ◦ AR: لدي موعد عند الطبيب.
 ◦ EN: I have an appointment at the doctor’s.
A2: We maken een afspraak voor volgende week.
 ◦ AR: نحدد موعدًا للأسبوع القادم.
 ◦ EN: We make an appointment for next week.
B1: De afspraak is verzet naar donderdagmiddag.
B2: Het is belangrijk om afspraken op tijd te bevestigen.

Afzeggen – Canceling – إلغاء

A1: Ik moet mijn afspraak afzeggen.
 ◦ AR: يجب أن ألغي موعدي.
 ◦ EN: I have to cancel my appointment.
A2: Hij zegt het etentje op omdat hij ziek is.
 ◦ AR: هو يلغي العشاء لأنه مريض.
 ◦ EN: He cancels the dinner because he is ill.
B1: Het is netjes om afspraken op tijd af te zeggen.
B2: Soms moet je een afspraak onverwacht afzeggen.

Bevestigen – Confirming – تأكيد

A1: Kun je de afspraak bevestigen?
 ◦ AR: هل يمكنك تأكيد الموعد؟
 ◦ EN: Can you confirm the appointment?
A2: Ze bevestigt dat ze komt naar het feest.
 ◦ AR: تؤكد أنها ستحضر الحفلة.
 ◦ EN: She confirms that she will come to the party.
B1: Ik stuur een bericht om de afspraak te bevestigen.
B2: Bevestigen van afspraken voorkomt misverstanden.

Kennismaken – To get acquainted – التعارف

A1: Ik wil kennismaken met mijn nieuwe buur.
 ◦ AR: أريد التعرف على جاري الجديد.
 ◦ EN: I want to get acquainted with my new neighbor.
A2: We maakten kennis tijdens het buurtfeest.
 ◦ AR: تعرفنا على بعضنا أثناء حفلة الحي.
 ◦ EN: We got acquainted during the neighborhood party.
B1: Tijdens de introductiebijeenkomst leer je veel nieuwe mensen kennen.
B2: Kennismaken met verschillende culturen verrijkt je leven.

Afspraak maken – To make an appointment – تحديد موعد

A1: Ik bel om een afspraak te maken.
 ◦ AR: أتصل لتحديد موعد.
 ◦ EN: I call to make an appointment.
A2: Ze maken een afspraak voor een gesprek.
 ◦ AR: يحددون موعدًا للمقابلة.
 ◦ EN: They make an appointment for a meeting.
B1: Het is belangrijk om afspraken tijdig te maken en door te geven.
B2: Goede planning helpt om afspraken efficiënt te organiseren.

Samenkomen – To get together – الاجتماع معًا

A1: We komen samen in het park.
 ◦ AR: نلتقي في الحديقة.
 ◦ EN: We get together in the park.
A2: De vrienden komen elke vrijdag samen.
 ◦ AR: يجتمع الأصدقاء كل جمعة.
 ◦ EN: The friends get together every Friday.
B1: Het team komt elke maand samen om projecten te bespreken.
B2: Samenkomen stimuleert samenwerking en begrip binnen groepen.

Afspraak verzetten – To reschedule an appointment – تأجيل الموعد

A1: Ik moet mijn afspraak verzetten.
 ◦ AR: يجب أن أؤجل موعدي.
 ◦ EN: I have to reschedule my appointment.
A2: Hij verzet de afspraak naar volgende week.
 ◦ AR: يؤجل الموعد إلى الأسبوع القادم.
 ◦ EN: He reschedules the appointment to next week.
B1: Door onverwachte omstandigheden moet ik de afspraak verzetten.
B2: Het is professioneel om een afspraak tijdig te verzetten en te communiceren.

Contact houden – To keep in touch – الحفاظ على الاتصال

A1: Ik houd contact met mijn familie.
 ◦ AR: أحافظ على الاتصال مع عائلتي.
 ◦ EN: I keep in touch with my family.
A2: Ze houden contact via e-mail en telefoon.
 ◦ AR: يحافظون على الاتصال عبر البريد الإلكتروني والهاتف.
 ◦ EN: They keep in touch by email and phone.
B1: Het is belangrijk om contact te houden met oude vrienden.
B2: Regelmatig contact houden versterkt persoonlijke en professionele relaties.

Afspreken – To arrange / agree to meet – الاتفاق على اللقاء

A1: We spreken af om koffie te drinken.
 ◦ AR: نتفق على شرب القهوة.
 ◦ EN: We arrange to have coffee.
A2: Ze spreken af om samen te wandelen.
 ◦ AR: يتفقون على التنزه معًا.
 ◦ EN: They agree to go for a walk together.
B1: We spreken af om de details van het project te bespreken.
B2: Afspreken is essentieel voor het succesvol afronden van samenwerkingen.

Gastvrij – Hospitable – ضيافة

A1: Mijn buur is altijd gastvrij.
 ◦ AR: جاري دائمًا مضياف.
 ◦ EN: My neighbor is always hospitable.
A2: Gastvrijheid is belangrijk bij een feestje.
 ◦ AR: الضيافة مهمة في الحفلة.
 ◦ EN: Hospitality is important at a party.
B1: Gastvrijheid draagt bij aan een warme sfeer tijdens bijeenkomsten.
B2: Een gastvrije houding bevordert sociale contacten en relaties.

Afspraak bevestigen – To confirm an appointment – تأكيد الموعد

A1: Ik wil mijn afspraak bevestigen.
 ◦ AR: أريد تأكيد موعدي.
 ◦ EN: I want to confirm my appointment.
A2: Zij bevestigt de afspraak via sms.
 ◦ AR: تؤكد الموعد عبر الرسائل النصية.
 ◦ EN: She confirms the appointment via text message.
B1: Het is beleefd om een afspraak vooraf te bevestigen.
B2: Afspraken bevestigen voorkomt misverstanden en planningproblemen.

Gesprek voeren – To have a conversation – إجراء محادثة

A1: We voeren een gesprek over het weer.
 ◦ AR: نجري محادثة عن الطقس.
 ◦ EN: We have a conversation about the weather.
A2: Tijdens het gesprek leren ze elkaar beter kennen.
 ◦ AR: أثناء المحادثة يتعرفون على بعضهم البعض أكثر.
 ◦ EN: During the conversation, they get to know each other better.
B1: Het voeren van een goed gesprek vraagt om luistervaardigheden.
B2: Constructieve gesprekken verbeteren de samenwerking en relaties.

Afspraken nakomen – To keep appointments / promises – الوفاء بالمواعيد

A1: Ik kom altijd mijn afspraken na.
 ◦ AR: دائمًا ألتزم بمواعيدي.
 ◦ EN: I always keep my appointments.
A2: Het is belangrijk om afspraken na te komen.
 ◦ AR: من المهم الوفاء بالمواعيد.
 ◦ EN: It is important to keep appointments.
B1: Het nakomen van afspraken versterkt vertrouwen en samenwerking.
B2: Professioneel gedrag omvat het consequent nakomen van afspraken en beloften.


Telefoon en communicatie – Phone and Communication – الهاتف والاتصال

Bellen – To call – الاتصال

A1: Ik bel mijn moeder elke dag.
 ◦ AR: أتصل بأمي كل يوم.
 ◦ EN: I call my mother every day.
A2: Hij belt om een afspraak te maken.
 ◦ AR: يتصل لتحديد موعد.
 ◦ EN: He calls to make an appointment.
B1: Tijdens het telefoongesprek bespreekt hij de details.
B2: Het is belangrijk om duidelijk te spreken tijdens het bellen.

Opnemen – To pick up (phone) – الرد على الهاتف

A1: Zij neemt de telefoon op.
 ◦ AR: هي ترد على الهاتف.
 ◦ EN: She picks up the phone.
A2: Ik kan nu niet opnemen, ik bel later terug.
 ◦ AR: لا أستطيع الرد الآن، سأتصل لاحقًا.
 ◦ EN: I cannot pick up now, I will call back later.
B1: Hij neemt snel op als hij de telefoon hoort.
B2: Professioneel opnemen helpt een goede indruk te maken.

Bericht achterlaten – To leave a message – ترك رسالة

A1: Ik laat een bericht achter op het antwoordapparaat.
 ◦ AR: أترك رسالة على جهاز الرد الآلي.
 ◦ EN: I leave a message on the answering machine.
A2: Laat een duidelijk bericht achter met je naam en telefoonnummer.
 ◦ AR: اترك رسالة واضحة مع اسمك ورقم هاتفك.
 ◦ EN: Leave a clear message with your name and phone number.
B1: Het is belangrijk om het bericht kort en duidelijk te houden.
B2: Een professioneel bericht achterlaten vergroot de kans op een snelle reactie.

Verbinding – Connection – الاتصال

A1: De verbinding is slecht.
 ◦ AR: الاتصال سيء.
 ◦ EN: The connection is bad.
A2: Ik heb een goede verbinding met het netwerk.
 ◦ AR: لدي اتصال جيد بالشبكة.
 ◦ EN: I have a good connection with the network.
B1: Soms is de verbinding instabiel bij slecht weer.
B2: Een stabiele verbinding is essentieel voor duidelijke communicatie.

Mobiele telefoon – Mobile phone – الهاتف المحمول

A1: Ik gebruik mijn mobiele telefoon om te bellen.
 ◦ AR: أستخدم هاتفي المحمول للاتصال.
 ◦ EN: I use my mobile phone to call.
A2: Mijn mobiele telefoon is bijna leeg.
 ◦ AR: شحن هاتفي المحمول على وشك النفاد.
 ◦ EN: My mobile phone is almost out of battery.
B1: Veel mensen gebruiken hun mobiele telefoon voor internet.
B2: Mobiele telefoons zijn belangrijk voor zowel werk als privé.

Sms’en – To text – إرسال رسالة نصية

A1: Ik sms mijn vriend een bericht.
 ◦ AR: أرسل رسالة نصية إلى صديقي.
 ◦ EN: I text my friend a message.
A2: Ze sms’en om af te spreken.
 ◦ AR: يرسلون رسائل نصية لتحديد موعد.
 ◦ EN: They text to arrange a meeting.
B1: Sms’en is handig voor korte berichten.
B2: In sommige situaties is sms’en efficiënter dan bellen.

Antwoordapparaat – Answering machine – جهاز الرد الآلي

A1: Ik spreek een bericht in op het antwoordapparaat.
 ◦ AR: أسجل رسالة على جهاز الرد الآلي.
 ◦ EN: I leave a message on the answering machine.
A2: Het antwoordapparaat neemt de telefoon op als ik niet kan.
 ◦ AR: جهاز الرد الآلي يرد على الهاتف عندما لا أستطيع.
 ◦ EN: The answering machine picks up when I cannot.
B1: Het antwoordapparaat helpt om geen oproepen te missen.
B2: Een professioneel antwoordapparaat geeft een goede indruk.

Telefoonnummer – Phone number – رقم الهاتف

A1: Wat is jouw telefoonnummer?
 ◦ AR: ما رقم هاتفك؟
 ◦ EN: What is your phone number?
A2: Ik schrijf het telefoonnummer op een briefje.
 ◦ AR: أكتب رقم الهاتف على ورقة.
 ◦ EN: I write the phone number on a note.
B1: Controleer altijd het telefoonnummer voor je belt.
B2: Het correct doorgeven van het telefoonnummer voorkomt fouten.

Telefoneren – To make a phone call – إجراء مكالمة هاتفية

A1: Ik telefoneer naar mijn vriend.
 ◦ AR: أتصل بصديقي.
 ◦ EN: I make a phone call to my friend.
A2: Telefoneren kost soms meer tijd dan sms’en.
 ◦ AR: إجراء المكالمات أحيانًا يستغرق وقتًا أطول من الرسائل النصية.
 ◦ EN: Making phone calls sometimes takes longer than texting.
B1: Telefoneren is effectief voor belangrijke gesprekken.
B2: Professioneel telefoneren vereist duidelijke communicatie en goede luistervaardigheden.

Spreektempo – Speaking speed – سرعة الكلام

A1: Hij spreekt langzaam aan de telefoon.
 ◦ AR: هو يتحدث ببطء على الهاتف.
 ◦ EN: He speaks slowly on the phone.
A2: Probeer een normaal spreektempo te houden.
 ◦ AR: حاول الحفاظ على سرعة كلام طبيعية.
 ◦ EN: Try to keep a normal speaking speed.
B1: Een goed spreektempo zorgt voor duidelijkheid.
B2: Een aangepast spreektempo helpt misverstanden voorkomen.

Boodschap – Message – رسالة

A1: Ik hoor de boodschap op het antwoordapparaat.
 ◦ AR: أسمع الرسالة على جهاز الرد الآلي.
 ◦ EN: I hear the message on the answering machine.
A2: De boodschap is kort en duidelijk.
 ◦ AR: الرسالة قصيرة وواضحة.
 ◦ EN: The message is short and clear.
B1: Een goede boodschap bevat alle belangrijke informatie.
B2: Het zorgvuldig formuleren van een boodschap voorkomt misverstanden.

Doorschakelen – To forward (calls) – تحويل المكالمات

A1: Ik schakel mijn telefoon door naar een collega.
 ◦ AR: أحول هاتفي إلى زميل.
 ◦ EN: I forward my phone to a colleague.
A2: Doorschakelen gebeurt als ik niet bereikbaar ben.
 ◦ AR: يتم تحويل المكالمات عندما لا أكون متاحًا.
 ◦ EN: Calls are forwarded when I am not available.
B1: Doorschakelen helpt om altijd bereikbaar te blijven.
B2: Professioneel doorschakelen vereist goede afspraken binnen het team.

Opbellen – To call up – الاتصال

A1: Ik bel mijn vriend op.
 ◦ AR: أتصل بصديقي.
 ◦ EN: I call up my friend.
A2: Ze belt haar moeder op voor hulp.
 ◦ AR: تتصل بأمها للمساعدة.
 ◦ EN: She calls her mother for help.
B1: Ik bel op als ik vragen heb.
B2: Opbellen kan een snelle oplossing bieden voor problemen.

Voicemail – Voicemail – البريد الصوتي

A1: Ik luister naar mijn voicemail.
 ◦ AR: أستمع إلى بريدي الصوتي.
 ◦ EN: I listen to my voicemail.
A2: Mijn voicemail zit vol, ik kan geen nieuwe berichten ontvangen.
 ◦ AR: بريدي الصوتي ممتلئ، لا يمكنني استقبال رسائل جديدة.
 ◦ EN: My voicemail is full, I cannot receive new messages.
B1: Het is handig om regelmatig je voicemail te controleren.
B2: Een professionele voicemail begroeting is belangrijk voor klantencontact.

Opnemen – To answer (phone) – الرد

A1: Zij neemt de telefoon op.
 ◦ AR: هي ترد على الهاتف.
 ◦ EN: She answers the phone.
A2: Als ik niet kan opnemen, krijg je mijn voicemail.
 ◦ AR: إذا لم أتمكن من الرد، ستحصل على بريدي الصوتي.
 ◦ EN: If I cannot answer, you will get my voicemail.
B1: Opnemen binnen drie keer overgaan is beleefd.
B2: Professioneel opnemen zorgt voor een goede eerste indruk.


Kleding en uiterlijk – Clothing and Appearance – الملابس والمظهر

Spijkerbroek – Jeans – جينز

A1: Ik draag een spijkerbroek.
 ◦ AR: أرتدي بنطال جينز.
 ◦ EN: I am wearing jeans.
A2: Mijn spijkerbroek zit lekker en is donkerblauw.
 ◦ AR: بنطالي الجينز مريح ولونه أزرق داكن.
 ◦ EN: My jeans are comfortable and dark blue.
B1: Hij koopt liever een spijkerbroek met rechte pijpen.
B2: Spijkerbroeken passen bij veel stijlen en zijn altijd in de mode.

Trui – Sweater – سترة صوفية

A1: Ik trek een trui aan.
 ◦ AR: أرتدي سترة صوفية.
 ◦ EN: I put on a sweater.
A2: In de winter draag ik een warme wollen trui.
 ◦ AR: في الشتاء أرتدي سترة صوفية دافئة.
 ◦ EN: In winter, I wear a warm wool sweater.
B1: Deze trui heeft een hoge kraag en lange mouwen.
B2: Een wollen trui is ideaal voor koude dagen en ziet er netjes uit.

Gestreept – Striped – مخطط

A1: Mijn shirt is gestreept.
 ◦ AR: قميصي مخطط.
 ◦ EN: My shirt is striped.
A2: Zij draagt een rood-wit gestreepte jurk.
 ◦ AR: ترتدي فستانًا مخططًا بالأحمر والأبيض.
 ◦ EN: She is wearing a red and white striped dress.
B1: Gestreepte kleding valt goed op in een menigte.
B2: Een subtiel gestreept patroon geeft een nette uitstraling.

Netjes – Neat – أنيق

A1: Hij ziet er netjes uit.
 ◦ AR: يبدو أنيقًا.
 ◦ EN: He looks neat.
A2: Voor een sollicitatie draag ik nette kleding.
 ◦ AR: أرتدي ملابس أنيقة لمقابلة العمل.
 ◦ EN: I wear neat clothes for a job interview.
B1: Netjes gekleed zijn is belangrijk op formele gelegenheden.
B2: Je kleding bepaalt vaak de eerste indruk die je maakt.

Uitgedost – Dressed up – متأنق

A1: Zij is mooi uitgedost voor het feest.
 ◦ AR: هي متأنقة للحفل.
 ◦ EN: She is dressed up for the party.
A2: Iedereen was feestelijk uitgedost op de bruiloft.
 ◦ AR: كان الجميع متأنقين في العرس.
 ◦ EN: Everyone was dressed up at the wedding.
B1: Je hoeft je niet uit te dossen voor een informele bijeenkomst.
B2: Soms voel je je ongemakkelijk als je té uitgedost bent.

Kledingstijl – Clothing style – أسلوب الملابس

A1: Zij heeft een leuke kledingstijl.
 ◦ AR: لديها أسلوب ملابس جميل.
 ◦ EN: She has a nice clothing style.
A2: Mijn kledingstijl is casual en sportief.
 ◦ AR: أسلوب ملابسي عادي ورياضي.
 ◦ EN: My clothing style is casual and sporty.
B1: Je kledingstijl zegt iets over je persoonlijkheid.
B2: In sommige beroepen is een formele kledingstijl vereist.

Accessoires – Accessories – الإكسسوارات

A1: Ik draag een horloge als accessoire.
 ◦ AR: أرتدي ساعة كإكسسوار.
 ◦ EN: I wear a watch as an accessory.
A2: Haar tas en sjaal zijn mooie accessoires.
 ◦ AR: حقيبتها ووشاحها إكسسوارات جميلة.
 ◦ EN: Her bag and scarf are nice accessories.
B1: Accessoires maken je outfit compleet.
B2: Subtiele accessoires geven een elegante uitstraling.

Dashiki – Dashiki (Afrikaans kledingstuk) – دشكي

A1: Hij draagt een dashiki met mooie kleuren.
 ◦ AR: يرتدي دشكي بألوان جميلة.
 ◦ EN: He is wearing a dashiki with nice colors.
A2: De dashiki is los en comfortabel.
 ◦ AR: الدشكي فضفاض ومريح.
 ◦ EN: The dashiki is loose and comfortable.
B1: In veel Afrikaanse landen is de dashiki populaire feestkleding.
B2: De dashiki wordt vaak gedragen bij culturele evenementen en vieringen.

Oogopslag – Appearance at first glance – المظهر للوهلة الأولى

A1: Hij ziet er vriendelijk uit bij eerste oogopslag.
 ◦ AR: يبدو ودودًا من النظرة الأولى.
 ◦ EN: He looks friendly at first glance.
A2: De oogopslag van haar kleding is stijlvol.
 ◦ AR: مظهر ملابسها أنيق من الوهلة الأولى.
 ◦ EN: The appearance of her clothing is stylish at first glance.
B1: Je oogopslag speelt een rol in hoe mensen je beoordelen.
B2: Een verzorgde oogopslag kan helpen bij sollicitaties en presentaties.

Gekleed – Dressed – مرتدٍ

A1: Ik ben gekleed in een blauwe jas.
 ◦ AR: أنا مرتدٍ معطفًا أزرق.
 ◦ EN: I am dressed in a blue coat.
A2: Hij is netjes gekleed voor het diner.
 ◦ AR: هو مرتدٍ ملابس أنيقة للعشاء.
 ◦ EN: He is neatly dressed for dinner.
B1: Gekleed gaan volgens de gelegenheid is belangrijk.
B2: Goed gekleed zijn geeft vaak meer zelfvertrouwen.

Kledingmaat – Clothing size – مقاس الملابس

A1: Mijn kledingmaat is medium.
 ◦ AR: مقاس ملابسي متوسط.
 ◦ EN: My clothing size is medium.
A2: Ik zoek een broek in maat 40.
 ◦ AR: أبحث عن بنطال بمقاس 40.
 ◦ EN: I am looking for pants in size 40.
B1: De juiste kledingmaat zorgt voor draagcomfort.
B2: Maten kunnen verschillen per merk en stijl.

Abaya – Abaya – عباءة

A1: Zij draagt een abaya.
 ◦ AR: ترتدي عباءة.
 ◦ EN: She is wearing an abaya.
A2: De abaya is een lange zwarte jurk.
 ◦ AR: العباءة فستان طويل أسود.
 ◦ EN: The abaya is a long black dress.
B1: In veel Arabische landen is de abaya dagelijkse kleding.
B2: De abaya kan modern zijn met borduursels en patronen.

Sieraad – Piece of jewelry – قطعة مجوهرات

A1: Zij draagt een mooi sieraad.
 ◦ AR: ترتدي قطعة مجوهرات جميلة.
 ◦ EN: She wears a beautiful piece of jewelry.
A2: De ketting is haar favoriete sieraad.
 ◦ AR: العقد هو قطعة المجوهرات المفضلة لديها.
 ◦ EN: The necklace is her favorite piece of jewelry.
B1: Sieraden maken je outfit persoonlijker.
B2: Bij officiële gelegenheden kies ik voor eenvoudige sieraden.

Stof – Fabric – القماش

A1: De stof van deze jas is zacht.
 ◦ AR: قماش هذا المعطف ناعم.
 ◦ EN: The fabric of this coat is soft.
A2: Deze jurk is gemaakt van lichte stof.
 ◦ AR: هذا الفستان مصنوع من قماش خفيف.
 ◦ EN: This dress is made of light fabric.
B1: Kleding van natuurlijke stof ademt beter.
B2: Bij warme dagen draag ik kleding van ademende stoffen.

Aantrekken – To put on – ارتداء

A1: Ik trek mijn schoenen aan.
 ◦ AR: أرتدي حذائي.
 ◦ EN: I put on my shoes.
A2: In de ochtend trek ik snel mijn jas aan.
 ◦ AR: في الصباح أرتدي معطفي بسرعة.
 ◦ EN: In the morning, I quickly put on my coat.
B1: Hij trekt zijn nette overhemd aan voor het diner.
B2: Bij formele gelegenheden trek ik een pak aan.

Mode – Fashion – الموضة

A1: Zij houdt van mode.
 ◦ AR: هي تحب الموضة.
 ◦ EN: She likes fashion.
A2: Mode verandert elk seizoen.
 ◦ AR: الموضة تتغير كل موسم.
 ◦ EN: Fashion changes every season.
B1: Hij volgt de laatste modetrends.
B2: Mode is een manier om jezelf uit te drukken.

Schoeisel – Footwear – الأحذية

A1: Ik koop nieuw schoeisel.
 ◦ AR: أشتري حذاءً جديدًا.
 ◦ EN: I buy new footwear.
A2: Voor wandelen heb je stevig schoeisel nodig.
 ◦ AR: للمشي تحتاج إلى أحذية متينة.
 ◦ EN: For walking, you need sturdy footwear.
B1: Goed schoeisel voorkomt voetproblemen.
B2: Bij elke gelegenheid past ander schoeisel.

Boubou – Boubou – البوبو

A1: Hij draagt een boubou.
 ◦ AR: يرتدي بوبو.
 ◦ EN: He is wearing a boubou.
A2: De boubou is een traditionele Afrikaanse kleding.
 ◦ AR: البوبو لباس تقليدي إفريقي.
 ◦ EN: The boubou is traditional African clothing.
B1: In veel West-Afrikaanse landen wordt een boubou bij feestdagen gedragen.
B2: Een kleurrijke boubou laat vaak culturele trots zien.

Kente – Kente – قماش كنتي

A1: Dit is een kente-stof.
 ◦ AR: هذا قماش كنتي.
 ◦ EN: This is kente fabric.
A2: Kente komt uit Ghana en heeft felle kleuren.
 ◦ AR: كنتي تأتي من غانا وتتميز بألوان زاهية.
 ◦ EN: Kente comes from Ghana and has bright colors.
B1: Kente wordt vaak met de hand geweven voor speciale gelegenheden.
B2: De patronen van kente hebben elk een symbolische betekenis.

Djellaba – Djellaba – جلابة

A1: Ik zie een man in een djellaba.
 ◦ AR: أرى رجلاً يرتدي جلابة.
 ◦ EN: I see a man in a djellaba.
A2: De djellaba is een lange jas uit Marokko.
 ◦ AR: الجلابة معطف طويل من المغرب.
 ◦ EN: The djellaba is a long coat from Morocco.
B1: Veel mensen dragen een djellaba tijdens religieuze feesten.
B2: De djellaba is zowel praktisch als traditioneel.

Keffiyeh – Keffiyeh (hoofddoek voor mannen) – كوفية

A1: Hij draagt een keffiyeh op zijn hoofd.
 ◦ AR: يرتدي كوفية على رأسه.
 ◦ EN: He is wearing a keffiyeh on his head.
A2: De keffiyeh is rood-wit en beschermt tegen de zon.
 ◦ AR: الكوفية حمراء وبيضاء وتحمي من الشمس.
 ◦ EN: The keffiyeh is red and white and protects from the sun.
B1: De keffiyeh is een traditioneel Arabisch kledingstuk met een praktische functie.
B2: Naast bescherming is de keffiyeh ook een symbool van culturele identiteit.


Weer en natuur – Weather and Nature – الطقس والطبيعة

Onweer – Thunderstorm – عاصفة رعدية

A1: Er is onweer.
 ◦ AR: هناك عاصفة رعدية.
 ◦ EN: There is a thunderstorm.
A2: Tijdens het onweer blijf ik binnen.
 ◦ AR: أثناء العاصفة الرعدية أبقى في الداخل.
 ◦ EN: During the thunderstorm, I stay inside.
B1: Onweer met bliksem is soms gevaarlijk.
B2: Bij zwaar onweer kan de stroom uitvallen.


Storm – Storm – عاصفة

A1: Het is stormachtig weer.
 ◦ AR: الطقس عاصف.
 ◦ EN: It is stormy weather.
A2: De storm waait bomen om.
 ◦ AR: العاصفة تقتلع الأشجار.
 ◦ EN: The storm blows over trees.
B1: Door de storm zijn vluchten geannuleerd.
B2: De storm veroorzaakte schade aan huizen en daken.


Vorst – Frost – صقيع

A1: Er is vorst vannacht.
 ◦ AR: يوجد صقيع الليلة.
 ◦ EN: There is frost tonight.
A2: Door de vorst zijn de wegen glad.
 ◦ AR: بسبب الصقيع، الطرق زلقة.
 ◦ EN: Because of the frost, the roads are slippery.
B1: Vorst kan gevaarlijk zijn voor jonge planten.
B2: Strenge vorst komt vooral voor in de winter.


Nevel – Mist/Haze – ضباب خفيف

A1: Er hangt nevel in de lucht.
 ◦ AR: هناك ضباب خفيف في الجو.
 ◦ EN: There is haze in the air.
A2: In de ochtend is er vaak nevel boven de velden.
 ◦ AR: في الصباح، يوجد ضباب فوق الحقول.
 ◦ EN: In the morning, there is often haze above the fields.
B1: Nevel maakt het uitzicht wazig.
B2: Nevel ontstaat bij koude nachten en vochtige lucht.


Zonnig – Sunny – مشمس

A1: Het is zonnig vandaag.
 ◦ AR: الطقس مشمس اليوم.
 ◦ EN: It is sunny today.
A2: We gaan wandelen want het is zonnig.
 ◦ AR: سنذهب للمشي لأن الطقس مشمس.
 ◦ EN: We will go for a walk because it is sunny.
B1: Zonnig weer verbetert vaak je humeur.
B2: Op zonnige dagen gebruik ik zonnebrandcrème.


Wisselvallig – Unstable (weather) – غير مستقر

A1: Het weer is wisselvallig.
 ◦ AR: الطقس غير مستقر.
 ◦ EN: The weather is changeable.
A2: In de lente is het vaak wisselvallig.
 ◦ AR: في الربيع يكون الطقس متقلبًا غالبًا.
 ◦ EN: In spring, the weather is often changeable.
B1: Wisselvallig weer maakt plannen lastig.
B2: Bij wisselvallig weer neem ik altijd een jas mee.


Seizoen – Season – فصل

A1: De zomer is mijn favoriete seizoen.
 ◦ AR: الصيف فصلي المفضل.
 ◦ EN: Summer is my favorite season.
A2: Elk seizoen heeft ander weer.
 ◦ AR: كل فصل له طقس مختلف.
 ◦ EN: Every season has different weather.
B1: De herfst is een kleurrijk seizoen.
B2: In sommige landen zijn de seizoenen minder duidelijk.


Natuurramp – Natural disaster – كارثة طبيعية

A1: Een storm kan een natuurramp zijn.
 ◦ AR: العاصفة قد تكون كارثة طبيعية.
 ◦ EN: A storm can be a natural disaster.
A2: Overstromingen zijn gevaarlijke natuurrampen.
 ◦ AR: الفيضانات كوارث طبيعية خطيرة.
 ◦ EN: Floods are dangerous natural disasters.
B1: Natuurrampen veroorzaken vaak veel schade.
B2: Bij een natuurramp is snelle hulp nodig.


Natuurgebied – Nature reserve – محمية طبيعية

A1: Wij wandelen in een natuurgebied.
 ◦ AR: نمشي في محمية طبيعية.
 ◦ EN: We are walking in a nature reserve.
A2: Een natuurgebied is belangrijk voor dieren en planten.
 ◦ AR: المحمية الطبيعية مهمة للحيوانات والنباتات.
 ◦ EN: A nature reserve is important for animals and plants.
B1: In natuurgebieden mag je vaak niet fietsen.
B2: Bescherming van natuurgebieden is belangrijk voor het milieu.


Regenbui – Rain shower – زخة مطر

A1: Er komt een regenbui aan.
 ◦ AR: هناك زخة مطر قادمة.
 ◦ EN: A rain shower is coming.
A2: Na de regenbui klaart het op.
 ◦ AR: بعد الزخة يصبح الجو صافياً.
 ◦ EN: After the rain shower, it clears up.
B1: Regenbuien kunnen plotseling ontstaan.
B2: In de zomer zijn er vaak korte, heftige regenbuien.


Windkracht – Wind force – شدة الرياح

A1: De windkracht is hoog.
 ◦ AR: شدة الرياح عالية.
 ◦ EN: The wind force is high.
A2: Bij windkracht 8 blijft iedereen binnen.
 ◦ AR: عند شدة رياح 8، يبقى الجميع في الداخل.
 ◦ EN: With wind force 8, everyone stays inside.
B1: De windkracht bepaalt hoe hard het waait.
B2: Schepen moeten rekening houden met de windkracht.


Smeltwater – Meltwater – مياه الذوبان

A1: Het ijs smelt en geeft smeltwater.
 ◦ AR: الجليد يذوب ويعطي مياه الذوبان.
 ◦ EN: The ice melts and gives meltwater.
A2: In de lente komt veel smeltwater van de bergen.
 ◦ AR: في الربيع يأتي الكثير من مياه الذوبان من الجبال.
 ◦ EN: In spring, lots of meltwater comes from the mountains.
B1: Smeltwater kan rivieren laten stijgen.
B2: Te veel smeltwater kan overstromingen veroorzaken.


Natuurschoon – Natural beauty – جمال الطبيعة

A1: Dit gebied heeft veel natuurschoon.
 ◦ AR: هذه المنطقة فيها جمال طبيعي كثير.
 ◦ EN: This area has lots of natural beauty.
A2: Toeristen komen voor het natuurschoon van de Alpen.
 ◦ AR: يأتي السياح من أجل جمال الطبيعة في الألب.
 ◦ EN: Tourists come for the natural beauty of the Alps.
B1: Natuurschoon trekt wandelaars en fotografen aan.
B2: Bescherming van natuurschoon is belangrijk voor de toekomst.


Klimaat – Climate – المناخ

A1: Het klimaat is warm.
 ◦ AR: المناخ دافئ.
 ◦ EN: The climate is warm.
A2: In Nederland is het klimaat gematigd.
 ◦ AR: في هولندا، المناخ معتدل.
 ◦ EN: The climate in the Netherlands is moderate.
B1: Het klimaat verandert door de opwarming van de aarde.
B2: Klimaatverandering zorgt voor extremer weer.


Hittegolf – Heatwave – موجة حر

A1: Er is een hittegolf.
 ◦ AR: هناك موجة حر.
 ◦ EN: There is a heatwave.
A2: Tijdens een hittegolf moet je veel water drinken.
 ◦ AR: أثناء موجة الحر، يجب شرب الكثير من الماء.
 ◦ EN: During a heatwave, you should drink a lot of water.
B1: Ouderen hebben het zwaar bij een hittegolf.
B2: Hittegolven komen steeds vaker voor door klimaatverandering.


Eten en drinken – Food and Drink – الطعام والشراب

Voorgerecht – Starter – مقبلات

A1: Ik kies een voorgerecht.
 ◦ AR: أختار مقبلات.
 ◦ EN: I choose a starter.
A2: Het voorgerecht is soep met brood.
 ◦ AR: المقبلات هي شوربة مع خبز.
 ◦ EN: The starter is soup with bread.
B1: Ik neem liever een licht voorgerecht.
B2: In dit restaurant zijn de voorgerechten erg verfijnd.


Hoofdgerecht – Main course – الطبق الرئيسي

A1: Ik bestel het hoofdgerecht.
 ◦ AR: أطلب الطبق الرئيسي.
 ◦ EN: I order the main course.
A2: Het hoofdgerecht is kip met rijst.
 ◦ AR: الطبق الرئيسي هو دجاج مع أرز.
 ◦ EN: The main course is chicken with rice.
B1: Het hoofdgerecht bevat veel groenten.
B2: De chef bereidt het hoofdgerecht met verse kruiden.


Nagerecht – Dessert – الحلوى

A1: Ik neem een nagerecht.
 ◦ AR: آخذ حلوى.
 ◦ EN: I take a dessert.
A2: Mijn nagerecht is chocolademousse.
 ◦ AR: الحلوى عندي موس الشوكولاتة.
 ◦ EN: My dessert is chocolate mousse.
B1: Het nagerecht is zoet en luchtig.
B2: Ze serveren het nagerecht met vers fruit.


Vegetarisch – Vegetarian – نباتي

A1: Ik eet vegetarisch.
 ◦ AR: أنا آكل نباتي.
 ◦ EN: I eat vegetarian.
A2: Dit menu is helemaal vegetarisch.
 ◦ AR: هذه القائمة نباتية بالكامل.
 ◦ EN: This menu is completely vegetarian.
B1: Mijn vriendin eet vegetarisch vanwege haar gezondheid.
B2: Steeds meer mensen kiezen voor een vegetarisch dieet.


Glutenvrij – Gluten-free – خالٍ من الغلوتين

A1: Dit brood is glutenvrij.
 ◦ AR: هذا الخبز خالٍ من الغلوتين.
 ◦ EN: This bread is gluten-free.
A2: Ik eet glutenvrij omdat ik allergisch ben.
 ◦ AR: آكل خالٍ من الغلوتين لأني أعاني من حساسية.
 ◦ EN: I eat gluten-free because I am allergic.
B1: Glutenvrij eten is soms lastig in een restaurant.
B2: De kok maakt ook glutenvrije pasta op verzoek.


Drankkaart – Drinks menu – قائمة المشروبات

A1: Ik vraag om de drankkaart.
 ◦ AR: أطلب قائمة المشروبات.
 ◦ EN: I ask for the drinks menu.
A2: De drankkaart heeft wijn, bier en fris.
 ◦ AR: تحتوي القائمة على نبيذ وبيرة ومشروبات غازية.
 ◦ EN: The drinks menu has wine, beer, and soft drinks.
B1: Op de drankkaart staan ook alcoholvrije cocktails.
B2: De drankkaart is aangepast aan het seizoen.


Bestek – Cutlery – أدوات المائدة

A1: Ik heb bestek nodig.
 ◦ AR: أحتاج إلى أدوات المائدة.
 ◦ EN: I need cutlery.
A2: Het bestek ligt naast het bord.
 ◦ AR: أدوات المائدة بجانب الطبق.
 ◦ EN: The cutlery is next to the plate.
B1: Het bestek wordt na elk gerecht vervangen.
B2: In luxe restaurants wordt het bestek per gang klaargelegd.


Voedselallergie – Food allergy – حساسية الطعام

A1: Ik heb een voedselallergie.
 ◦ AR: لدي حساسية من الطعام.
 ◦ EN: I have a food allergy.
A2: Ik mag geen noten vanwege mijn allergie.
 ◦ AR: لا يجوز لي أكل المكسرات بسبب الحساسية.
 ◦ EN: I can’t eat nuts due to my allergy.
B1: Geef altijd je voedselallergie door in een restaurant.
B2: Een voedselallergie kan levensgevaarlijk zijn.


Proeven – To taste – يتذوق

A1: Mag ik dit proeven?
 ◦ AR: هل يمكنني تذوق هذا؟
 ◦ EN: Can I taste this?
A2: Ik wil de soep eerst proeven.
 ◦ AR: أريد تذوق الحساء أولاً.
 ◦ EN: I want to taste the soup first.
B1: Je mag altijd proeven voor je iets koopt.
B2: De sommelier laat ons de wijn eerst proeven.


Pittig – Spicy – حار

A1: Het eten is pittig.
 ◦ AR: الطعام حار.
 ◦ EN: The food is spicy.
A2: Ik hou niet van pittig eten.
 ◦ AR: لا أحب الطعام الحار.
 ◦ EN: I don’t like spicy food.
B1: Pittige gerechten zijn populair in India.
B2: Ze gebruiken veel kruiden om het gerecht pittig te maken.


Portie – Portion – حصة

A1: De portie is groot.
 ◦ AR: الحصة كبيرة.
 ◦ EN: The portion is large.
A2: Ik wil een kleine portie friet.
 ◦ AR: أريد حصة صغيرة من البطاطا.
 ◦ EN: I want a small portion of fries.
B1: In sommige landen zijn porties erg ruim.
B2: Een gezonde portie helpt tegen overeten.


Gang – Course (meal) – طبق

A1: We krijgen drie gangen.
 ◦ AR: نحصل على ثلاث أطباق.
 ◦ EN: We get three courses.
A2: De eerste gang is soep.
 ◦ AR: الطبق الأول هو الحساء.
 ◦ EN: The first course is soup.
B1: Een gang bestaat uit één gerecht.
B2: In een luxe diner krijg je vaak vijf gangen.


Smaken – Flavours – النكهات

A1: Dit eten heeft veel smaken.
 ◦ AR: هذا الطعام يحتوي على نكهات كثيرة.
 ◦ EN: This food has many flavours.
A2: Ik proef zoete en zure smaken.
 ◦ AR: أتذوق نكهات حلوة وحامضة.
 ◦ EN: I taste sweet and sour flavours.
B1: De smaken zijn goed in balans.
B2: In de Aziatische keuken mengen ze vaak verschillende smaken.


Reservatie – Reservation – حجز

A1: Ik heb een reservatie.
 ◦ AR: لدي حجز.
 ◦ EN: I have a reservation.
A2: We maken een reservatie voor vier personen.
 ◦ AR: نقوم بحجز لأربعة أشخاص.
 ◦ EN: We make a reservation for four people.
B1: Je hebt meestal een reservatie nodig in het weekend.
B2: De reservatie werd per e-mail bevestigd.


Bedieningsgeld – Service charge – رسوم الخدمة

A1: Is het bedieningsgeld inbegrepen bij de prijs?
 ◦ AR: هل رسوم الخدمة مشمولة؟
 ◦ EN: Is the service charge included?
A2: Soms betaal je extra bedieningsgeld in het buitenland.
 ◦ AR: أحيانًا تدفع رسوم خدمة إضافية في الخارج.
 ◦ EN: Sometimes you pay extra service charge abroad.
B1: In Nederland is het bedieningsgeld meestal al in de prijs inbegrepen.
B2: In andere landen wordt het bedieningsgeld soms apart op de rekening gezet.


Fooi – Tip – بقشيش

A1: Geef jij een fooi?
 ◦ AR: هل تعطي بقشيشًا؟
 ◦ EN: Do you give a tip?
A2: In Nederland is een fooi niet verplicht.
 ◦ AR: في هولندا، البقشيش ليس إلزاميًا.
 ◦ EN: In the Netherlands, a tip is not required.
B1: Een kleine fooi is gebruikelijk als je tevreden bent over de service.
B2: Bij goede service of in een restaurant geven mensen vaak een fooi van tien procent.


Feestdagen en tradities – Holidays and Traditions – الأعياد والتقاليد

Nationale feestdag – National holiday – عطلة وطنية

A1: Vandaag is het een nationale feestdag.
 ◦ AR: اليوم عطلة وطنية.
 ◦ EN: Today is a national holiday.
A2: Op de nationale feestdag zijn de scholen dicht.
 ◦ AR: في العطلة الوطنية تكون المدارس مغلقة.
 ◦ EN: Schools are closed on the national holiday.
B1: Elke land heeft zijn eigen nationale feestdag.
B2: De nationale feestdag wordt vaak gevierd met optochten en vuurwerk.


Traditie – Tradition – تقليد

A1: We hebben een familie traditie.
 ◦ AR: لدينا تقليد عائلي.
 ◦ EN: We have a family tradition.
A2: Het is traditie om samen te eten.
 ◦ AR: من التقليد أن نأكل معًا.
 ◦ EN: It is tradition to eat together.
B1: Sommige tradities veranderen met de tijd.
B2: Traditionele gewoontes verschillen per regio en cultuur.


Cadeautje – Gift – هدية

A1: Ik geef een cadeautje.
 ◦ AR: أُقدِّم هدية.
 ◦ EN: I give a gift.
A2: Met Kerst krijgen kinderen cadeautjes.
 ◦ AR: في عيد الميلاد يحصل الأطفال على هدايا.
 ◦ EN: Children get gifts at Christmas.
B1: Cadeautjes geven hoort bij verjaardagen en feesten.
B2: In sommige culturen zijn cadeautjes een belangrijk symbool van respect.


Oliebollen – Dutch doughnuts – كرات العجين المقلية الهولندية

A1: Ik eet oliebollen met oud en nieuw.
 ◦ AR: آكل كرات العجين المقلية في رأس السنة.
 ◦ EN: I eat oliebollen on New Year’s Eve.
A2: Oliebollen zijn een Nederlandse traditie.
 ◦ AR: كرات العجين المقلية تقليد هولندي.
 ◦ EN: Oliebollen are a Dutch tradition.
B1: Oliebollen worden meestal buiten verkocht in december.
B2: Ze worden vaak vers gebakken met poedersuiker erop.


Ramadan – Ramadan – رمضان

A1: Tijdens de ramadan vast ik.
 ◦ AR: في رمضان، أصوم.
 ◦ EN: During Ramadan, I fast.
A2: In de ramadan eten we na zonsondergang.
 ◦ AR: في رمضان، نأكل بعد غروب الشمس.
 ◦ EN: In Ramadan, we eat after sunset.
B1: De ramadan is een belangrijke maand voor moslims.
B2: Ramadan draait niet alleen om vasten, maar ook om bezinning en saamhorigheid.


Suikerfeest – Eid al-Fitr – عيد الفطر

A1: We vieren het Suikerfeest.
 ◦ AR: نحتفل بعيد الفطر.
 ◦ EN: We celebrate Eid al-Fitr.
A2: Met het Suikerfeest dragen we mooie kleren.
 ◦ AR: نرتدي ملابس جميلة في عيد الفطر.
 ◦ EN: We wear nice clothes for Eid al-Fitr.
B1: Het Suikerfeest is een feest na de ramadan.
B2: Families komen samen, bidden en geven elkaar cadeaus.


Vuurwerk – Fireworks – ألعاب نارية

A1: Ik zie vuurwerk.
 ◦ AR: أرى ألعابًا نارية.
 ◦ EN: I see fireworks.
A2: Met oud en nieuw is er veel vuurwerk.
 ◦ AR: في رأس السنة الجديدة يوجد الكثير من الألعاب النارية.
 ◦ EN: There is a lot of fireworks on New Year’s Eve.
B1: Vuurwerk is mooi, maar ook gevaarlijk.
B2: Sommige steden verbieden vuurwerk vanwege de veiligheid.


Nieuwjaar – New Year – رأس السنة

A1: Gelukkig nieuwjaar!
 ◦ AR: سنة جديدة سعيدة!
 ◦ EN: Happy New Year!
A2: We tellen af tot nieuwjaar.
 ◦ AR: نعدّ تنازليًا حتى رأس السنة.
 ◦ EN: We count down to the new year.
B1: In veel landen is vuurwerk populair bij nieuwjaar.
B2: Sommige mensen maken goede voornemens voor het nieuwe jaar.


Paasontbijt – Easter breakfast – فطور عيد الفصح

A1: We eten samen paasontbijt.
 ◦ AR: نأكل فطور عيد الفصح معًا.
 ◦ EN: We eat Easter breakfast together.
A2: Bij het paasontbijt zijn er gekookte eieren.
 ◦ AR: في فطور الفصح هناك بيض مسلوق.
 ◦ EN: At Easter breakfast there are boiled eggs.
B1: Het paasontbijt is een gezellig familiegebeuren.
B2: Tijdens Pasen maken veel mensen versierde eieren klaar.


Optocht – Parade – موكب

A1: We kijken naar de optocht.
 ◦ AR: نشاهد الموكب.
 ◦ EN: We watch the parade.
A2: In de optocht lopen kinderen en muziekbanden mee.
 ◦ AR: يشارك الأطفال والفرق الموسيقية في الموكب.
 ◦ EN: Children and music bands join the parade.
B1: De carnavalsoptocht is elk jaar een groot feest.
B2: In sommige dorpen bouwen ze grote wagens voor de optocht.


Feestkleding – Festive clothing – ملابس احتفالية

A1: Ik draag feestkleding.
 ◦ AR: أرتدي ملابس احتفالية.
 ◦ EN: I wear festive clothes.
A2: Met Kerst dragen we nette feestkleding.
 ◦ AR: نرتدي ملابس أنيقة في عيد الميلاد.
 ◦ EN: We wear neat festive clothing at Christmas.
B1: Voor speciale gelegenheden kleed ik me feestelijk.
B2: In elke cultuur ziet feestkleding er anders uit.


Lichtjes – Lights – أضواء

A1: Ik zie lichtjes in de straat.
 ◦ AR: أرى أضواء في الشارع.
 ◦ EN: I see lights in the street.
A2: Met kerst hangen we lichtjes in de boom.
 ◦ AR: نعلّق الأضواء على الشجرة في عيد الميلاد.
 ◦ EN: We hang lights on the tree at Christmas.
B1: Lichtjes maken de sfeer gezellig.
B2: In december versieren veel mensen hun huis met lichtjes.


Herdenking – Commemoration – إحياء ذكرى

A1: We hebben een herdenking.
 ◦ AR: لدينا إحياء ذكرى.
 ◦ EN: We have a commemoration.
A2: Op 4 mei is er dodenherdenking in Nederland.
 ◦ AR: في ٤ مايو هناك إحياء لذكرى الموتى في هولندا.
 ◦ EN: On May 4th there is a remembrance of the dead in the Netherlands.
B1: Tijdens een herdenking wordt er vaak twee minuten stilte gehouden.
B2: Herdenkingen helpen ons stilstaan bij het verleden.


Gebak – Pastry / Cake – كعك

A1: Ik eet gebak op een feest.
 ◦ AR: آكل كعكًا في حفلة.
 ◦ EN: I eat pastry at a party.
A2: Voor mijn verjaardag koop ik gebak.
 ◦ AR: أشتري كعكًا لعيد ميلادي.
 ◦ EN: I buy cake for my birthday.
B1: Bij feestdagen hoort vaak speciaal gebak.
B2: In verschillende culturen worden er unieke soorten gebak gemaakt.


Gebed – Prayer – صلاة

A1: We doen een gebed.
 ◦ AR: نقوم بصلاة.
 ◦ EN: We do a prayer.
A2: Voor het feest beginnen we met een gebed.
 ◦ AR: نبدأ الاحتفال بصلاة.
 ◦ EN: We start the celebration with a prayer.
B1: Een gebed maakt deel uit van veel religieuze tradities.
B2: In sommige families wordt er dagelijks samen gebeden.


Verleden en toekomst – Past and future – الماضي والمستقبل

Plannen – Plans – خطط

A1: Wat zijn je plannen voor morgen?
 ◦ AR: ما خططك ليوم غد؟
 ◦ EN: What are your plans for tomorrow?
A2: Ik maak plannen voor de zomervakantie.
 ◦ AR: أُعدّ خططًا لعطلة الصيف.
 ◦ EN: I’m making plans for the summer holiday.
B1: Mijn plannen veranderden op het laatste moment.
B2: We bespreken de toekomstplannen tijdens de vergadering.

Opvoeding – Upbringing – التربية

A1: Mijn opvoeding was streng.
 ◦ AR: كانت تربيتي صارمة.
 ◦ EN: My upbringing was strict.
A2: Mijn ouders gaven mij een goede opvoeding.
 ◦ AR: والداي أعطوني تربية جيدة.
 ◦ EN: My parents gave me a good upbringing.
B1: De opvoeding in mijn familie is traditioneel.
B2: Een goede opvoeding legt de basis voor de toekomst.

Jeugd – Youth – الشباب

A1: Mijn jeugd was vrolijk.
 ◦ AR: كانت شبابي سعيدًا.
 ◦ EN: My youth was happy.
A2: In mijn jeugd speelde ik veel buiten.
 ◦ AR: في شبابي، كنت ألعب كثيرًا في الخارج.
 ◦ EN: In my youth, I played outside a lot.
B1: De jeugd van tegenwoordig heeft meer technologie.
B2: Veel jeugd heeft dromen over een betere toekomst.

Ambitie – Ambition – الطموح

A1: Ik heb veel ambitie.
 ◦ AR: لدي الكثير من الطموح.
 ◦ EN: I have a lot of ambition.
A2: Mijn ambitie is om dokter te worden.
 ◦ AR: طموحي أن أصبح طبيبًا.
 ◦ EN: My ambition is to become a doctor.
B1: Ze werkt hard om haar ambitie waar te maken.
B2: Ambitie helpt mensen om hun doelen te bereiken.

Carrière – Career – مسيرة مهنية

A1: Ik wil een goede carrière.
 ◦ AR: أريد مسيرة مهنية جيدة.
 ◦ EN: I want a good career.
A2: Mijn carrière begon vijf jaar geleden.
 ◦ AR: بدأت مسيرتي المهنية قبل خمس سنوات.
 ◦ EN: My career started five years ago.
B1: Hij bouwt een succesvolle carrière op in de techniek.
B2: Carrièreplanning is belangrijk voor langdurig succes.

Ervaring – Experience – خبرة

A1: Ik heb weinig ervaring.
 ◦ AR: لدي خبرة قليلة.
 ◦ EN: I have little experience.
A2: Mijn ervaring helpt mij bij dit werk.
 ◦ AR: خبرتي تساعدني في هذا العمل.
 ◦ EN: My experience helps me with this job.
B1: Ze heeft veel ervaring opgedaan in het buitenland.
B2: Ervaring is vaak belangrijker dan diploma’s.

Verleden – Past – الماضي

A1: Mijn verleden is mooi.
 ◦ AR: ماضي جميل لدي.
 ◦ EN: My past is nice.
A2: Ik denk vaak aan mijn verleden.
 ◦ AR: أفكر كثيرًا في ماضيّ.
 ◦ EN: I often think about my past.
B1: Het verleden beïnvloedt onze keuzes nu.
B2: Het is belangrijk om van het verleden te leren.

Toekomst – Future – المستقبل

A1: Ik droom over de toekomst.
 ◦ AR: أحلم بالمستقبل.
 ◦ EN: I dream about the future.
A2: Mijn toekomstplannen zijn duidelijk.
 ◦ AR: خططي المستقبلية واضحة.
 ◦ EN: My future plans are clear.
B1: De toekomst brengt nieuwe kansen.
B2: We maken samen plannen voor een duurzame toekomst.

Jeugd – Youth – الشباب

A1: Mijn jeugd was vrolijk.
 ◦ AR: كانت شبابي سعيدًا.
 ◦ EN: My youth was happy.
A2: In mijn jeugd speelde ik veel buiten.
 ◦ AR: في شبابي، كنت ألعب كثيرًا في الخارج.
 ◦ EN: In my youth, I played outside a lot.
B1: De jeugd van tegenwoordig heeft meer technologie.
B2: Veel jeugd heeft dromen over een betere toekomst.

Ambitie – Ambition – الطموح

A1: Ik heb veel ambitie.
 ◦ AR: لدي الكثير من الطموح.
 ◦ EN: I have a lot of ambition.
A2: Mijn ambitie is om dokter te worden.
 ◦ AR: طموحي أن أصبح طبيبًا.
 ◦ EN: My ambition is to become a doctor.
B1: Ze werkt hard om haar ambitie waar te maken.
B2: Ambitie helpt mensen om hun doelen te bereiken.

Carrière – Career – مسيرة مهنية

A1: Ik wil een goede carrière.
 ◦ AR: أريد مسيرة مهنية جيدة.
 ◦ EN: I want a good career.
A2: Mijn carrière begon vijf jaar geleden.
 ◦ AR: بدأت مسيرتي المهنية قبل خمس سنوات.
 ◦ EN: My career started five years ago.
B1: Hij bouwt een succesvolle carrière op in de techniek.
B2: Carrièreplanning is belangrijk voor langdurig succes.

Ervaring – Experience – خبرة

A1: Ik heb weinig ervaring.
 ◦ AR: لدي خبرة قليلة.
 ◦ EN: I have little experience.
A2: Mijn ervaring helpt mij bij dit werk.
 ◦ AR: خبرتي تساعدني في هذا العمل.
 ◦ EN: My experience helps me with this job.
B1: Ze heeft veel ervaring opgedaan in het buitenland.
B2: Ervaring is vaak belangrijker dan diploma’s.

Verleden – Past – الماضي

A1: Mijn verleden is mooi.
 ◦ AR: ماضي جميل لدي.
 ◦ EN: My past is nice.
A2: Ik denk vaak aan mijn verleden.
 ◦ AR: أفكر كثيرًا في ماضيّ.
 ◦ EN: I often think about my past.
B1: Het verleden beïnvloedt onze keuzes nu.
B2: Het is belangrijk om van het verleden te leren.

Toekomst – Future – المستقبل

A1: Ik droom over de toekomst.
 ◦ AR: أحلم بالمستقبل.
 ◦ EN: I dream about the future.
A2: Mijn toekomstplannen zijn duidelijk.
 ◦ AR: خططي المستقبلية واضحة.
 ◦ EN: My future plans are clear.
B1: De toekomst brengt nieuwe kansen.
B2: We maken samen plannen voor een duurzame toekomst.

Gezinshereniging – Family reunification – لم شمل الأسرة

A1: Ik wil gezinshereniging.
 ◦ AR: أريد لم شمل الأسرة.
 ◦ EN: I want family reunification.
A2: Gezinshereniging duurt soms lang.
 ◦ AR: لم شمل الأسرة يستغرق أحيانًا وقتًا طويلاً.
 ◦ EN: Family reunification sometimes takes a long time.
B1: Gezinshereniging is belangrijk voor het welzijn van iedereen.
B2: De procedures voor gezinshereniging zijn vaak complex.

Werk / een leuke baan – Job / a nice job – عمل / وظيفة جيدة

A1: Ik wil een leuke baan.
 ◦ AR: أريد وظيفة جيدة.
 ◦ EN: I want a nice job.
A2: Ik zoek werk in een kantoor.
 ◦ AR: أبحث عن عمل في مكتب.
 ◦ EN: I am looking for work in an office.
B1: Een leuke baan is belangrijk voor mijn geluk.
B2: Ik probeer een baan te vinden die bij mijn opleiding past.

Genoeg geld verdienen – Earning enough money – كسب المال الكافي

A1: Ik wil genoeg geld verdienen.
 ◦ AR: أريد كسب المال الكافي.
 ◦ EN: I want to earn enough money.
A2: Genoeg geld verdienen is belangrijk voor mijn gezin.
 ◦ AR: كسب المال الكافي مهم لعائلتي.
 ◦ EN: Earning enough money is important for my family.
B1: Ik probeer genoeg geld te verdienen voor een huis.
B2: Genoeg geld verdienen geeft mij zekerheid voor de toekomst.

Kinderen die veilig kunnen opgroeien – Children growing up safely – الأطفال الذين ينمون بأمان

A1: Ik wil dat mijn kinderen veilig opgroeien.
 ◦ AR: أريد أن يكبر أطفالي بأمان.
 ◦ EN: I want my children to grow up safely.
A2: Veilige buurten zijn belangrijk voor kinderen.
 ◦ AR: الأحياء الآمنة مهمة للأطفال.
 ◦ EN: Safe neighborhoods are important for children.
B1: Kinderen hebben liefde en veiligheid nodig om goed op te groeien.
B2: Het is belangrijk dat kinderen in een veilige omgeving opgroeien.

Terug naar het overzicht