Woorden en zinnen (A1 tot en met B2)
Welkom op ons blog, waar je stap voor stap de belangrijkste thema’s en woordenschat kunt ontdekken van niveau A1 tot en met B2. De woorden en zinnen zijn geordend op niveau, zodat je eerst de basis leert die je nodig hebt op A1, zoals familie, dokter en dagelijkse routines. Daarna bouw je verder uit met woorden en zinnen op A2, B1 en B2.
Bij elk onderwerp vind je een titel in het Nederlands, Engels en Arabisch, gevolgd door voorbeeldzinnen op de niveaus A1, A2, B1 en B2. De zinnen op A1 en A2 zijn vertaald zodat je de betekenis goed begrijpt en de basiswoorden goed kunt leren. Vanaf B1 gaan we ervan uit dat je de kernwoorden kent of deze uit de context kunt afleiden, daarom staan die zinnen alleen in het Nederlands.
Zo bouw je niet alleen een stevige basis op, maar leer je ook hoe je je taalgebruik kunt uitbreiden en verfijnen naarmate je vordert. Veel succes en plezier met leren!
A1 woorden (met zinnen op A1-B2 niveau)
Persoonlijke informatie
Naam – Name – اسم
- A1: Ik heet Ahmed.
- AR: اسمي أحمد
- EN: My name is Ahmed
- A2: Mijn naam is Ahmed.
- AR: اسمي أحمد
- EN: My name is Ahmed
- B1: Mijn naam is Ahmed en ik ben vernoemd naar mijn opa.
- B2: Mijn naam is Ahmed, ik ben vernoemd naar mijn opa en mijn naam heeft een speciale betekenis in onze familie.
Leeftijd – Age – عمر
- A1: Ik ben 25.
- AR: عمري 25 سنة
- EN: I am 25 years old
- A2: Ik ben 25 jaar oud.
- AR: عمري 25 سنة
- EN: I am 25 years old
- B1: Ik ben 25 jaar, maar volgende maand word ik 26.
- B2: Ik ben 25 jaar, maar volgende maand word ik 26 en ik merk dat de tijd steeds sneller lijkt te gaan.
Geboortedatum – Date of birth – تاريخ الميلاد
- A1: Ik ben geboren op 12 maart.
- AR: وُلدت في 12 مارس
- EN: I was born on March 12
- A2: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998.
- AR: تاريخ ميلادي هو 12 مارس 1998
- EN: My date of birth is March 12, 1998
- B1: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998 en ik vier mijn verjaardag altijd met familie.
- B2: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998 en ik vier mijn verjaardag altijd met familie, waarbij we traditiegetrouw samen eten en spelletjes doen.
Gezin – Family – أسرة
- A1: Ik heb een gezin.
- AR: لدي أسرة
- EN: I have a family
- A2: Mijn gezin is klein.
- AR: أسرتي صغيرة
- EN: My family is small
- B1: Mijn gezin bestaat uit mijn ouders, mijn zus en ik.
- B2: Mijn gezin bestaat uit mijn ouders, mijn zus en ik, en we hebben een hechte band omdat we veel tijd samen doorbrengen.
Familie – Family – عائلة
- A1: Ik heb een grote familie.
- AR: لدي عائلة كبيرة
- EN: I have a big family
- A2: Mijn familie woont in Nederland.
- AR: عائلتي تعيش في هولندا
- EN: My family lives in the Netherlands
- B1: Mijn familie woont in Nederland en we zien elkaar elke week.
- B2: Mijn familie woont in Nederland, we zien elkaar elke week en we houden ervan om samen te eten en bij te praten.
Broer – Brother – أخ
- A1: Ik heb een broer.
- AR: لدي أخ
- EN: I have a brother
- A2: Mijn broer heet Omar.
- AR: اسم أخي عمر
- EN: My brother’s name is Omar
- B1: Mijn broer heet Omar en hij is ouder dan ik.
- B2: Mijn broer heet Omar, hij is ouder dan ik en hij helpt me vaak met mijn huiswerk omdat hij goed is in wiskunde.
Zus – Sister – أخت
- A1: Ik heb een zus.
- AR: لدي أخت
- EN: I have a sister
- A2: Mijn zus is jong.
- AR: أختي صغيرة
- EN: My sister is young
- B1: Mijn zus is jong en ze houdt van tekenen.
- B2: Mijn zus is jong, ze houdt van tekenen en ze maakt vaak mooie tekeningen voor onze familie.
Vader – Father – أب
- A1: Mijn vader heet Ali.
- AR: اسم والدي علي
- EN: My father’s name is Ali
- A2: Mijn vader werkt in een fabriek.
- AR: والدي يعمل في مصنع
- EN: My father works in a factory
- B1: Mijn vader werkt in een fabriek en hij komt elke dag om vijf uur thuis.
- B2: Mijn vader werkt in een fabriek, hij komt elke dag om vijf uur thuis en hij kookt vaak op zondag, want hij vindt dat leuk.
Moeder – Mother – أم
- A1: Mijn moeder heet Fatima.
- AR: اسم والدتي فاطمة
- EN: My mother’s name is Fatima
- A2: Mijn moeder is lief.
- AR: والدتي طيبة
- EN: My mother is kind
- B1: Mijn moeder is lief en ze maakt elke dag lekker eten voor ons.
- B2: Mijn moeder is lief, ze maakt elke dag lekker eten voor ons en ze helpt me altijd als ik me niet goed voel.
Kind – Child – طفل
- A1: Ik heb een kind.
- AR: لدي طفل
- EN: I have a child
- A2: Mijn kind is vier jaar oud.
- AR: طفلي عمره أربع سنوات
- EN: My child is four years old
- B1: Mijn kind is vier jaar oud en gaat naar de kleuterschool.
- B2: Mijn kind is vier jaar oud, gaat naar de kleuterschool en leert daar liedjes zingen en samen spelen met andere kinderen.
Opa – Grandfather – جد
- A1: Mijn opa is oud.
- AR: جدي كبير في السن
- EN: My grandfather is old
- A2: Mijn opa woont bij ons.
- AR: جدي يعيش معنا
- EN: My grandfather lives with us
- B1: Mijn opa woont bij ons en vertelt vaak verhalen over vroeger.
- B2: Mijn opa woont bij ons, vertelt vaak verhalen over vroeger en ik luister graag naar hem omdat hij veel weet over onze familiegeschiedenis.
Oma – Grandmother – جدة
- A1: Mijn oma is lief.
- AR: جدتي طيبة
- EN: My grandmother is kind
- A2: Mijn oma bakt lekkere koekjes.
- AR: جدتي تخبز كعكات لذيذة
- EN: My grandmother bakes tasty cookies
- B1: Mijn oma bakt lekkere koekjes en ze leert mij hoe ik ze ook kan maken.
- B2: Mijn oma bakt lekkere koekjes, ze leert mij hoe ik ze ook kan maken en we hebben altijd veel plezier samen in de keuken.
Taal – Language – لغة
- A1: Ik spreek een beetje Nederlands.
- AR: أتكلم القليل من اللغة الهولندية
- EN: I speak a little Dutch
- A2: Ik leer de Nederlandse taal.
- AR: أتعلم اللغة الهولندية
- EN: I am learning the Dutch language
- B1: Ik leer de Nederlandse taal, omdat ik hier werk en vrienden heb.
- B2: Ik leer de Nederlandse taal, omdat ik hier werk en vrienden heb, en ik wil de taal vloeiend spreken om beter te kunnen communiceren.
Land – Country – بلد
- A1: Ik kom uit Marokko.
- AR: أنا من المغرب
- EN: I come from Morocco
- A2: Mijn land is Marokko.
- AR: بلدي هو المغرب
- EN: My country is Morocco
- B1: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland.
- B2: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland en ik voel me verbonden met beide culturen.
Stad – City – مدينة
- A1: Ik woon in een stad.
- AR: أعيش في مدينة
- EN: I live in a city
- A2: Mijn stad is groot.
- AR: مدينتي كبيرة
- EN: My city is big
- B1: Mijn stad is groot en er zijn veel winkels en restaurants.
- B2: Mijn stad is groot, er zijn veel winkels en restaurants, en het openbaar vervoer is goed geregeld.
Straat – Street – شارع
- A1: Ik woon in een rustige straat.
- AR: أعيش في شارع هادئ
- EN: I live on a quiet street
- A2: Mijn straat is rustig.
- AR: شارعي هادئ
- EN: My street is quiet
- B1: Mijn straat is rustig en er zijn veel bomen.
- B2: Mijn straat is rustig, er zijn veel bomen en in de lente ruikt het heerlijk naar bloesem.
Adres – Address – عنوان
- A1: Mijn adres is Kerkstraat 10.
- AR: عنواني هو كيركسترات 10
- EN: My address is Kerkstraat 10
- A2: Mijn adres is Kerkstraat 10.
- AR: عنواني هو كيركسترات 10
- EN: My address is Kerkstraat 10
- B1: Mijn adres is Kerkstraat 10 en ik woon hier al drie jaar.
- B2: Mijn adres is Kerkstraat 10, ik woon hier al drie jaar en ik heb fijne buren die altijd klaarstaan om te helpen.
Telefoon – Phone – هاتف
- A1: Ik heb een telefoon.
- AR: لدي هاتف
- EN: I have a phone
- A2: Mijn telefoon is nieuw.
- AR: هاتفي جديد
- EN: My phone is new
- B1: Mijn telefoon is nieuw en heeft een goede camera.
- B2: Mijn telefoon is nieuw, heeft een goede camera en ik gebruik hem vaak om foto’s van mooie momenten te maken.
E-mail – Email – بريد إلكتروني
- A1: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com.
- AR: بريدي الإلكتروني هو ahmedx@gmail.com
- EN: My email is ahmedx@gmail.com
- A2: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com.
- AR: بريدي الإلكتروني هو ahmedx@gmail.com
- EN: My email is ahmedx@gmail.com
- B1: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com en ik gebruik het voor mijn werk.
- B2: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com, ik gebruik het voor mijn werk en ik probeer altijd snel op berichten te reageren.
Vriend – Friend – صديق
- A1: Ik heb een vriend.
- AR: لدي صديق
- EN: I have a friend
- A2: Mijn vriend heet Samir.
- AR: صديقي اسمه سمير
- EN: My friend’s name is Samir
- B1: Mijn vriend Samir en ik kennen elkaar al tien jaar.
- B2: Mijn vriend Samir en ik kennen elkaar al tien jaar en we hebben samen veel mooie herinneringen aan onze jeugd.
Buurman – Neighbor – جار
- A1: Mijn buurman is aardig.
- AR: جاري لطيف
- EN: My neighbor is nice
- A2: Mijn buurman is vriendelijk.
- AR: جاري ودود
- EN: My neighbor is friendly
- B1: Mijn buurman helpt mij vaak als ik iets nodig heb.
- B2: Mijn buurman helpt mij vaak als ik iets nodig heb, en we drinken soms samen koffie om bij te praten.
Wonen – To live – يعيش
- A1: Ik woon in Nederland.
- AR: أعيش في هولندا
- EN: I live in the Netherlands
- A2: Ik woon in Amsterdam.
- AR: أعيش في أمستردام
- EN: I live in Amsterdam
- B1: Ik woon in Amsterdam, maar ik wil later naar een rustigere stad verhuizen.
- B2: Ik woon in Amsterdam, maar ik wil later naar een rustigere stad verhuizen omdat ik daar meer ruimte en minder drukte wil ervaren.
Ochtend – Morning – صباح
- A1: In de ochtend drink ik thee.
- AR: أشرب الشاي في الصباح
- EN: I drink tea in the morning
- A2: In de ochtend drink ik koffie.
- AR: أشرب القهوة في الصباح
- EN: I drink coffee in the morning
- B1: In de ochtend drink ik koffie en lees ik het nieuws op mijn telefoon.
- B2: In de ochtend drink ik koffie, lees ik het nieuws op mijn telefoon en maak ik een planning voor mijn dag.
Avond – Evening – مساء
- A1: In de avond kijk ik tv.
- AR: أشاهد التلفاز في المساء
- EN: I watch TV in the evening
- A2: In de avond kijk ik tv.
- AR: أشاهد التلفاز في المساء
- EN: I watch TV in the evening
- B1: In de avond kijk ik tv en soms lees ik een boek voor het slapen.
- B2: In de avond kijk ik tv, soms lees ik een boek voor het slapen, en ik probeer altijd op tijd naar bed te gaan voor een goede nachtrust.
Verjaardag – Birthday – عيد ميلاد
- A1: Ik ben jarig.
- AR: عيد ميلادي اليوم
- EN: It’s my birthday
- A2: Ik ben vandaag jarig.
- AR: أنا اليوم أحتفل بعيد ميلادي
- EN: Today is my birthday
- B1: Ik ben vandaag jarig en ik vier het met mijn familie.
- B2: Ik ben vandaag jarig, ik vier het met mijn familie en mijn vrienden komen ook op bezoek om samen taart te eten en cadeaus te geven.
Feest – Party – حفلة
- A1: Ik ga naar een feest.
- AR: سأذهب إلى حفلة
- EN: I’m going to a party
- A2: Ik ga vanavond naar een feest.
- AR: سأذهب الليلة إلى حفلة
- EN: I’m going to a party tonight
- B1: Ik ga vanavond naar een feest bij mijn collega thuis.
- B2: Ik ga vanavond naar een feest bij mijn collega thuis, waar veel mensen komen en er lekker eten en muziek zal zijn.
Werk – Work – عمل
- A1: Ik werk.
- AR: أنا أعمل
- EN: I work
- A2: Ik werk in een winkel.
- AR: أعمل في متجر
- EN: I work in a shop
- B1: Ik werk in een winkel en help klanten met hun aankopen.
- B2: Ik werk in een winkel, help klanten met hun aankopen en leer elke dag nieuwe dingen over producten en service.
School – School – مدرسة
- A1: Ik ga naar school.
- AR: أذهب إلى المدرسة
- EN: I go to school
- A2: Mijn school is dichtbij.
- AR: مدرستي قريبة
- EN: My school is nearby
- B1: Mijn school is dichtbij en ik fiets er elke dag naartoe.
- B2: Mijn school is dichtbij, ik fiets er elke dag naartoe en ik vind het leuk om met klasgenoten samen te werken aan projecten.
Taal – Language – لغة
- A1: Ik leer Nederlands.
- AR: أتعلم اللغة الهولندية
- EN: I am learning Dutch
- A2: Ik leer de Nederlandse taal.
- AR: أتعلم اللغة الهولندية
- EN: I am learning the Dutch language
- B1: Ik leer de Nederlandse taal en ik oefen elke dag met spreken.
- B2: Ik leer de Nederlandse taal, ik oefen elke dag met spreken en ik kijk ook Nederlandse films om mijn uitspraak te verbeteren.
Land – Country – بلد
- A1: Mijn land is Syrië.
- AR: بلدي هو سوريا
- EN: My country is Syria
- A2: Ik kom uit Syrië.
- AR: أنا من سوريا
- EN: I am from Syria
- B1: Ik kom uit Syrië en ik woon nu in Nederland.
- B2: Ik kom uit Syrië, ik woon nu in Nederland en ik mis soms mijn familie en het eten uit mijn land.
Vakantie – Holiday – عطلة
- A1: Ik heb vakantie.
- AR: لدي عطلة
- EN: I have a holiday
- A2: Ik ben op vakantie.
- AR: أنا في عطلة
- EN: I am on holiday
- B1: Ik ben op vakantie en ik bezoek mijn familie in het buitenland.
- B2: Ik ben op vakantie, ik bezoek mijn familie in het buitenland en we maken samen uitstapjes naar mooie plekken in de natuur.
Maaltijd – Meal – وجبة
- A1: Ik eet.
- AR: أنا آكل
- EN: I am eating
- A2: Ik eet een maaltijd.
- AR: آكل وجبة
- EN: I am eating a meal
- B1: Ik eet een warme maaltijd met rijst en kip.
- B2: Ik eet een warme maaltijd met rijst en kip, en ik kook vaak zelf omdat ik het leuk vind om nieuwe recepten te proberen.
Boek – Book – كتاب
- A1: Ik lees een boek.
- AR: أقرأ كتاباً
- EN: I am reading a book
- A2: Het boek is interessant.
- AR: الكتاب ممتع
- EN: The book is interesting
- B1: Het boek is interessant en gaat over een jongen die op reis gaat.
- B2: Het boek is interessant, het gaat over een jongen die op reis gaat en ik vind het leuk omdat het me laat nadenken over andere culturen.
Weer – Weather – طقس
- A1: Het is koud.
- AR: الطقس بارد
- EN: It is cold
- A2: Het is vandaag koud en winderig.
- AR: الطقس اليوم بارد وعاصف
- EN: Today it is cold and windy
- B1: Het is vandaag koud en winderig, dus ik draag een warme jas.
- B2: Het is vandaag koud en winderig, dus ik draag een warme jas en blijf liever binnen met een kopje thee.
Kleding – Clothing – ملابس
- A1: Ik draag een jas.
- AR: أرتدي معطفاً
- EN: I am wearing a coat
- A2: Ik draag een jas en een sjaal.
- AR: أرتدي معطفاً ووشاحاً
- EN: I am wearing a coat and a scarf
- B1: Ik draag een jas, een sjaal en stevige schoenen omdat het regent.
- B2: Ik draag een jas, een sjaal en stevige schoenen omdat het regent en ik wil niet nat worden onderweg naar mijn werk.
Winkel – Shop – متجر
- A1: Ik ben in de winkel.
- AR: أنا في المتجر
- EN: I am in the shop
- A2: Ik koop brood in de winkel.
- AR: أشتري خبزاً من المتجر
- EN: I buy bread in the shop
- B1: Ik koop brood en melk in de winkel bij mij om de hoek.
- B2: Ik koop brood en melk in de winkel bij mij om de hoek, en ik maak altijd eerst een boodschappenlijst zodat ik niets vergeet.
Vervoer – Transport – مواصلات
- A1: Ik neem de bus.
- AR: أركب الحافلة
- EN: I take the bus
- A2: Ik neem de bus naar school.
- AR: أركب الحافلة إلى المدرسة
- EN: I take the bus to school
- B1: Ik neem de bus naar school, maar soms ga ik ook met de fiets.
- B2: Ik neem de bus naar school, maar soms ga ik ook met de fiets omdat het gezond is en ik graag beweeg.
Werken – Working – عمل
- A1: Ik werk thuis.
- AR: أعمل في المنزل
- EN: I work at home
- A2: Ik werk elke dag van 9 tot 5.
- AR: أعمل كل يوم من التاسعة إلى الخامسة
- EN: I work every day from 9 to 5
- B1: Ik werk elke dag van 9 tot 5 en ik heb een pauze om 12 uur.
- B2: Ik werk elke dag van 9 tot 5, ik heb een pauze om 12 uur en ik probeer tijdens het werk goed te concentreren.
Studeren – Studying – دراسة
- A1: Ik studeer Nederlands.
- AR: أدرس اللغة الهولندية
- EN: I study Dutch
- A2: Ik studeer elke avond een uur.
- AR: أدرس ساعة واحدة كل مساء
- EN: I study one hour every evening
- B1: Ik studeer elke avond een uur en ik maak veel aantekeningen.
- B2: Ik studeer elke avond een uur, maak veel aantekeningen en oefen met een studiegenoot.
In de winkel – In the store – في المتجر
Vragen om hulp – Asking for help – طلب المساعدة
- A1: Waar is het brood?
- AR: أين الخبز؟
- EN: Where is the bread?
- A2: Kunt u mij helpen?
- AR: هل يمكنك مساعدتي؟
- EN: Can you help me?
- B1: Kunt u me vertellen waar de groenten zijn?
- B2: Kunt u me vertellen waar de biologische groenten zijn en welke het lekkerst zijn?
Boodschappen doen – Grocery shopping – التسوق
- A1: Ik koop brood.
- AR: أشتري خبزاً
- EN: I buy bread
- A2: Ik ga naar de supermarkt.
- AR: أذهب إلى السوبر ماركت
- EN: I go to the supermarket
- B1: Ik ga elke week naar de supermarkt om boodschappen te doen.
- B2: Ik ga elke week naar de supermarkt om boodschappen te doen en ik koop meestal verse groenten en fruit.
Kleding kopen – Buying clothes – شراء الملابس
- A1: Ik koop een shirt.
- AR: أشتري قميصاً
- EN: I buy a shirt
- A2: Ik koop nieuwe schoenen.
- AR: أشتري حذاءً جديداً
- EN: I buy new shoes
- B1: Ik koop vaak kleding in de winkel in het centrum.
- B2: Ik koop vaak kleding in de winkel in het centrum, vooral als er korting is.
Winkelen
- A1: Ik ga winkelen.
- AR: أذهب للتسوق
- EN: I go shopping
- A2: Ik koop melk en brood.
- AR: أشتري الحليب والخبز
- EN: I buy milk and bread
- B1: Ik ga op zaterdag naar de markt om verse groenten te kopen.
- B2: Op zaterdag ga ik naar de markt om verse groenten te kopen en daarna ga ik naar de kledingwinkel voor een jas.
Prijzen vragen – Asking about prices – السؤال عن الأسعار
- A1: Hoeveel kost dit?
- AR: بكم هذا؟
- EN: How much does this cost?
- A2: Is dit goedkoop?
- AR: هل هذا رخيص؟
- EN: Is this cheap?
- B1: Heeft u dit ook in een andere kleur en wat kost die?
- B2: Heeft u dit ook in een andere maat en kleur, en kunt u me vertellen welke maat het beste bij mij past?
Betalen – Paying – الدفع
- A1: Ik wil betalen.
- AR: أريد الدفع
- EN: I want to pay
- A2: Kan ik met pin betalen?
- AR: هل يمكنني الدفع بالبطاقة؟
- EN: Can I pay by card?
- B1: Kan ik ook contant betalen of alleen met pin?
- B2: Kan ik ook met mijn telefoon betalen, of is alleen contant en pin mogelijk?
Klachten of vragen – Complaints or questions – الشكاوى أو الأسئلة
- A1: Dit is kapot.
- AR: هذا مكسور
- EN: This is broken
- A2: Ik wil dit terugbrengen.
- AR: أريد إرجاع هذا
- EN: I want to return this
- B1: Ik heb dit gekocht, maar het werkt niet goed. Kan ik het ruilen?
- B2: Ik heb dit product gekocht, maar het voldoet niet aan mijn verwachtingen. Kunt u me uitleggen wat mijn opties zijn?
Kledingwinkel – Clothing store – محل الملابس
- A1: Ik zoek een shirt.
- AR: أبحث عن قميص
- EN: I am looking for a shirt
- A2: Heeft u dit shirt in maat M?
- AR: هل لديكم هذا القميص بمقاس م
- EN: Do you have this shirt in size M?
- B1: Heeft u dit ook in een andere kleur?
- B2: Kan ik dit shirt passen? Waar is de paskamer?
Supermarkt – Supermarket – السوبرماركت
- A1: Waar is de melk?
- AR: أين الحليب؟
- EN: Where is the milk?
- A2: Heeft u verse groenten?
- AR: هل لديكم خضروات طازجة؟
- EN: Do you have fresh vegetables?
- B1: Zijn deze groenten biologisch?
- B2: Welke groente is het lekkerst om te koken?
Markt – Market – السوق
- A1: Hoeveel kosten de appels?
- AR: بكم التفاح؟
- EN: How much are the apples?
- A2: Kan ik deze sinaasappels proeven?
- AR: هل يمكنني تذوق هذه البرتقالات؟
- EN: Can I taste these oranges?
- B1: Heeft u ook verse kruiden?
- B2: Kunt u me helpen met het kiezen van verse en rijpe groenten?
Weekend – Weekend – عطلة نهاية الأسبوع
- A1: In het weekend rust ik uit.
- AR: أرتاح في عطلة نهاية الأسبوع
- EN: I rest on the weekend
- A2: In het weekend slaap ik uit.
- AR: أنام طويلاً في عطلة نهاية الأسبوع
- EN: I sleep in on the weekend
- B1: In het weekend slaap ik uit en ga ik met vrienden naar het park.
- B2: In het weekend slaap ik uit, ga ik met vrienden naar het park en geniet ik van de vrije tijd om te ontspannen.
Restaurant – Restaurant – مطعم
- A1: Ik wil eten bestellen.
- AR: أريد أن أطلب الطعام
- EN: I want to order food
- A2: Heeft u een menukaart?
- AR: هل لديكم قائمة الطعام؟
- EN: Do you have a menu?
- B1: Wat raadt u aan als hoofdgerecht?
- B2: Heeft u ook vegetarische gerechten?
Eten – Food – طعام
- A1: Ik eet brood.
- AR: آكل خبزاً
- EN: I eat bread
- A2: Ik eet graag groenten.
- AR: أحب أن آكل الخضروات
- EN: I like to eat vegetables
- B1: Ik probeer minder vlees te eten.
- B2: Ik vind het belangrijk om gezond en gevarieerd te eten.
Drinken – Drink – شراب
- A1: Ik drink water.
- AR: أشرب ماءً
- EN: I drink water
- A2: Ik drink graag koffie.
- AR: أحب أن أشرب القهوة
- EN: I like to drink coffee
- B1: Drinkt u liever thee of koffie?
- B2: Ik drink meestal groene thee omdat het gezond is.
Uitgaan – Going out – الخروج
- A1: Ik ga naar de bioscoop.
- AR: أذهب إلى السينما
- EN: I go to the cinema
- A2: We gaan naar een feest.
- AR: نحن ذاهبون إلى حفلة
- EN: We are going to a party
- B1: We gaan vaak samen uit in het weekend.
- B2: Uitgaan is leuk om vrienden te ontmoeten en te ontspannen.
Hotel – Hotel – فندق
- A1: Ik heb een kamer geboekt.
- AR: حجزت غرفة
- EN: I have booked a room
- A2: Heeft u een kamer met een badkamer?
- AR: هل لديكم غرفة مع حمام؟
- EN: Do you have a room with a bathroom?
- B1: Hoe laat is het ontbijt in het hotel?
- B2: Ik wil graag een kamer reserveren met uitzicht op zee.
Tijd en datum – Time and Date – الوقت والتاريخ
Dagen van de week – Days of the week – أيام الأسبوع
- A1: Vandaag is maandag.
- AR: اليوم هو الاثنين
- EN: Today is Monday
- A2: Morgen is dinsdag.
- AR: غداً هو الثلاثاء
- EN: Tomorrow is Tuesday
- B1: Mijn favoriete dag is zaterdag omdat ik dan vrij ben.
- B2: Ik plan mijn week meestal op zondag en kijk uit naar het weekend.
Maanden van het jaar – Months of the year – شهور السنة
A1: Januari is de eerste maand van het jaar.
◦ AR: يناير هو الشهر الأول.
◦ EN: January is the first month.
A2: Mijn verjaardag is in mei.
◦ AR: عيد ميلادي في مايو.
◦ EN: My birthday is in May.
B1: In december is het vaak koud en sneeuwt het soms.
B2: Ik maak graag vakanties in de zomermaanden juli en augustus.
Tijd uitdrukken en afspraken maken – Telling time and making appointments – التعبير عن الوقت وتحديد المواعيد
- A1: Het is acht uur.
- AR: الساعة الثامنة
- EN: It is eight o’clock
- A2: Het is kwart over acht.
- AR: الساعة الثامنة والربع
- EN: It is quarter past eight
- B1: Het is tien voor negen.
- B2: Het is vijf minuten over half tien.
Klok lezen – Telling time – قراءة الساعة
- A1: Het is drie uur.
- AR: الساعة الثالثة
- EN: It is three o’clock
- A2: De klok is half vijf.
- AR: الساعة الرابعة والنصف
- EN: The clock is half past four
- B1: De trein vertrekt om kwart over acht.
- B2: Mijn afspraak is om tien voor half twaalf ‘s ochtends.
Afspraken maken – Making appointments
- A1: Ik heb een afspraak om tien uur.
- AR: لدي موعد في الساعة العاشرة
- EN: I have an appointment at ten o’clock
- A2: Zullen we om half drie afspreken?
- AR: هل نلتقي في الساعة الثانية والنصف؟
- EN: Shall we meet at half past two?
- B1: Kun je morgen om kwart over vijf?
- B2: Laten we de afspraak verzetten naar tien voor vier, want ik heb dan meer tijd.
Op tijd komen – Being on time
- A1: Ik ben op tijd.
- AR: أنا في الوقت المحدد
- EN: I am on time
- A2: Ik kom altijd op tijd naar werk.
- AR: أنا دائماً أصل إلى العمل في الوقت المحدد
- EN: I always come to work on time
- B1: Het is belangrijk om op tijd te komen voor de vergadering.
- B2: Ik probeer altijd vijf minuten eerder te zijn, zodat ik me kan voorbereiden.
Vertraging – Delay
- A1: Ik ben te laat.
- AR: أنا متأخر
- EN: I am late
- A2: Sorry, ik heb vertraging.
- AR: آسف، لدي تأخير
- EN: Sorry, I am delayed
- B1: Door het verkeer heb ik vijftien minuten vertraging.
- B2: Ik bel je als ik vertraging heb, zodat je het weet.
Vragen naar tijd – Asking for time
- A1: Hoe laat is het?
- AR: كم الساعة؟
- EN: What time is it?
- A2: Hoe laat begint de les?
- AR: متى يبدأ الدرس؟
- EN: What time does the class start?
- B1: Weet u hoe laat de trein vertrekt?
- B2: Kun je me zeggen hoe laat de voorstelling begint en hoelang die duurt?
Weer – Weather – الطقس
A1: Het is zonnig.
◦ AR: الجو مشمس.
◦ EN: It is sunny.
A2: Het regent buiten.
◦ AR: تمطر في الخارج.
◦ EN: It is raining outside.
B1: Vandaag is het bewolkt en het kan gaan hagelen.
B2: Morgen wordt het stormachtig met veel wind en kans op sneeuw.
Temperatuur – Temperature – درجة الحرارة
A1: Het is warm vandaag.
◦ AR: الجو دافئ اليوم.
◦ EN: It is warm today.
A2: Het is koud buiten.
◦ AR: الجو بارد في الخارج.
◦ EN: It is cold outside.
B1: De temperatuur daalt ’s nachts tot onder het vriespunt.
B2: Deze week wordt het steeds warmer met temperaturen rond de dertig graden.
Neerslag – Precipitation – الهطول
A1: Het sneeuwt.
◦ AR: إنها تثلج.
◦ EN: It is snowing.
A2: Er is hagel vandaag.
◦ AR: هناك برد اليوم.
◦ EN: There is hail today.
B1: De regenbuien zijn hevig en duren de hele middag.
B2: Na de storm begint het te sneeuwen en blijven de wegen glad.
Wind – Wind – الرياح
A1: Het waait hard.
◦ AR: الرياح قوية.
◦ EN: The wind is strong.
A2: Er is een zachte bries.
◦ AR: هناك نسيم خفيف.
◦ EN: There is a light breeze.
B1: De windrichting verandert en neemt toe in kracht.
B2: Tijdens de storm waait het stormachtig met rukwinden tot 100 km/u.
Weersomstandigheden – Weather conditions – أحوال الطقس
A1: Het is mistig.
◦ AR: هناك ضباب.
◦ EN: It is foggy.
A2: De lucht is helder.
◦ AR: السماء صافية.
◦ EN: The sky is clear.
B1: De lucht is zwaar bewolkt met kans op onweer.
B2: Er is kans op zware onweersbuien met veel bliksem en donder.
Seizoenen – Seasons – الفصول
A1: Het is zomer.
◦ AR: إنه الصيف.
◦ EN: It is summer.
A2: In de herfst vallen de bladeren van de bomen.
◦ AR: في الخريف تسقط أوراق الأشجار.
◦ EN: In autumn, the leaves fall from the trees.
B1: De winter is koud en er ligt vaak sneeuw.
B2: In de lente bloeien de bloemen en wordt het weer warmer.
Klimaat – Climate – المناخ
A1: Het klimaat hier is warm.
◦ AR: المناخ هنا دافئ.
◦ EN: The climate here is warm.
A2: In dit gebied regent het vaak.
◦ AR: في هذه المنطقة تمطر كثيرًا.
◦ EN: It often rains in this area.
B1: Het klimaat verandert door de opwarming van de aarde.
B2: Door klimaatverandering zijn de zomers langer en droger geworden.
Weer voorspellen – Weather forecasting – التنبؤ بالطقس
A1: Morgen wordt het zonnig.
◦ AR: سيكون الجو مشمسًا غدًا.
◦ EN: It will be sunny tomorrow.
A2: Het gaat morgen regenen.
◦ AR: ستمطر غدًا.
◦ EN: It will rain tomorrow.
B1: De voorspelling zegt dat het morgen stormachtig wordt.
B2: Volgens de weersvoorspelling blijft het deze week bewolkt met kans op regen.
Kleding bij het weer – Clothing for the weather – الملابس حسب الطقس
A1: Ik draag een jas omdat het koud is.
◦ AR: أرتدي معطفًا لأنه بارد.
◦ EN: I wear a coat because it is cold.
A2: Het is warm, ik draag een T-shirt.
◦ AR: الجو دافئ، أرتدي قميصًا.
◦ EN: It is warm, I wear a T-shirt.
B1: Bij regen draag ik altijd een regenjas en laarzen.
B2: Als het sneeuwt, trek ik een dikke jas, handschoenen en een muts aan om warm te blijven.
Weersinvloeden – Weather effects – تأثيرات الطقس
A1: Het weer is mooi vandaag.
◦ AR: الطقس جميل اليوم.
◦ EN: The weather is nice today.
A2: Het weer beïnvloedt mijn humeur.
◦ AR: يؤثر الطقس على مزاجي.
◦ EN: The weather affects my mood.
B1: Slecht weer kan de reis vertragen.
B2: Door het stormachtige weer zijn veel vluchten geannuleerd.
Hobby’s en vrije tijd – Hobbies and free time – الهوايات والوقت الحر
Hobby – Hobby – هواية
- A1: Mijn hobby is voetbal.
- AR: هوايتي هي كرة القدم
- EN: My hobby is football
- A2: Mijn hobby is voetballen.
- AR: هوايتي هي لعب كرة القدم
- EN: My hobby is playing football
- B1: Mijn hobby is voetballen, want ik speel graag met vrienden op zaterdag.
- B2: Mijn hobby is voetballen, want ik speel graag met vrienden op zaterdag en ik train ook wekelijks bij een lokale club om beter te worden.
Lezen – Reading – القراءة
A1: Mijn hobby is lezen.
◦ AR: هوايتي هي القراءة.
◦ EN: My hobby is reading.
A2: In mijn vrije tijd lees ik graag boeken.
◦ AR: في وقت فراغي أحب قراءة الكتب.
◦ EN: In my free time, I like reading books.
B1: Ik lees regelmatig romans en gedichten.
B2: Tijdens mijn vrije tijd lees ik graag historische boeken en schrijf ik soms recensies.
Voetballen – Playing football – لعب كرة القدم
A1: Ik speel graag voetbal.
◦ AR: أحب لعب كرة القدم.
◦ EN: I like playing football.
A2: In mijn vrije tijd speel ik vaak voetbal met vrienden.
◦ AR: في وقت فراغي ألعب كرة القدم مع أصدقائي.
◦ EN: In my free time, I often play football with friends.
B1: Ik speel in een amateurteam en train twee keer per week.
B2: Ik neem deel aan toernooien en organiseer regelmatig wedstrijden met mijn team.
Gitaar spelen – Playing guitar – العزف على الغيتار
A1: Ik speel gitaar.
◦ AR: أعزف على الغيتار.
◦ EN: I play guitar.
A2: Mijn hobby is gitaar spelen in een band.
◦ AR: هوايتي هي العزف على الغيتار في فرقة.
◦ EN: My hobby is playing guitar in a band.
B1: Ik oefen elke dag om beter te worden.
B2: Ik schrijf mijn eigen muziek en geef ook gitaarles aan beginners.
Televisie kijken – Watching TV – مشاهدة التلفاز
A1: Ik kijk graag televisie.
◦ AR: أحب مشاهدة التلفاز.
◦ EN: I like watching TV.
A2: Mijn favoriete programma is een natuurdocumentaire.
◦ AR: برنامجي المفضل هو وثائقي عن الطبيعة.
◦ EN: My favorite show is a nature documentary.
B1: Ik kijk elke avond nieuws en soms films.
B2: Ik analyseer series en bespreek ze met vrienden online.
Film kijken – Watching movies – مشاهدة الأفلام
A1: Ik kijk graag naar films.
◦ AR: أحب مشاهدة الأفلام.
◦ EN: I like watching movies.
A2: Ik kijk vaak films thuis.
◦ AR: أشاهد الأفلام كثيرًا في المنزل.
◦ EN: I often watch movies at home.
B1: Ik ga graag naar de bioscoop om nieuwe films te zien.
B2: Ik bespreek na het kijken vaak films met mijn vrienden en schrijf soms recensies.
Muziek luisteren – Listening to music – الاستماع إلى الموسيقى
A1: Ik luister naar muziek.
◦ AR: أستمع إلى الموسيقى.
◦ EN: I listen to music.
A2: Ik luister graag naar mijn favoriete zanger.
◦ AR: أحب الاستماع إلى مطربي المفضل.
◦ EN: I like listening to my favorite singer.
B1: Ik luister vaak naar verschillende muziekgenres, zoals pop en jazz.
B2: Ik ga regelmatig naar concerten en ontdek graag nieuwe artiesten.
Wandelen – Walking – المشي
A1: Ik ga wandelen.
◦ AR: أذهب للمشي.
◦ EN: I go walking.
A2: Ik wandel graag in het park.
◦ AR: أحب المشي في الحديقة.
◦ EN: I like walking in the park.
B1: Ik maak elke zondag een lange wandeling in het bos.
B2: Tijdens het wandelen luister ik vaak naar podcasts over geschiedenis en cultuur.
Wegbeschrijvingen – Directions – الاتجاهات
A1: Waar is de supermarkt?
◦ AR: أين السوبرماركت؟
◦ EN: Where is the supermarket?
A2: Hoe kom ik bij de school?
◦ AR: كيف أصل إلى المدرسة؟
◦ EN: How do I get to the school?
B1: Ga rechtdoor en neem bij de tweede straat links.
B2: Loop rechtuit tot het verkeerslicht, sla dan linksaf en de school ligt na honderd meter aan de rechterkant.
A1: Is het ver naar het werk?
◦ AR: هل الطريق إلى العمل بعيد؟
◦ EN: Is it far to work?
A2: Ik loop meestal naar mijn werk.
◦ AR: عادةً أمشي إلى عملي.
◦ EN: I usually walk to work.
B1: Je moet de derde straat rechtsaf en dan zie je het gebouw aan je linkerhand.
B2: Neem de bus naar het centrum en stap uit bij de halte tegenover het kantoorgebouw.
A1: Waar is het busstation?
◦ AR: أين محطة الحافلات؟
◦ EN: Where is the bus station?
A2: Het busstation is dichtbij het winkelcentrum.
◦ AR: محطة الحافلات بالقرب من المركز التجاري.
◦ EN: The bus station is near the shopping center.
B1: Loop langs de kerk en sla bij het plein rechtsaf, dan zie je het busstation aan het einde van de straat.
B2: Je kunt ook de metro nemen en uitstappen bij het busstation; dat is sneller dan lopen.
A1: Hoe ver is het naar het station?
◦ AR: كم يبعد المحطة؟
◦ EN: How far is it to the station?
A2: Het station is ongeveer tien minuten lopen.
◦ AR: المحطة تبعد حوالي عشر دقائق سيراً على الأقدام.
◦ EN: The station is about a ten-minute walk.
B1: Volg de borden naar het station en steek bij het park de straat over.
B2: Na het park zie je het station aan je rechterkant, vlakbij het café.
Basale gezondheid en lichaamsdelen – Basic Health and Body Parts – الصحة والأجزاء الجسمية الأساسية
Gezondheid – Health – صحة
- A1: Ik ben ziek.
- AR: أنا مريض
- EN: I am sick
- A2: Ik ben ziek en ik blijf thuis.
- AR: أنا مريض وسأبقى في المنزل
- EN: I am sick and I stay at home
- B1: Ik ben ziek, ik blijf thuis en ik neem medicijnen.
A1: Ik voel me goed.
◦ AR: أشعر أنني بخير.
◦ EN: I feel good.
A2: Mijn hoofd doet pijn.
◦ AR: رأسي يؤلمني.
◦ EN: My head hurts.
B1: Ik heb al drie dagen koorts en ik voel me zwak.
B2: De dokter adviseerde me om rust te nemen en veel water te drinken.
A1: Waar is de apotheek?
◦ AR: أين الصيدلية؟
◦ EN: Where is the pharmacy?
A2: Ik heb een verband nodig voor mijn hand.
◦ AR: أحتاج إلى ضمادة ليدي.
◦ EN: I need a bandage for my hand.
B1: Mijn arm is geblesseerd en ik ga naar het ziekenhuis voor controle.
B2: Na het ongeluk moest ik naar de spoedeisende hulp omdat ik mijn enkel had verstuikt.
A1: Mijn arm doet pijn.
◦ AR: ذراعي تؤلمني.
◦ EN: My arm hurts.
A2: Mijn been is gebroken.
◦ AR: ساقي مكسورة.
◦ EN: My leg is broken.
B1: Ik heb last van mijn rug na het tillen van zware spullen.
B2: Door de kou heb ik spierpijn in mijn nek en schouders gekregen.
A1: Ik ben moe.
◦ AR: أنا متعب.
◦ EN: I am tired.
A2: Ik moet naar de dokter.
◦ AR: يجب أن أذهب إلى الطبيب.
◦ EN: I need to go to the doctor.
B1: Na het sporten heb ik last van mijn knieën.
B2: De dokter gaf me medicijnen en raadde aan om voldoende te slapen en gezond te eten.
A1: Heb je pijn?
◦ AR: هل تشعر بالألم؟
◦ EN: Do you have pain?
A2: Waar doet het pijn?
◦ AR: أين تشعر بالألم؟
◦ EN: Where does it hurt?
B1: Mijn keel doet pijn en ik kan moeilijk slikken.
B2: Sinds gisteren heb ik hoofdpijn en koorts, daarom blijf ik vandaag thuis.
Pijn – Pain – الألم
A1: Ik heb pijn.
◦ AR: أشعر بالألم.
◦ EN: I have pain.
A2: Mijn hoofd doet pijn.
◦ AR: رأسي يؤلمني.
◦ EN: My head hurts.
B1: Ik heb al twee dagen pijn in mijn rug.
B2: De pijn in mijn been wordt erger als ik loop.
Klachten – Complaints – الشكاوى
A1: Ik voel me niet goed.
◦ AR: لا أشعر أنني بخير.
◦ EN: I don’t feel well.
A2: Ik heb buikpijn en misselijkheid.
◦ AR: أشعر بألم في بطني وغثيان.
◦ EN: I have stomach pain and nausea.
B1: Ik heb last van hoesten en keelpijn.
B2: Mijn klachten zijn erger geworden, daarom ga ik naar de dokter.
Naar de dokter – Going to the doctor – الذهاب إلى الطبيب
A1: Ik ga naar de dokter.
◦ AR: سأذهب إلى الطبيب.
◦ EN: I am going to the doctor.
A2: Ik heb een afspraak bij de dokter.
◦ AR: لدي موعد مع الطبيب.
◦ EN: I have an appointment with the doctor.
B1: De dokter onderzoekt mijn keel en luistert naar mijn longen.
B2: Na het onderzoek schrijft de dokter medicijnen voor.
Naar de apotheek – Going to the pharmacy – الذهاب إلى الصيدلية
A1: Waar is de apotheek?
◦ AR: أين الصيدلية؟
◦ EN: Where is the pharmacy?
A2: Ik moet medicijnen halen bij de apotheek.
◦ AR: يجب أن أحصل على دواء من الصيدلية.
◦ EN: I need to get medicine from the pharmacy.
B1: De apotheker gaf me een recept voor de medicijnen.
B2: Ik haal regelmatig mijn medicijnen bij deze apotheek in de buurt.
Koorts – Fever – الحمى
A1: Ik heb koorts.
◦ AR: لدي حمى.
◦ EN: I have a fever.
A2: Mijn temperatuur is hoger dan normaal.
◦ AR: درجة حرارتي أعلى من المعتاد.
◦ EN: My temperature is higher than normal.
B1: Ik voel me zwak en ik heb koorts sinds gisteren.
B2: De dokter adviseerde me om thuis te blijven en veel te drinken vanwege de koorts.
Lichaamsdelen – Body parts – أجزاء الجسم
A1: Dit is mijn hoofd.
◦ AR: هذا رأسي.
◦ EN: This is my head.
A2: Mijn handen zijn koud.
◦ AR: يدي باردة.
◦ EN: My hands are cold.
B1: Mijn voeten doen pijn omdat ik lang heb gelopen.
B2: Mijn schouders en nek zijn stijf na een lange dag werken.
Ziekenhuis – Hospital – المستشفى
A1: Ik ga naar het ziekenhuis.
◦ AR: سأذهب إلى المستشفى.
◦ EN: I am going to the hospital.
A2: Het ziekenhuis is dicht bij mijn huis.
◦ AR: المستشفى قريب من منزلي.
◦ EN: The hospital is close to my house.
B1: Ik ben opgenomen in het ziekenhuis voor onderzoek.
B2: Na de behandeling in het ziekenhuis voel ik me veel beter.
A2 woorden (met zinnen op A1-B2 niveau)
Werk en beroep – Work and Profession – العمل والمهنة
A1: Ik werk in een kantoor.
◦ AR: أعمل في مكتب.
◦ EN: I work in an office.
A2: Mijn baas is vriendelijk en ik werk elke dag van negen tot vijf.
◦ AR: رئيسي لطيف وأعمل كل يوم من التاسعة إلى الخامسة.
◦ EN: My boss is friendly and I work every day from nine to five.
B1: Ik solliciteer voor een baan als administratief medewerker bij een groot bedrijf.
B2: Tijdens mijn werk organiseer ik vergaderingen en schrijf ik rapporten voor het management.
Beroepen – Professions – المهن
A1: Hij is timmerman.
◦ AR: هو نجار.
◦ EN: He is a carpenter.
A2: Zij werkt als verpleegster in het ziekenhuis.
◦ AR: هي تعمل كممرضة في المستشفى.
◦ EN: She works as a nurse in the hospital.
B1: Mijn vriend is elektricien en hij installeert lampen en stopcontacten.
B2: Als architect ontwerp ik gebouwen en ik werk samen met bouwbedrijven.
Werkplek – Workplace – مكان العمل
A1: Mijn werkplek is schoon en rustig.
◦ AR: مكان عملي نظيف وهادئ.
◦ EN: My workplace is clean and quiet.
A2: Op mijn werkplek staan computers, bureaus en stoelen.
◦ AR: في مكان عملي هناك حواسيب ومكاتب وكراسي.
◦ EN: At my workplace, there are computers, desks, and chairs.
B1: De werkplek is goed georganiseerd en iedereen helpt elkaar.
B2: Op kantoor is er een aparte ruimte voor vergaderingen en pauzes.
Solliciteren – Applying for a job – التقدم لوظيفة
A1: Ik zoek een baan.
◦ AR: أبحث عن وظيفة.
◦ EN: I am looking for a job.
A2: Ik stuur een brief om te solliciteren.
◦ AR: أرسل رسالة للتقدم للوظيفة.
◦ EN: I send a letter to apply for the job.
B1: Ik heb een sollicitatiegesprek gehad bij een groot bedrijf.
B2: Tijdens het gesprek leg ik uit waarom ik geschikt ben voor de functie.
Dagelijkse werkzaamheden – Daily tasks – المهام اليومية
A1: Ik typ op de computer.
◦ AR: أكتب على الكمبيوتر.
◦ EN: I type on the computer.
A2: Ik beantwoord e-mails en maak afspraken.
◦ AR: أجيب على الرسائل الإلكترونية وأحدد المواعيد.
◦ EN: I answer emails and make appointments.
B1: Mijn werkzaamheden bestaan uit het bijhouden van de administratie en het plannen van vergaderingen.
B2: Ik organiseer projecten en zorg dat alles op tijd klaar is.
Bouwen – Building – البناء
A1: De bouwvakker werkt op de bouwplaats.
◦ AR: عامل البناء يعمل في موقع البناء.
◦ EN: The construction worker works on the building site.
A2: Ze bouwen een nieuw huis in de straat.
◦ AR: هم يبنون بيتًا جديدًا في الشارع.
◦ EN: They are building a new house on the street.
B1: De bouwvakkers gebruiken machines om het werk sneller te doen.
B2: Tijdens de bouw moet alles volgens de veiligheidsregels gebeuren.
Schilderen – Painting – الطلاء
A1: Ik schilder de muur blauw.
◦ AR: أطلّي الحائط باللون الأزرق.
◦ EN: I paint the wall blue.
A2: Hij schildert het huis elke vijf jaar opnieuw.
◦ AR: هو يعيد طلاء المنزل كل خمس سنوات.
◦ EN: He repaints the house every five years.
B1: Voor het schilderen moet de muur eerst schoongemaakt worden.
B2: Bij het schilderen gebruik ik speciale verf die lang meegaat.
Typen – Typing – الطباعة
A1: Ik kan snel typen.
◦ AR: أستطيع الطباعة بسرعة.
◦ EN: I can type fast.
A2: Ik leer blind typen op school.
◦ AR: أتعلم الطباعة بدون النظر في المدرسة.
◦ EN: I am learning to touch type at school.
B1: Tijdens mijn werk typ ik vaak lange teksten en rapporten.
B2: Met snel en nauwkeurig typen bespaar ik veel tijd op kantoor.
Werk en beroep – Work and Profession – العمل والمهنة
A1: De dokter helpt mensen.
◦ AR: الطبيب يساعد الناس.
◦ EN: The doctor helps people.
A2: De leraar geeft les aan kinderen.
◦ AR: المعلم يدرس الأطفال.
◦ EN: The teacher teaches children.
B1: De kok bereidt dagelijks maaltijden in het restaurant.
B2: De accountant controleert de financiële administratie van het bedrijf.
Vast contract – Permanent contract – عقد دائم
A1: Ik heb een contract.
◦ AR: لدي عقد.
◦ EN: I have a contract.
A2: Mijn contract is voor één jaar.
◦ AR: عقدي لمدة سنة واحدة.
◦ EN: My contract is for one year.
B1: Ik heb een vast contract bij mijn werkgever gekregen.
B2: Een vast contract geeft zekerheid over mijn baan en inkomen.
Overwerken – Overtime – العمل الإضافي
A1: Ik werk extra uren.
◦ AR: أعمل ساعات إضافية.
◦ EN: I work extra hours.
A2: Soms moet ik overwerken na mijn normale werkdag.
◦ AR: أحيانًا يجب أن أعمل ساعات إضافية بعد دوام عملي.
◦ EN: Sometimes I have to work overtime after my normal workday.
B1: Overwerken gebeurt vaak bij drukke projecten op kantoor.
B2: Door overwerken verdien ik extra geld, maar het kost me ook tijd.
Pauze – Break – استراحة
A1: Ik neem pauze om te eten.
◦ AR: آخذ استراحة لأكل الطعام.
◦ EN: I take a break to eat.
A2: Tijdens de pauze drink ik koffie met mijn collega’s.
◦ AR: أثناء الاستراحة أشرب القهوة مع زملائي.
◦ EN: During the break, I drink coffee with my colleagues.
B1: In de pauze praten we over het werk en ontspanning.
B2: Ik gebruik mijn pauze om even te wandelen en mijn hoofd leeg te maken.
Team – Team – فريق
A1: Wij werken in een team.
◦ AR: نحن نعمل في فريق.
◦ EN: We work in a team.
A2: Ons team bestaat uit vijf collega’s.
◦ AR: فريقنا يتكون من خمسة زملاء.
◦ EN: Our team consists of five colleagues.
B1: Het team overlegt elke week over de voortgang van het project.
B2: Samenwerken in een team maakt het werk leuker en effectiever.
Onderwijs en studie – Education and Study – التعليم والدراسة
Schoolvak – School Subject – مادة دراسية
A1: Mijn favoriete schoolvak is wiskunde.
◦ AR: مادتي الدراسية المفضلة هي الرياضيات.
◦ EN: My favorite school subject is math.
A2: Ik vind geschiedenis een interessant schoolvak.
◦ AR: أجد التاريخ مادة دراسية ممتعة.
◦ EN: I find history an interesting school subject.
B1: Tijdens het schoolvak natuurkunde leren we over de natuurwetten.
B2: Het schoolvak Engels helpt mij om beter te communiceren in het buitenland.
Leraar – Teacher – معلم
A1: De leraar geeft les.
◦ AR: المعلم يعطي الدرس.
◦ EN: The teacher gives a lesson.
A2: Mijn leraar helpt me met moeilijke vragen.
◦ AR: معلمي يساعدني في الأسئلة الصعبة.
◦ EN: My teacher helps me with difficult questions.
B1: De leraar legt de stof duidelijk uit aan de klas.
B2: De leraar motiveert de leerlingen om goed te studeren.
Les – Lesson – درس
A1: Ik heb een les Nederlands.
◦ AR: لدي درس في اللغة الهولندية.
◦ EN: I have a Dutch lesson.
A2: De les begint om negen uur.
◦ AR: يبدأ الدرس في الساعة التاسعة.
◦ EN: The lesson starts at nine o’clock.
B1: Tijdens de les maken we aantekeningen in ons schrift.
B2: Na de les bespreekt de docent de opdrachten met de klas.
Studeren – Studying – الدراسة
A1: Ik studeer elke dag.
◦ AR: أدرس كل يوم.
◦ EN: I study every day.
A2: Ik studeer voor mijn examen volgende week.
◦ AR: أدرس لامتحاني الأسبوع القادم.
◦ EN: I study for my exam next week.
B1: Ik studeer in de bibliotheek omdat het rustig is.
B2: Door goed te studeren hoop ik mijn diploma te halen.
Opleiding – Education Program – برنامج تعليمي
A1: Ik volg een opleiding.
◦ AR: أنا أتابع برنامجًا تعليميًا.
◦ EN: I follow an education program.
A2: Mijn opleiding duurt drie jaar.
◦ AR: برنامجي التعليمي يدوم ثلاث سنوات.
◦ EN: My education program lasts three years.
B1: Tijdens mijn opleiding leer ik veel over techniek.
B2: De opleiding bereidt me voor op een baan in de zorg.
Examen – Exam – امتحان
A1: Ik heb een examen.
◦ AR: لدي امتحان.
◦ EN: I have an exam.
A2: Het examen is volgende week.
◦ AR: الامتحان الأسبوع القادم.
◦ EN: The exam is next week.
B1: Ik ben zenuwachtig voor mijn examen Nederlands.
B2: Na het examen bespreekt de leraar de resultaten met de klas.
Huiswerk – Homework – واجب منزلي
A1: Ik maak mijn huiswerk.
◦ AR: أعمل واجبي المنزلي.
◦ EN: I do my homework.
A2: Het huiswerk is moeilijk vandaag.
◦ AR: الواجب صعب اليوم.
◦ EN: The homework is difficult today.
B1: Ik maak mijn huiswerk altijd na school.
B2: Door huiswerk te maken verbeter ik mijn taalvaardigheid.
Bibliotheek – Library – مكتبة
A1: Ik ga naar de bibliotheek.
◦ AR: أذهب إلى المكتبة.
◦ EN: I go to the library.
A2: In de bibliotheek leen ik boeken.
◦ AR: أستعير كتبًا من المكتبة.
◦ EN: I borrow books from the library.
B1: De bibliotheek is een rustige plek om te studeren.
B2: Ik gebruik de bibliotheek om extra informatie voor mijn studie te vinden.
Presentatie – Presentation – عرض تقديمي
A1: Ik geef een presentatie.
◦ AR: أقدم عرضًا تقديميًا.
◦ EN: I give a presentation.
A2: Mijn presentatie gaat over het milieu.
◦ AR: عرضي التقديمي عن البيئة.
◦ EN: My presentation is about the environment.
B1: Tijdens de presentatie gebruik ik een PowerPoint.
B2: Ik oefen mijn presentatie voor de klas om zenuwen te verminderen.
Studieboeken – Textbooks – كتب الدراسة
A1: Ik lees uit mijn studieboek.
◦ AR: أقرأ من كتاب دراستي.
◦ EN: I read from my textbook.
A2: Mijn studieboeken zijn zwaar.
◦ AR: كتب دراستي ثقيلة.
◦ EN: My textbooks are heavy.
B1: Ik gebruik mijn studieboeken om te leren voor het examen.
B2: Studieboeken helpen me de stof beter te begrijpen en te onthouden.
Reizen en vervoer – Travel and Transport – السفر والنقل
Openbaar vervoer – Public Transport – النقل العام
A1: Ik neem de bus naar mijn werk.
◦ AR: أستقل الحافلة إلى عملي.
◦ EN: I take the bus to my work.
A2: Het openbaar vervoer is vaak druk in de ochtend.
◦ AR: يكون النقل العام مزدحمًا غالبًا في الصباح.
◦ EN: Public transport is often busy in the morning.
B1: Ik gebruik het openbaar vervoer om naar school te gaan.
B2: Het openbaar vervoer is milieuvriendelijk en goedkoop.
Ticket – Ticket – تذكرة
A1: Ik koop een ticket voor de trein.
◦ AR: أشتري تذكرة القطار.
◦ EN: I buy a train ticket.
A2: Het ticket kost tien euro.
◦ AR: تكلف التذكرة عشرة يورو.
◦ EN: The ticket costs ten euros.
B1: Ik koop mijn tickets online om tijd te besparen.
B2: Voor lange reizen is het handig om een retourticket te kopen.
Route – Route – مسار
A1: Wat is de route naar het station?
◦ AR: ما هو الطريق إلى المحطة؟
◦ EN: What is the route to the station?
A2: De route naar het museum is duidelijk aangegeven.
◦ AR: الطريق إلى المتحف موضح بوضوح.
◦ EN: The route to the museum is clearly marked.
B1: Ik gebruik een app om de snelste route te vinden.
B2: De routeplanner helpt me om vertragingen te vermijden.
Hotel – Hotel – فندق
A1: Ik verblijf in een hotel.
◦ AR: أنا أقيم في فندق.
◦ EN: I stay in a hotel.
A2: Het hotel heeft een zwembad en gratis wifi.
◦ AR: يحتوي الفندق على مسبح وإنترنت مجاني.
◦ EN: The hotel has a swimming pool and free wifi.
B1: Ik boek mijn hotel van tevoren via internet.
B2: Het hotelpersoneel helpt me met het regelen van een taxi.
Vliegticket – Plane Ticket – تذكرة طائرة
A1: Ik heb een vliegticket naar Amsterdam.
◦ AR: لدي تذكرة طائرة إلى أمستردام.
◦ EN: I have a plane ticket to Amsterdam.
A2: Mijn vliegticket is geldig voor volgende maand.
◦ AR: تذكرتي صالحة للشهر القادم.
◦ EN: My plane ticket is valid for next month.
B1: Ik check online in met mijn vliegticket.
B2: Bij het inchecken laat ik mijn vliegticket aan de balie zien.
Station – Station – محطة
A1: Ik ben op het station.
◦ AR: أنا في المحطة.
◦ EN: I am at the station.
A2: Het station is groot en heeft veel winkels.
◦ AR: المحطة كبيرة ولديها العديد من المتاجر.
◦ EN: The station is large and has many shops.
B1: Op het station wacht ik op de trein naar Rotterdam.
B2: Het station is goed bereikbaar met de bus en de tram.
Taxi – Taxi – تاكسي
A1: Ik neem een taxi naar het hotel.
◦ AR: أستقل سيارة أجرة إلى الفندق.
◦ EN: I take a taxi to the hotel.
A2: De taxi is duurder dan de bus.
◦ AR: سيارة الأجرة أغلى من الحافلة.
◦ EN: The taxi is more expensive than the bus.
B1: Ik bel een taxi via een app op mijn telefoon.
B2: De taxi-chauffeur spreekt goed Engels en weet de weg.
Reis – Trip – رحلة
A1: Ik maak een reis naar Frankrijk.
◦ AR: أقوم برحلة إلى فرنسا.
◦ EN: I take a trip to France.
A2: Mijn reis duurt twee weken.
◦ AR: رحلتي تستغرق أسبوعين.
◦ EN: My trip lasts two weeks.
B1: Tijdens mijn reis bezoek ik verschillende steden.
B2: Ik plan mijn reis zorgvuldig om alles te kunnen zien.
Vertrek – Departure – المغادرة
A1: Het vertrek is om tien uur.
◦ AR: المغادرة في الساعة العاشرة.
◦ EN: The departure is at ten o’clock.
A2: Bij het vertrek moet je je bagage laten controleren.
◦ AR: عند المغادرة يجب فحص أمتعتك.
◦ EN: At departure, you must have your luggage checked.
B1: Het vertrek van de trein is altijd op tijd.
B2: Bij het vertrek van de vlucht worden de passagiers omgeroepen.
Aankomst – Arrival – الوصول
A1: De aankomst is om acht uur.
◦ AR: الوصول في الساعة الثامنة.
◦ EN: The arrival is at eight o’clock.
A2: Bij aankomst wacht mijn familie op mij.
◦ AR: عند الوصول تنتظر عائلتي.
◦ EN: My family waits for me at arrival.
B1: De aankomst van de trein is iets vertraagd.
B2: Bij aankomst moet je je paspoort laten zien.
Ticket – Ticket – تذكرة
A1: Ik koop een ticket voor de trein.
◦ AR: أشتري تذكرة القطار.
◦ EN: I buy a train ticket.
A2: Het ticket kost tien euro.
◦ AR: تكلف التذكرة عشرة يورو.
◦ EN: The ticket costs ten euros.
B1: Ik koop mijn tickets online om tijd te besparen.
B2: Voor lange reizen is het handig om een retourticket te kopen.
Treinkaartje – Train Ticket – تذكرة القطار
A1: Ik heb een treinkaartje nodig voor Amsterdam.
◦ AR: أحتاج إلى تذكرة قطار إلى أمستردام.
◦ EN: I need a train ticket to Amsterdam.
A2: Het treinkaartje is geldig voor één dag.
◦ AR: تذكرة القطار صالحة ليوم واحد.
◦ EN: The train ticket is valid for one day.
B1: Ik bewaar mijn treinkaartje goed zodat ik het niet kwijt raak.
B2: Soms kun je een voordeliger treinkaartje kopen bij vroeg boeken.
Conducteur – Conductor – مراقب التذاكر
A1: De conducteur controleert de kaartjes in de trein.
◦ AR: يقوم مراقب التذاكر بفحص التذاكر في القطار.
◦ EN: The conductor checks the tickets on the train.
A2: Als je geen kaartje hebt, kan de conducteur een boete geven.
◦ AR: إذا لم يكن لديك تذكرة، يمكن لمراقب التذاكر أن يعطيك غرامة.
◦ EN: If you don’t have a ticket, the conductor can give you a fine.
B1: De conducteur helpt ook bij vragen tijdens de reis.
B2: Soms is de conducteur verantwoordelijk voor de veiligheid in de trein.
Goederentrein – Freight Train – قطار البضائع
A1: De goederentrein brengt spullen naar andere steden.
◦ AR: ينقل قطار البضائع البضائع إلى مدن أخرى.
◦ EN: The freight train carries goods to other cities.
A2: Goederentreinen zijn vaak langer dan personen treinen.
◦ AR: تكون قطارات البضائع غالبًا أطول من قطارات الركاب.
◦ EN: Freight trains are often longer than passenger trains.
B1: Goederentreinen rijden meestal ’s nachts om het spoor vrij te houden.
B2: Het vervoer per goederentrein is milieuvriendelijker dan vrachtwagens.
Detectiepoortjes – Detection Gates – بوابات الكشف
A1: Bij de ingang zijn detectiepoortjes.
◦ AR: توجد بوابات كشف عند المدخل.
◦ EN: There are detection gates at the entrance.
A2: De detectiepoortjes controleren je kaartje.
◦ AR: تتحقق بوابات الكشف من تذكرتك.
◦ EN: The detection gates check your ticket.
B1: Soms gaan de detectiepoortjes niet open bij een fout.
B2: Medewerkers kunnen je helpen als de detectiepoortjes niet werken.
Busstation – Bus Station – محطة الحافلات
A1: Het busstation is vlakbij mijn huis.
◦ AR: محطة الحافلات بالقرب من بيتي.
◦ EN: The bus station is near my house.
A2: Op het busstation wachten veel mensen op de bus.
◦ AR: في محطة الحافلات ينتظر الكثير من الناس الحافلة.
◦ EN: Many people wait for the bus at the bus station.
B1: Het busstation heeft ook een kiosk en een wachtruimte.
B2: Op het busstation kun je informatie krijgen over vertrektijden.
Treinstation – Train Station – محطة القطار
A1: Ik stap uit op het treinstation.
◦ AR: أنزل في محطة القطار.
◦ EN: I get off at the train station.
A2: Het treinstation is druk tijdens de ochtendspits.
◦ AR: محطة القطار مزدحمة خلال ساعة الذروة الصباحية.
◦ EN: The train station is busy during the morning rush hour.
B1: Op het treinstation zijn winkels en cafés.
B2: Het treinstation heeft borden met informatie over treinen.
Bushokje – Bus Shelter – موقف الحافلات
A1: Ik wacht in het bushokje op de bus.
◦ AR: أنتظر في موقف الحافلات للحافلة.
◦ EN: I wait in the bus shelter for the bus.
A2: Het bushokje beschermt tegen regen en wind.
◦ AR: موقف الحافلات يحمي من المطر والرياح.
◦ EN: The bus shelter protects against rain and wind.
B1: Soms staat er reclame in het bushokje.
B2: Het bushokje heeft een zitplaats voor ouderen en kinderen.
Mededelingenbord – Notice Board – لوحة الإعلانات
A1: Op het mededelingenbord staat de vertrektijd.
◦ AR: على لوحة الإعلانات وقت المغادرة.
◦ EN: The notice board shows the departure time.
A2: Ik kijk op het mededelingenbord voor mijn bus.
◦ AR: أنظر إلى لوحة الإعلانات للحافلة الخاصة بي.
◦ EN: I look at the notice board for my bus.
B1: Het mededelingenbord hangt vaak in het station of op het busstation.
B2: Het mededelingenbord geeft ook informatie over vertragingen.
Winkelen en diensten – Shopping and Services – التسوق والخدمات
Bestellen – Ordering – الطلب
A1: Ik wil graag een koffie bestellen.
◦ AR: أريد طلب فنجان قهوة.
◦ EN: I would like to order a coffee.
A2: Mag ik de menukaart alstublieft?
◦ AR: هل يمكنني الحصول على قائمة الطعام من فضلك؟
◦ EN: May I have the menu, please?
B1: Ik wil graag het dagschotel bestellen.
B2: Zou u mij de speciale gerechten kunnen aanbevelen?
Prijzen – Prices – الأسعار
A1: Wat kost deze appel?
◦ AR: كم سعر هذه التفاحة؟
◦ EN: How much does this apple cost?
A2: Hoeveel kost een kopje thee?
◦ AR: كم ثمن فنجان الشاي؟
◦ EN: How much is a cup of tea?
B1: Zijn er kortingen voor studenten?
B2: Kunt u mij uitleggen waarom dit product duurder is?
Service – Service – الخدمة
A1: De ober brengt de rekening.
◦ AR: النادل يجلب الفاتورة.
◦ EN: The waiter brings the bill.
A2: De service was heel vriendelijk.
◦ AR: كانت الخدمة ودودة جدًا.
◦ EN: The service was very friendly.
B1: Ik wil graag een klacht indienen over de service.
B2: Goede service is belangrijk voor terugkerende klanten.
Menu – Menu – قائمة الطعام
A1: Mag ik het menu alstublieft?
◦ AR: هل يمكنني الحصول على قائمة الطعام؟
◦ EN: May I have the menu, please?
A2: Is er een vegetarisch menu?
◦ AR: هل يوجد قائمة نباتية؟
◦ EN: Is there a vegetarian menu?
B1: Ik wil graag de suggesties van de chef proberen.
B2: Kunt u me meer vertellen over de ingrediënten?
Kassa – Cash Register – صندوق الدفع
A1: Ik betaal bij de kassa.
◦ AR: أدفع عند صندوق الدفع.
◦ EN: I pay at the cash register.
A2: Kan ik ook met pinpas betalen?
◦ AR: هل يمكنني الدفع بالبطاقة؟
◦ EN: Can I pay by card?
B1: Soms is er een wachtrij bij de kassa.
B2: De kassamedewerker gaf me een bonnetje.
Retourneren – Returning – الإرجاع
A1: Ik wil dit product retourneren.
◦ AR: أريد إرجاع هذا المنتج.
◦ EN: I want to return this product.
A2: Heeft u het bonnetje nog?
◦ AR: هل لديك الإيصال؟
◦ EN: Do you still have the receipt?
B1: Het product is beschadigd en ik wil mijn geld terug.
B2: Retourneren kan binnen 14 dagen na aankoop.
Aanbieding – Offer – عرض
A1: Is er een aanbieding voor deze jas?
◦ AR: هل هناك عرض على هذه السترة؟
◦ EN: Is there an offer on this jacket?
A2: Deze aanbieding geldt alleen vandaag.
◦ AR: هذا العرض صالح فقط اليوم.
◦ EN: This offer is valid only today.
B1: Ik koop vaak producten in de aanbieding.
B2: Aanbiedingen helpen om geld te besparen.
Verpakking – Packaging – التغليف
A1: Wilt u het in een tas verpakken?
◦ AR: هل تريد أن نغلفه في حقيبة؟
◦ EN: Would you like it packed in a bag?
A2: Deze verpakking is milieuvriendelijk.
◦ AR: هذا التغليف صديق للبيئة.
◦ EN: This packaging is environmentally friendly.
B1: Ik heb liever geen plastic verpakking.
B2: Goede verpakking beschermt het product tijdens transport.
Reserveren – Reserving – الحجز
A1: Ik wil een tafel reserveren.
◦ AR: أريد حجز طاولة.
◦ EN: I want to reserve a table.
A2: Voor hoeveel personen wilt u reserveren?
◦ AR: كم عدد الأشخاص للحجز؟
◦ EN: For how many people do you want to reserve?
B1: Ik reserveer altijd van tevoren in drukke restaurants.
B2: Reserveren is aan te raden voor het weekend.
Servicekosten – Service Charges – رسوم الخدمة
A1: Zijn de servicekosten inbegrepen?
◦ AR: هل رسوم الخدمة متضمنة؟
◦ EN: Are the service charges included?
A2: De servicekosten zijn vijf procent.
◦ AR: رسوم الخدمة خمسة بالمئة.
◦ EN: The service charges are five percent.
B1: Soms worden de servicekosten apart berekend.
B2: Servicekosten verschillen per restaurant.
Klant – Customer – زبون
A1: De klant betaalt aan de kassa.
◦ AR: الزبون يدفع عند الصندوق.
◦ EN: The customer pays at the register.
A2: De klant is koning in onze winkel.
◦ AR: الزبون هو الملك في متجرنا.
◦ EN: The customer is king in our store.
B1: Een tevreden klant komt terug.
B2: Klanttevredenheid is belangrijk voor het bedrijf.
Portemonnee – Wallet – محفظة
A1: Ik heb mijn portemonnee vergeten.
◦ AR: نسيت محفظتي.
◦ EN: I forgot my wallet.
A2: In mijn portemonnee zit geld en pasjes.
◦ AR: في محفظتي يوجد نقود وبطاقات.
◦ EN: In my wallet are money and cards.
B1: Mijn portemonnee is gestolen.
B2: Zorg dat je portemonnee altijd veilig is.
Korting – Discount – خصم
A1: Is er korting op deze jas?
◦ AR: هل هناك خصم على هذه السترة؟
◦ EN: Is there a discount on this jacket?
A2: Ik krijg tien procent korting.
◦ AR: أحصل على خصم عشرة بالمئة.
◦ EN: I get a ten percent discount.
B1: Tijdens de uitverkoop zijn er veel kortingen.
B2: Met een kortingscode betaal je minder.
Gezondheid en lichaam – Health and Body – الصحة والجسم
Symptoom – Symptom – عرض
A1: Ik heb koorts en hoofdpijn.
◦ AR: لدي حمى وصداع.
◦ EN: I have a fever and headache.
A2: Deze symptomen kunnen op griep wijzen.
◦ AR: قد تشير هذه الأعراض إلى الإنفلونزا.
◦ EN: These symptoms can indicate the flu.
B1: Het is belangrijk om symptomen goed te herkennen.
B2: Symptomen verschillen per ziekte.
Huisarts – General Practitioner – طبيب الأسرة
A1: Ik ga naar de huisarts.
◦ AR: أذهب إلى طبيب الأسرة.
◦ EN: I am going to the general practitioner.
A2: De huisarts onderzoekt mijn keel.
◦ AR: طبيب الأسرة يفحص حلقى.
◦ EN: The general practitioner examines my throat.
B1: De huisarts schrijft medicijnen voor.
B2: Bij ernstige klachten moet je direct de huisarts bellen.
Assistente – Assistant – المساعدة الطبية
A1: De assistente maakt een afspraak voor mij.
◦ AR: المساعدة الطبية تحدد لي موعدًا.
◦ EN: The assistant makes an appointment for me.
A2: De assistente meet mijn temperatuur.
◦ AR: المساعدة الطبية تقيس حرارتي.
◦ EN: The assistant measures my temperature.
B1: De assistente helpt bij het onderzoeken van patiënten.
B2: Soms beantwoordt de assistente mijn vragen over de afspraak.
Recept – Prescription – وصفة طبية
A1: De huisarts geeft mij een recept.
◦ AR: يعطي طبيب الأسرة لي وصفة طبية.
◦ EN: The general practitioner gives me a prescription.
A2: Met het recept haal ik medicijnen bij de apotheek.
◦ AR: أستخدم الوصفة الطبية لصرف الدواء من الصيدلية.
◦ EN: With the prescription, I get medicine at the pharmacy.
B1: Het recept is geldig voor één maand.
B2: Sommige medicijnen kun je niet zonder recept kopen.
Huisartsenpost – GP Out-of-Hours Service – مركز طبي خارج ساعات العمل
A1: De huisarts is er niet, ik ga naar de huisartsenpost.
◦ AR: طبيب الأسرة غير موجود، سأذهب إلى مركز طبي خارج ساعات العمل.
◦ EN: The GP is not available, I am going to the out-of-hours service.
A2: Bij spoed kun je de huisartsenpost bellen.
◦ AR: في حالة الطوارئ يمكنك الاتصال بمركز طبي خارج ساعات العمل.
◦ EN: In an emergency, you can call the out-of-hours service.
B1: De huisartsenpost is ’s avonds en in het weekend open.
B2: De huisartsenpost helpt bij dringende medische problemen.
Bezoekuren – Visiting Hours – أوقات الزيارة
A1: De bezoekuren zijn van drie tot vijf uur.
◦ AR: أوقات الزيارة من الثالثة إلى الخامسة.
◦ EN: The visiting hours are from three to five o’clock.
A2: Tijdens de bezoekuren mogen familie en vrienden langskomen.
◦ AR: خلال أوقات الزيارة يمكن للعائلة والأصدقاء المجيء.
◦ EN: During visiting hours, family and friends can visit.
B1: Buiten de bezoekuren mag niemand op bezoek komen.
B2: Bezoekuren verschillen per afdeling in het ziekenhuis.
Spreekuur – Consultation Hour – ساعة الاستشارة
A1: Het spreekuur begint om half tien.
◦ AR: تبدأ ساعة الاستشارة في التاسعة والنصف.
◦ EN: The consultation hour starts at half past nine.
A2: Ik heb een afspraak voor het spreekuur.
◦ AR: لدي موعد لساعة الاستشارة.
◦ EN: I have an appointment for the consultation hour.
B1: Tijdens het spreekuur onderzoekt de huisarts patiënten.
B2: Het spreekuur is vaak druk, dus er kunnen wachttijden zijn.
Wachttijd – Waiting Time – وقت الانتظار
A1: De wachttijd is ongeveer vijf minuten.
◦ AR: وقت الانتظار حوالي خمس دقائق.
◦ EN: The waiting time is about five minutes.
A2: Door de drukte is de wachttijd langer.
◦ AR: بسبب الازدحام يكون وقت الانتظار أطول.
◦ EN: Because of the rush, the waiting time is longer.
B1: Lange wachttijden kunnen vervelend zijn voor patiënten.
B2: Soms krijg je een belletje als je aan de beurt bent om wachttijd te voorkomen.
Spoeddienst – Emergency Service – خدمة الطوارئ
A1: Bij ernstige klachten ga ik naar de spoeddienst.
◦ AR: عند الشكاوى الخطيرة أذهب إلى خدمة الطوارئ.
◦ EN: For serious complaints, I go to the emergency service.
A2: De spoeddienst is 24 uur per dag open.
◦ AR: خدمة الطوارئ مفتوحة على مدار 24 ساعة.
◦ EN: The emergency service is open 24 hours a day.
B1: De spoeddienst behandelt patiënten met spoedeisende hulp.
B2: Soms moet je lang wachten bij de spoeddienst.
112 – Emergency Number – رقم الطوارئ
A1: Bel 112 bij een noodgeval.
◦ AR: اتصل بالرقم 112 في حالة الطوارئ.
◦ EN: Call 112 in an emergency.
A2: 112 is het algemene noodnummer in Nederland.
◦ AR: 112 هو رقم الطوارئ العام في هولندا.
◦ EN: 112 is the general emergency number in the Netherlands.
B1: Bij brand of een ernstig ongeluk bel je 112.
B2: 112 verbindt je met politie, ambulance of brandweer.
Noodhulp – Emergency Aid – المساعدة الطارئة
A1: Noodhulp komt snel bij een ongeluk.
◦ AR: تصل المساعدة الطارئة بسرعة عند الحادث.
◦ EN: Emergency aid arrives quickly at an accident.
A2: De ambulance geeft noodhulp onderweg naar het ziekenhuis.
◦ AR: تقدم سيارة الإسعاف المساعدة الطارئة في الطريق إلى المستشفى.
◦ EN: The ambulance provides emergency aid on the way to the hospital.
B1: Noodhulp is belangrijk bij levensbedreigende situaties.
B2: Het personeel van de spoeddienst verleent noodhulp.
Medicijn – Medicine – دواء
A1: Ik neem elke dag mijn medicijnen.
◦ AR: أتناول دوائي كل يوم.
◦ EN: I take my medicine every day.
A2: Dit medicijn helpt tegen hoesten.
◦ AR: هذا الدواء يساعد ضد السعال.
◦ EN: This medicine helps against coughing.
B1: De apotheek verkoopt medicijnen zonder recept.
B2: Medicijnen moeten volgens voorschrift worden ingenomen.
Koorts – Fever – حمى
A1: Ik heb koorts en voel me ziek.
◦ AR: لدي حمى وأشعر بالمرض.
◦ EN: I have a fever and feel sick.
A2: Koorts is een teken dat het lichaam vecht tegen een infectie.
◦ AR: الحمى علامة على أن الجسم يقاوم عدوى.
◦ EN: Fever is a sign the body fights an infection.
B1: Bij hoge koorts moet je naar het ziekenhuis.
B2: Koorts kan gepaard gaan met zweten en rillingen.
Hoofdpijn – Headache – صداع
A1: Ik heb hoofdpijn sinds vanochtend.
◦ AR: أعاني من صداع منذ الصباح.
◦ EN: I have had a headache since this morning.
A2: Hoofdpijn kan door stress komen.
◦ AR: قد يكون الصداع بسبب التوتر.
◦ EN: Headache can be caused by stress.
B1: Bij ernstige hoofdpijn moet je een dokter zien.
B2: Hoofdpijn kan ook een symptoom zijn van andere ziekten.
Griep – Flu – إنفلونزا
A1: Ik heb griep en ben moe.
◦ AR: أصبت بالإنفلونزا وأنا متعب.
◦ EN: I have the flu and I am tired.
A2: Griep begint vaak met koorts en spierpijn.
◦ AR: تبدأ الإنفلونزا غالبًا بالحمى وآلام العضلات.
◦ EN: Flu often starts with fever and muscle pain.
B1: Griep verspreidt zich gemakkelijk.
B2: Het is belangrijk om goed uit te rusten om sneller van de griep te herstellen.
Ziekenhuis – Hospital – مستشفى
A1: Ik ga naar het ziekenhuis voor onderzoek.
◦ AR: أذهب إلى المستشفى للفحص.
◦ EN: I am going to the hospital for examination.
A2: Het ziekenhuis heeft een apotheek en een spoedeisende hulp.
◦ AR: يحتوي المستشفى على صيدلية وطوارئ.
◦ EN: The hospital has a pharmacy and emergency room.
B1: In het ziekenhuis werken veel dokters en verpleegkundigen.
B2: Een ziekenhuisopname is soms noodzakelijk bij ernstige ziekten.
Verband – Bandage – ضمادة
A1: Ik heb een verband om mijn arm.
◦ AR: لدي ضمادة على ذراعي.
◦ EN: I have a bandage on my arm.
A2: Het verband beschermt de wond.
◦ AR: تحمي الضمادة الجرح.
◦ EN: The bandage protects the wound.
B1: Een verband moet schoon en droog blijven.
B2: De dokter vervangt het verband regelmatig.
Vrije tijd en ontspanning – Leisure and Relaxation – الترفيه والاسترخاء
Activiteit – Activity – نشاط
A1: Ik doe elke week een sportactiviteit.
◦ AR: أقوم بنشاط رياضي كل أسبوع.
◦ EN: I do a sports activity every week.
A2: Een leuke activiteit in het park is fietsen.
◦ AR: نشاط ممتع في الحديقة هو ركوب الدراجة.
◦ EN: A fun activity in the park is cycling.
B1: De activiteiten op het sportfestival zijn voor jong en oud.
B2: Mijn favoriete activiteiten zijn buiten, zoals wandelen en zwemmen.
Vereniging – Club / Association – جمعية
A1: Ik zit in een sportvereniging.
◦ AR: أنا عضو في جمعية رياضية.
◦ EN: I am a member of a sports club.
A2: In de vereniging leer ik nieuwe mensen kennen.
◦ AR: في الجمعية أتعرف على أشخاص جدد.
◦ EN: In the club, I meet new people.
B1: De vereniging organiseert ook toernooien en evenementen.
B2: Lid zijn van een vereniging geeft structuur aan mijn vrije tijd.
Toernooi – Tournament – بطولة
A1: Mijn team doet mee aan het toernooi.
◦ AR: يشارك فريقي في البطولة.
◦ EN: My team participates in the tournament.
A2: Het toernooi duurt drie dagen.
◦ AR: تستمر البطولة ثلاثة أيام.
◦ EN: The tournament lasts three days.
B1: Tijdens het toernooi spelen we tegen verschillende teams.
B2: Het toernooi is spannend en iedereen doet zijn best.
Hobbyclub – Hobby Club – نادي الهوايات
A1: Ik ga elke week naar de hobbyclub.
◦ AR: أذهب إلى نادي الهوايات كل أسبوع.
◦ EN: I go to the hobby club every week.
A2: De hobbyclub is een leuke plek om creatief te zijn.
◦ AR: نادي الهوايات مكان ممتع للإبداع.
◦ EN: The hobby club is a fun place to be creative.
B1: In de hobbyclub leren we verschillende technieken en vaardigheden.
B2: Soms organiseren we exposities om ons werk te laten zien.
Tentoonstelling – Exhibition – معرض
A1: Er is een tentoonstelling in het museum.
◦ AR: هناك معرض في المتحف.
◦ EN: There is an exhibition in the museum.
A2: De tentoonstelling toont kunst van verschillende kunstenaars.
◦ AR: يعرض المعرض فنوناً لفنانين مختلفين.
◦ EN: The exhibition shows art by different artists.
B1: De tentoonstelling duurt een maand.
B2: Veel mensen bezoeken de tentoonstelling in hun vrije tijd.
Recreatie – Recreation – الترفيه
A1: Zwemmen is een leuke vorm van recreatie.
◦ AR: السباحة شكل ممتع من أشكال الترفيه.
◦ EN: Swimming is a fun form of recreation.
A2: Recreatie helpt mij om te ontspannen na het werk.
◦ AR: يساعدني الترفيه على الاسترخاء بعد العمل.
◦ EN: Recreation helps me relax after work.
B1: Er zijn veel recreatiemogelijkheden in de buurt.
B2: Recreatiegebieden zijn belangrijk voor de gezondheid van mensen.
Belevenis – Experience – تجربة
A1: Het uitje was een mooie belevenis.
◦ AR: كانت النزهة تجربة جميلة.
◦ EN: The outing was a nice experience.
A2: Ik herinner me die belevenis nog goed.
◦ AR: ما زلت أتذكر تلك التجربة جيدًا.
◦ EN: I still remember that experience well.
B1: Belevenissen zoals reizen verrijken mijn leven.
B2: Ik deel mijn belevenissen vaak met vrienden en familie.
Vrije tijd – Leisure time – وقت الفراغ
A1: In mijn vrije tijd lees ik boeken.
◦ AR: في وقت فراغي أقرأ الكتب.
◦ EN: In my leisure time, I read books.
A2: Vrije tijd is belangrijk voor ontspanning.
◦ AR: وقت الفراغ مهم للاسترخاء.
◦ EN: Leisure time is important for relaxation.
B1: Tijdens mijn vrije tijd ga ik vaak wandelen.
B2: Vrije tijd besteed ik aan mijn hobby’s en familie.
Uitje – Outing – نزهة
A1: We maken een uitje naar het park.
◦ AR: نذهب في نزهة إلى الحديقة.
◦ EN: We go on an outing to the park.
A2: Het uitje was leuk en zonnig.
◦ AR: كانت النزهة ممتعة ومشمسة.
◦ EN: The outing was fun and sunny.
B1: Voor een uitje plan ik vaak vooraf.
B2: Uitjes met vrienden zijn altijd gezellig.
Sport – Sport – رياضة
A1: Ik speel voetbal in een team.
◦ AR: ألعب كرة القدم في فريق.
◦ EN: I play football in a team.
A2: Sport is goed voor de gezondheid.
◦ AR: الرياضة جيدة للصحة.
◦ EN: Sport is good for health.
B1: Ik train drie keer per week.
B2: Sport helpt om fit te blijven en stress te verminderen.
Hobby – Hobby – هواية
A1: Mijn hobby is schilderen.
◦ AR: هوايتي هي الرسم.
◦ EN: My hobby is painting.
A2: Ik heb verschillende hobby’s, zoals lezen en fietsen.
◦ AR: لدي هوايات مختلفة، مثل القراءة وركوب الدراجة.
◦ EN: I have different hobbies, like reading and cycling.
B1: Mijn hobby helpt mij ontspannen na het werk.
B2: Sommige hobby’s worden gedaan in verenigingen of clubs.
Wandelen – Walking – المشي
A1: Ik wandel elke ochtend in het park.
◦ AR: أمشي كل صباح في الحديقة.
◦ EN: I walk every morning in the park.
A2: Wandelen is een makkelijke sport voor iedereen.
◦ AR: المشي رياضة سهلة للجميع.
◦ EN: Walking is an easy sport for everyone.
B1: Tijdens het wandelen geniet ik van de natuur.
B2: Wandelen helpt om fit te blijven en de geest te ontspannen.
Filmavond – Movie night – ليلة فيلم
A1: Vanavond hebben we een filmavond thuis.
◦ AR: الليلة لدينا ليلة فيلم في المنزل.
◦ EN: Tonight we have a movie night at home.
A2: Een filmavond is leuk met vrienden of familie.
◦ AR: ليلة الفيلم ممتعة مع الأصدقاء أو العائلة.
◦ EN: A movie night is fun with friends or family.
B1: Bij een filmavond maken we vaak popcorn.
B2: Soms huren we een projector voor een groot scherm.
Muziek luisteren – Listening to music – الاستماع إلى الموسيقى
A1: Ik luister graag naar muziek.
◦ AR: أحب الاستماع إلى الموسيقى.
◦ EN: I like listening to music.
A2: Muziek helpt me ontspannen na een drukke dag.
◦ AR: تساعدني الموسيقى على الاسترخاء بعد يوم شاق.
◦ EN: Music helps me relax after a busy day.
B1: Ik luister naar verschillende muziekstijlen.
B2: Muziek kan ook helpen bij het leren of sporten.
Vrienden ontmoeten – Meeting friends – مقابلة الأصدقاء
A1: Ik ontmoet mijn vrienden in het café.
◦ AR: أقابل أصدقائي في المقهى.
◦ EN: I meet my friends in the café.
A2: Vrienden ontmoeten is leuk in het weekend.
◦ AR: مقابلة الأصدقاء ممتعة في عطلة نهاية الأسبوع.
◦ EN: Meeting friends is fun on weekends.
B1: We plannen vaak samen activiteiten.
B2: Vrienden ontmoeten is belangrijk voor sociale contacten.
Woning en buurt – Housing and Neighborhood – السكن والحي
Omgeving – Environment / Surroundings – البيئة
A1: De omgeving van mijn huis is groen en rustig.
◦ AR: بيئة بيتي خضراء وهادئة.
◦ EN: The environment around my house is green and quiet.
A2: In de omgeving zijn veel bomen en bloemen.
◦ AR: في البيئة هناك الكثير من الأشجار والزهور.
◦ EN: In the surroundings, there are many trees and flowers.
B1: De omgeving is geschikt voor kinderen om buiten te spelen.
B2: We houden de omgeving schoon en netjes voor iedereen.
Burenruzie – Neighbor Dispute – نزاع بين الجيران
A1: Soms is er een burenruzie over lawaai.
◦ AR: أحيانًا يكون هناك نزاع بين الجيران بسبب الضوضاء.
◦ EN: Sometimes there is a neighbor dispute about noise.
A2: Een burenruzie kan snel opgelost worden met een gesprek.
◦ AR: يمكن حل نزاع الجيران بسرعة بالحوار.
◦ EN: A neighbor dispute can be quickly solved by talking.
B1: Bij een ernstige burenruzie kan de wijkagent helpen.
B2: Goede communicatie voorkomt veel burenruzies.
Buurtfeest – Neighborhood party – حفلة الحي
A1: Er is een buurtfeest in het park.
◦ AR: هناك حفلة حي في الحديقة.
◦ EN: There is a neighborhood party in the park.
A2: Bij het buurtfeest komen veel mensen samen.
◦ AR: في حفلة الحي يجتمع الكثير من الناس.
◦ EN: Many people come together at the neighborhood party.
B1: Tijdens het buurtfeest is er muziek, eten en spelletjes.
B2: Het buurtfeest zorgt voor een goede sfeer en contact met de buren.
Wijk – District / Area – منطقة
A1: Mijn huis staat in een rustige wijk.
◦ AR: بيتي في منطقة هادئة.
◦ EN: My house is in a quiet district.
A2: De wijk heeft een basisschool en een supermarkt.
◦ AR: تحتوي المنطقة على مدرسة ابتدائية وسوبرماركت.
◦ EN: The district has a primary school and a supermarket.
B1: In de wijk wonen veel gezinnen met kinderen.
B2: De gemeente werkt aan betere voorzieningen in de wijk.
Wijkagent – Community Police Officer – شرطي الحي
A1: De wijkagent helpt bij problemen in de buurt.
◦ AR: شرطي الحي يساعد في مشاكل الحي.
◦ EN: The community police officer helps with problems in the neighborhood.
A2: Ik spreek regelmatig met de wijkagent over veiligheid.
◦ AR: أتحدث بانتظام مع شرطي الحي حول السلامة.
◦ EN: I regularly talk to the community police officer about safety.
B1: De wijkagent organiseert ook preventieactiviteiten.
B2: Dankzij de wijkagent voelt de buurt zich veiliger.
Buurthuis – Community Center – مركز الحي
A1: In het buurthuis zijn verschillende activiteiten.
◦ AR: في مركز الحي توجد أنشطة مختلفة.
◦ EN: There are different activities in the community center.
A2: Het buurthuis is een ontmoetingsplek voor de buurt.
◦ AR: مركز الحي مكان لقاء لسكان الحي.
◦ EN: The community center is a meeting place for the neighborhood.
B1: In het buurthuis worden cursussen en bijeenkomsten gehouden.
B2: Het buurthuis helpt om contacten tussen buren te versterken.
Woning – Home / House – منزل
A1: Mijn woning is klein maar gezellig.
◦ AR: منزلي صغير لكنه مريح.
◦ EN: My home is small but cozy.
A2: De woning heeft drie kamers en een tuin.
◦ AR: يحتوي المنزل على ثلاث غرف وحديقة.
◦ EN: The house has three rooms and a garden.
B1: Onze woning ligt in een rustige buurt.
B2: We zijn net verhuisd naar een nieuwe woning.
Meubel – Furniture – أثاث
A1: Ik heb een grote tafel in mijn woonkamer.
◦ AR: لدي طاولة كبيرة في غرفة المعيشة.
◦ EN: I have a big table in my living room.
A2: De meubels zijn modern en comfortabel.
◦ AR: الأثاث حديث ومريح.
◦ EN: The furniture is modern and comfortable.
B1: We hebben nieuwe meubels gekocht voor de keuken.
B2: De meubels passen goed bij de stijl van het huis.
Buur – Neighbor – جار
A1: Mijn buur is vriendelijk.
◦ AR: جاري ودود.
◦ EN: My neighbor is friendly.
A2: De buren helpen elkaar vaak.
◦ AR: الجيران يساعدون بعضهم البعض كثيرًا.
◦ EN: The neighbors often help each other.
B1: Onze buren organiseren een buurtfeest.
B2: Goede buren maken de buurt prettig om te wonen.
Buurt – Neighborhood – حي
A1: Mijn buurt is rustig en schoon.
◦ AR: حيي هادئ ونظيف.
◦ EN: My neighborhood is quiet and clean.
A2: In de buurt zijn winkels en een school.
◦ AR: في الحي يوجد محلات ومدرسة.
◦ EN: In the neighborhood there are shops and a school.
B1: De buurt heeft veel groene plekken om te wandelen.
B2: De gemeente investeert in het verbeteren van de buurt.
Buurtcentrum – Community Center – مركز الحي
A1: Ik ga vaak naar het buurtcentrum.
◦ AR: أذهب كثيرًا إلى مركز الحي.
◦ EN: I often go to the community center.
A2: In het buurtcentrum zijn verschillende activiteiten.
◦ AR: في مركز الحي توجد أنشطة مختلفة.
◦ EN: There are different activities in the community center.
B1: Het buurtcentrum organiseert workshops en bijeenkomsten.
B2: Het buurtcentrum is belangrijk voor sociale contacten in de buurt.
Parkeerplaats – Parking space – مكان وقوف السيارات
A1: Er is een parkeerplaats voor het huis.
◦ AR: يوجد مكان لوقوف السيارات أمام المنزل.
◦ EN: There is a parking space in front of the house.
A2: De parkeerplaats is vaak vol in de avond.
◦ AR: يكون موقف السيارات غالبًا ممتلئًا في المساء.
◦ EN: The parking lot is often full in the evening.
B1: Bewoners kunnen een parkeerplaats huren.
B2: In de buurt zijn ook parkeergarages en fietsenstallingen.
Straat – Street – شارع
A1: Mijn huis ligt aan een rustige straat.
◦ AR: بيتي يقع في شارع هادئ.
◦ EN: My house is on a quiet street.
A2: De straat is schoon en veilig.
◦ AR: الشارع نظيف وآمن.
◦ EN: The street is clean and safe.
B1: In onze straat wonen vooral gezinnen.
B2: Er zijn plannen om de straat te vernieuwen.
Trap – Stairs – سلم
A1: Ik woon op de tweede verdieping, dus ik gebruik de trap.
◦ AR: أعيش في الطابق الثاني، لذلك أستخدم السلم.
◦ EN: I live on the second floor, so I use the stairs.
A2: De trap is breed en goed verlicht.
◦ AR: السلم واسع ومضاء جيدًا.
◦ EN: The stairs are wide and well-lit.
B1: Soms helpt de buurman met zware spullen via de trap.
B2: In ons gebouw is ook een lift naast de trap.
Lift – Elevator – مصعد
A1: Ik neem de lift naar mijn appartement.
◦ AR: أستخدم المصعد إلى شقتي.
◦ EN: I take the elevator to my apartment.
A2: De lift werkt snel en stil.
◦ AR: يعمل المصعد بسرعة وبهدوء.
◦ EN: The elevator works fast and quietly.
B1: De lift is handig voor oudere mensen.
B2: Soms is de lift buiten gebruik door onderhoud.
Verwarming – Heating – التدفئة
A1: De verwarming is aan in de winter.
◦ AR: التدفئة تعمل في الشتاء.
◦ EN: The heating is on in winter.
A2: De verwarming maakt het huis warm en comfortabel.
◦ AR: التدفئة تجعل المنزل دافئًا ومريحًا.
◦ EN: The heating makes the house warm and comfortable.
B1: We hebben een nieuwe, energiezuinige verwarming geïnstalleerd.
B2: Goede verwarming is belangrijk in koude maanden.
Berging – Storage room – غرفة التخزين
A1: Ik bewaar mijn spullen in de berging.
◦ AR: أخزن أشيائي في غرفة التخزين.
◦ EN: I keep my things in the storage room.
A2: De berging is klein maar handig voor extra spullen.
◦ AR: غرفة التخزين صغيرة لكنها مفيدة للأغراض الإضافية.
◦ EN: The storage room is small but useful for extra items.
B1: In de berging staan fietsen en gereedschap.
B2: Soms gebruiken we de berging ook als wasruimte.
Dak – Roof – سقف
A1: Het dak van mijn huis is rood.
◦ AR: سقف بيتي أحمر.
◦ EN: The roof of my house is red.
A2: Het dak beschermt het huis tegen regen en wind.
◦ AR: يحمي السقف المنزل من المطر والرياح.
◦ EN: The roof protects the house from rain and wind.
B1: Het dak is onlangs gerepareerd vanwege lekkage.
B2: Een goed dak is belangrijk voor isolatie en warmte.
Vloer – Floor – أرضية
A1: De vloer is gemaakt van hout.
◦ AR: الأرضية مصنوعة من الخشب.
◦ EN: The floor is made of wood.
A2: De vloer voelt warm aan en is makkelijk schoon te maken.
◦ AR: الأرضية دافئة وسهلة التنظيف.
◦ EN: The floor feels warm and is easy to clean.
B1: We leggen binnenkort een nieuwe vloer in de woonkamer.
B2: Een goede vloer draagt bij aan het comfort van de woning.
Hek – Fence – سياج
A1: Er staat een hek rondom onze tuin.
◦ AR: هناك سياج حول حديقتنا.
◦ EN: There is a fence around our garden.
A2: Het hek is van hout en geeft privacy.
◦ AR: السياج مصنوع من الخشب ويوفر الخصوصية.
◦ EN: The fence is made of wood and provides privacy.
B1: Het hek is onlangs geschilderd en ziet er mooi uit.
B2: Een stevig hek zorgt voor veiligheid en afbakening van het terrein.
Sociale contacten – Social Contacts – العلاقات الاجتماعية
Uitnodiging – Invitation – دعوة
A1: Ik nodig mijn vriend uit voor het feest.
◦ AR: أدعو صديقي إلى الحفلة.
◦ EN: I invite my friend to the party.
A2: De uitnodiging is per e-mail gestuurd.
◦ AR: تم إرسال الدعوة عبر البريد الإلكتروني.
◦ EN: The invitation was sent by email.
B1: Ik heb veel uitnodigingen gekregen voor de verjaardag.
B2: Een goede uitnodiging geeft alle belangrijke informatie.
Voorstellen – Introducing – تقديم
A1: Mag ik mij voorstellen? Ik ben Ali.
◦ AR: هل لي أن أقدم نفسي؟ أنا علي.
◦ EN: May I introduce myself? I am Ali.
A2: Zij stelt haar nieuwe collega voor.
◦ AR: هي تقدم زميلها الجديد.
◦ EN: She introduces her new colleague.
B1: Tijdens het feest stelde ik veel mensen aan elkaar voor.
B2: Goede voorstellen maken de eerste indruk prettig.
Afspraak – Appointment / Meeting – موعد
A1: Ik heb een afspraak bij de dokter.
◦ AR: لدي موعد عند الطبيب.
◦ EN: I have an appointment at the doctor’s.
A2: We maken een afspraak voor volgende week.
◦ AR: نحدد موعدًا للأسبوع القادم.
◦ EN: We make an appointment for next week.
B1: De afspraak is verzet naar donderdagmiddag.
B2: Het is belangrijk om afspraken op tijd te bevestigen.
Afzeggen – Canceling – إلغاء
A1: Ik moet mijn afspraak afzeggen.
◦ AR: يجب أن ألغي موعدي.
◦ EN: I have to cancel my appointment.
A2: Hij zegt het etentje op omdat hij ziek is.
◦ AR: هو يلغي العشاء لأنه مريض.
◦ EN: He cancels the dinner because he is ill.
B1: Het is netjes om afspraken op tijd af te zeggen.
B2: Soms moet je een afspraak onverwacht afzeggen.
Bevestigen – Confirming – تأكيد
A1: Kun je de afspraak bevestigen?
◦ AR: هل يمكنك تأكيد الموعد؟
◦ EN: Can you confirm the appointment?
A2: Ze bevestigt dat ze komt naar het feest.
◦ AR: تؤكد أنها ستحضر الحفلة.
◦ EN: She confirms that she will come to the party.
B1: Ik stuur een bericht om de afspraak te bevestigen.
B2: Bevestigen van afspraken voorkomt misverstanden.
Kennismaken – To get acquainted – التعارف
A1: Ik wil kennismaken met mijn nieuwe buur.
◦ AR: أريد التعرف على جاري الجديد.
◦ EN: I want to get acquainted with my new neighbor.
A2: We maakten kennis tijdens het buurtfeest.
◦ AR: تعرفنا على بعضنا أثناء حفلة الحي.
◦ EN: We got acquainted during the neighborhood party.
B1: Tijdens de introductiebijeenkomst leer je veel nieuwe mensen kennen.
B2: Kennismaken met verschillende culturen verrijkt je leven.
Afspraak maken – To make an appointment – تحديد موعد
A1: Ik bel om een afspraak te maken.
◦ AR: أتصل لتحديد موعد.
◦ EN: I call to make an appointment.
A2: Ze maken een afspraak voor een gesprek.
◦ AR: يحددون موعدًا للمقابلة.
◦ EN: They make an appointment for a meeting.
B1: Het is belangrijk om afspraken tijdig te maken en door te geven.
B2: Goede planning helpt om afspraken efficiënt te organiseren.
Samenkomen – To get together – الاجتماع معًا
A1: We komen samen in het park.
◦ AR: نلتقي في الحديقة.
◦ EN: We get together in the park.
A2: De vrienden komen elke vrijdag samen.
◦ AR: يجتمع الأصدقاء كل جمعة.
◦ EN: The friends get together every Friday.
B1: Het team komt elke maand samen om projecten te bespreken.
B2: Samenkomen stimuleert samenwerking en begrip binnen groepen.
Afspraak verzetten – To reschedule an appointment – تأجيل الموعد
A1: Ik moet mijn afspraak verzetten.
◦ AR: يجب أن أؤجل موعدي.
◦ EN: I have to reschedule my appointment.
A2: Hij verzet de afspraak naar volgende week.
◦ AR: يؤجل الموعد إلى الأسبوع القادم.
◦ EN: He reschedules the appointment to next week.
B1: Door onverwachte omstandigheden moet ik de afspraak verzetten.
B2: Het is professioneel om een afspraak tijdig te verzetten en te communiceren.
Contact houden – To keep in touch – الحفاظ على الاتصال
A1: Ik houd contact met mijn familie.
◦ AR: أحافظ على الاتصال مع عائلتي.
◦ EN: I keep in touch with my family.
A2: Ze houden contact via e-mail en telefoon.
◦ AR: يحافظون على الاتصال عبر البريد الإلكتروني والهاتف.
◦ EN: They keep in touch by email and phone.
B1: Het is belangrijk om contact te houden met oude vrienden.
B2: Regelmatig contact houden versterkt persoonlijke en professionele relaties.
Afspreken – To arrange / agree to meet – الاتفاق على اللقاء
A1: We spreken af om koffie te drinken.
◦ AR: نتفق على شرب القهوة.
◦ EN: We arrange to have coffee.
A2: Ze spreken af om samen te wandelen.
◦ AR: يتفقون على التنزه معًا.
◦ EN: They agree to go for a walk together.
B1: We spreken af om de details van het project te bespreken.
B2: Afspreken is essentieel voor het succesvol afronden van samenwerkingen.
Gastvrij – Hospitable – ضيافة
A1: Mijn buur is altijd gastvrij.
◦ AR: جاري دائمًا مضياف.
◦ EN: My neighbor is always hospitable.
A2: Gastvrijheid is belangrijk bij een feestje.
◦ AR: الضيافة مهمة في الحفلة.
◦ EN: Hospitality is important at a party.
B1: Gastvrijheid draagt bij aan een warme sfeer tijdens bijeenkomsten.
B2: Een gastvrije houding bevordert sociale contacten en relaties.
Afspraak bevestigen – To confirm an appointment – تأكيد الموعد
A1: Ik wil mijn afspraak bevestigen.
◦ AR: أريد تأكيد موعدي.
◦ EN: I want to confirm my appointment.
A2: Zij bevestigt de afspraak via sms.
◦ AR: تؤكد الموعد عبر الرسائل النصية.
◦ EN: She confirms the appointment via text message.
B1: Het is beleefd om een afspraak vooraf te bevestigen.
B2: Afspraken bevestigen voorkomt misverstanden en planningproblemen.
Gesprek voeren – To have a conversation – إجراء محادثة
A1: We voeren een gesprek over het weer.
◦ AR: نجري محادثة عن الطقس.
◦ EN: We have a conversation about the weather.
A2: Tijdens het gesprek leren ze elkaar beter kennen.
◦ AR: أثناء المحادثة يتعرفون على بعضهم البعض أكثر.
◦ EN: During the conversation, they get to know each other better.
B1: Het voeren van een goed gesprek vraagt om luistervaardigheden.
B2: Constructieve gesprekken verbeteren de samenwerking en relaties.
Afspraken nakomen – To keep appointments / promises – الوفاء بالمواعيد
A1: Ik kom altijd mijn afspraken na.
◦ AR: دائمًا ألتزم بمواعيدي.
◦ EN: I always keep my appointments.
A2: Het is belangrijk om afspraken na te komen.
◦ AR: من المهم الوفاء بالمواعيد.
◦ EN: It is important to keep appointments.
B1: Het nakomen van afspraken versterkt vertrouwen en samenwerking.
B2: Professioneel gedrag omvat het consequent nakomen van afspraken en beloften.
Telefoon en communicatie – Phone and Communication – الهاتف والاتصال
Bellen – To call – الاتصال
A1: Ik bel mijn moeder elke dag.
◦ AR: أتصل بأمي كل يوم.
◦ EN: I call my mother every day.
A2: Hij belt om een afspraak te maken.
◦ AR: يتصل لتحديد موعد.
◦ EN: He calls to make an appointment.
B1: Tijdens het telefoongesprek bespreekt hij de details.
B2: Het is belangrijk om duidelijk te spreken tijdens het bellen.
Opnemen – To pick up (phone) – الرد على الهاتف
A1: Zij neemt de telefoon op.
◦ AR: هي ترد على الهاتف.
◦ EN: She picks up the phone.
A2: Ik kan nu niet opnemen, ik bel later terug.
◦ AR: لا أستطيع الرد الآن، سأتصل لاحقًا.
◦ EN: I cannot pick up now, I will call back later.
B1: Hij neemt snel op als hij de telefoon hoort.
B2: Professioneel opnemen helpt een goede indruk te maken.
Bericht achterlaten – To leave a message – ترك رسالة
A1: Ik laat een bericht achter op het antwoordapparaat.
◦ AR: أترك رسالة على جهاز الرد الآلي.
◦ EN: I leave a message on the answering machine.
A2: Laat een duidelijk bericht achter met je naam en telefoonnummer.
◦ AR: اترك رسالة واضحة مع اسمك ورقم هاتفك.
◦ EN: Leave a clear message with your name and phone number.
B1: Het is belangrijk om het bericht kort en duidelijk te houden.
B2: Een professioneel bericht achterlaten vergroot de kans op een snelle reactie.
Verbinding – Connection – الاتصال
A1: De verbinding is slecht.
◦ AR: الاتصال سيء.
◦ EN: The connection is bad.
A2: Ik heb een goede verbinding met het netwerk.
◦ AR: لدي اتصال جيد بالشبكة.
◦ EN: I have a good connection with the network.
B1: Soms is de verbinding instabiel bij slecht weer.
B2: Een stabiele verbinding is essentieel voor duidelijke communicatie.
Mobiele telefoon – Mobile phone – الهاتف المحمول
A1: Ik gebruik mijn mobiele telefoon om te bellen.
◦ AR: أستخدم هاتفي المحمول للاتصال.
◦ EN: I use my mobile phone to call.
A2: Mijn mobiele telefoon is bijna leeg.
◦ AR: شحن هاتفي المحمول على وشك النفاد.
◦ EN: My mobile phone is almost out of battery.
B1: Veel mensen gebruiken hun mobiele telefoon voor internet.
B2: Mobiele telefoons zijn belangrijk voor zowel werk als privé.
Sms’en – To text – إرسال رسالة نصية
A1: Ik sms mijn vriend een bericht.
◦ AR: أرسل رسالة نصية إلى صديقي.
◦ EN: I text my friend a message.
A2: Ze sms’en om af te spreken.
◦ AR: يرسلون رسائل نصية لتحديد موعد.
◦ EN: They text to arrange a meeting.
B1: Sms’en is handig voor korte berichten.
B2: In sommige situaties is sms’en efficiënter dan bellen.
Antwoordapparaat – Answering machine – جهاز الرد الآلي
A1: Ik spreek een bericht in op het antwoordapparaat.
◦ AR: أسجل رسالة على جهاز الرد الآلي.
◦ EN: I leave a message on the answering machine.
A2: Het antwoordapparaat neemt de telefoon op als ik niet kan.
◦ AR: جهاز الرد الآلي يرد على الهاتف عندما لا أستطيع.
◦ EN: The answering machine picks up when I cannot.
B1: Het antwoordapparaat helpt om geen oproepen te missen.
B2: Een professioneel antwoordapparaat geeft een goede indruk.
Telefoonnummer – Phone number – رقم الهاتف
A1: Wat is jouw telefoonnummer?
◦ AR: ما رقم هاتفك؟
◦ EN: What is your phone number?
A2: Ik schrijf het telefoonnummer op een briefje.
◦ AR: أكتب رقم الهاتف على ورقة.
◦ EN: I write the phone number on a note.
B1: Controleer altijd het telefoonnummer voor je belt.
B2: Het correct doorgeven van het telefoonnummer voorkomt fouten.
Telefoneren – To make a phone call – إجراء مكالمة هاتفية
A1: Ik telefoneer naar mijn vriend.
◦ AR: أتصل بصديقي.
◦ EN: I make a phone call to my friend.
A2: Telefoneren kost soms meer tijd dan sms’en.
◦ AR: إجراء المكالمات أحيانًا يستغرق وقتًا أطول من الرسائل النصية.
◦ EN: Making phone calls sometimes takes longer than texting.
B1: Telefoneren is effectief voor belangrijke gesprekken.
B2: Professioneel telefoneren vereist duidelijke communicatie en goede luistervaardigheden.
Spreektempo – Speaking speed – سرعة الكلام
A1: Hij spreekt langzaam aan de telefoon.
◦ AR: هو يتحدث ببطء على الهاتف.
◦ EN: He speaks slowly on the phone.
A2: Probeer een normaal spreektempo te houden.
◦ AR: حاول الحفاظ على سرعة كلام طبيعية.
◦ EN: Try to keep a normal speaking speed.
B1: Een goed spreektempo zorgt voor duidelijkheid.
B2: Een aangepast spreektempo helpt misverstanden voorkomen.
Boodschap – Message – رسالة
A1: Ik hoor de boodschap op het antwoordapparaat.
◦ AR: أسمع الرسالة على جهاز الرد الآلي.
◦ EN: I hear the message on the answering machine.
A2: De boodschap is kort en duidelijk.
◦ AR: الرسالة قصيرة وواضحة.
◦ EN: The message is short and clear.
B1: Een goede boodschap bevat alle belangrijke informatie.
B2: Het zorgvuldig formuleren van een boodschap voorkomt misverstanden.
Doorschakelen – To forward (calls) – تحويل المكالمات
A1: Ik schakel mijn telefoon door naar een collega.
◦ AR: أحول هاتفي إلى زميل.
◦ EN: I forward my phone to a colleague.
A2: Doorschakelen gebeurt als ik niet bereikbaar ben.
◦ AR: يتم تحويل المكالمات عندما لا أكون متاحًا.
◦ EN: Calls are forwarded when I am not available.
B1: Doorschakelen helpt om altijd bereikbaar te blijven.
B2: Professioneel doorschakelen vereist goede afspraken binnen het team.
Opbellen – To call up – الاتصال
A1: Ik bel mijn vriend op.
◦ AR: أتصل بصديقي.
◦ EN: I call up my friend.
A2: Ze belt haar moeder op voor hulp.
◦ AR: تتصل بأمها للمساعدة.
◦ EN: She calls her mother for help.
B1: Ik bel op als ik vragen heb.
B2: Opbellen kan een snelle oplossing bieden voor problemen.
Voicemail – Voicemail – البريد الصوتي
A1: Ik luister naar mijn voicemail.
◦ AR: أستمع إلى بريدي الصوتي.
◦ EN: I listen to my voicemail.
A2: Mijn voicemail zit vol, ik kan geen nieuwe berichten ontvangen.
◦ AR: بريدي الصوتي ممتلئ، لا يمكنني استقبال رسائل جديدة.
◦ EN: My voicemail is full, I cannot receive new messages.
B1: Het is handig om regelmatig je voicemail te controleren.
B2: Een professionele voicemail begroeting is belangrijk voor klantencontact.
Opnemen – To answer (phone) – الرد
A1: Zij neemt de telefoon op.
◦ AR: هي ترد على الهاتف.
◦ EN: She answers the phone.
A2: Als ik niet kan opnemen, krijg je mijn voicemail.
◦ AR: إذا لم أتمكن من الرد، ستحصل على بريدي الصوتي.
◦ EN: If I cannot answer, you will get my voicemail.
B1: Opnemen binnen drie keer overgaan is beleefd.
B2: Professioneel opnemen zorgt voor een goede eerste indruk.
Kleding en uiterlijk – Clothing and Appearance – الملابس والمظهر
Spijkerbroek – Jeans – جينز
A1: Ik draag een spijkerbroek.
◦ AR: أرتدي بنطال جينز.
◦ EN: I am wearing jeans.
A2: Mijn spijkerbroek zit lekker en is donkerblauw.
◦ AR: بنطالي الجينز مريح ولونه أزرق داكن.
◦ EN: My jeans are comfortable and dark blue.
B1: Hij koopt liever een spijkerbroek met rechte pijpen.
B2: Spijkerbroeken passen bij veel stijlen en zijn altijd in de mode.
Trui – Sweater – سترة صوفية
A1: Ik trek een trui aan.
◦ AR: أرتدي سترة صوفية.
◦ EN: I put on a sweater.
A2: In de winter draag ik een warme wollen trui.
◦ AR: في الشتاء أرتدي سترة صوفية دافئة.
◦ EN: In winter, I wear a warm wool sweater.
B1: Deze trui heeft een hoge kraag en lange mouwen.
B2: Een wollen trui is ideaal voor koude dagen en ziet er netjes uit.
Gestreept – Striped – مخطط
A1: Mijn shirt is gestreept.
◦ AR: قميصي مخطط.
◦ EN: My shirt is striped.
A2: Zij draagt een rood-wit gestreepte jurk.
◦ AR: ترتدي فستانًا مخططًا بالأحمر والأبيض.
◦ EN: She is wearing a red and white striped dress.
B1: Gestreepte kleding valt goed op in een menigte.
B2: Een subtiel gestreept patroon geeft een nette uitstraling.
Netjes – Neat – أنيق
A1: Hij ziet er netjes uit.
◦ AR: يبدو أنيقًا.
◦ EN: He looks neat.
A2: Voor een sollicitatie draag ik nette kleding.
◦ AR: أرتدي ملابس أنيقة لمقابلة العمل.
◦ EN: I wear neat clothes for a job interview.
B1: Netjes gekleed zijn is belangrijk op formele gelegenheden.
B2: Je kleding bepaalt vaak de eerste indruk die je maakt.
Uitgedost – Dressed up – متأنق
A1: Zij is mooi uitgedost voor het feest.
◦ AR: هي متأنقة للحفل.
◦ EN: She is dressed up for the party.
A2: Iedereen was feestelijk uitgedost op de bruiloft.
◦ AR: كان الجميع متأنقين في العرس.
◦ EN: Everyone was dressed up at the wedding.
B1: Je hoeft je niet uit te dossen voor een informele bijeenkomst.
B2: Soms voel je je ongemakkelijk als je té uitgedost bent.
Kledingstijl – Clothing style – أسلوب الملابس
A1: Zij heeft een leuke kledingstijl.
◦ AR: لديها أسلوب ملابس جميل.
◦ EN: She has a nice clothing style.
A2: Mijn kledingstijl is casual en sportief.
◦ AR: أسلوب ملابسي عادي ورياضي.
◦ EN: My clothing style is casual and sporty.
B1: Je kledingstijl zegt iets over je persoonlijkheid.
B2: In sommige beroepen is een formele kledingstijl vereist.
Accessoires – Accessories – الإكسسوارات
A1: Ik draag een horloge als accessoire.
◦ AR: أرتدي ساعة كإكسسوار.
◦ EN: I wear a watch as an accessory.
A2: Haar tas en sjaal zijn mooie accessoires.
◦ AR: حقيبتها ووشاحها إكسسوارات جميلة.
◦ EN: Her bag and scarf are nice accessories.
B1: Accessoires maken je outfit compleet.
B2: Subtiele accessoires geven een elegante uitstraling.
Dashiki – Dashiki (Afrikaans kledingstuk) – دشكي
A1: Hij draagt een dashiki met mooie kleuren.
◦ AR: يرتدي دشكي بألوان جميلة.
◦ EN: He is wearing a dashiki with nice colors.
A2: De dashiki is los en comfortabel.
◦ AR: الدشكي فضفاض ومريح.
◦ EN: The dashiki is loose and comfortable.
B1: In veel Afrikaanse landen is de dashiki populaire feestkleding.
B2: De dashiki wordt vaak gedragen bij culturele evenementen en vieringen.
Oogopslag – Appearance at first glance – المظهر للوهلة الأولى
A1: Hij ziet er vriendelijk uit bij eerste oogopslag.
◦ AR: يبدو ودودًا من النظرة الأولى.
◦ EN: He looks friendly at first glance.
A2: De oogopslag van haar kleding is stijlvol.
◦ AR: مظهر ملابسها أنيق من الوهلة الأولى.
◦ EN: The appearance of her clothing is stylish at first glance.
B1: Je oogopslag speelt een rol in hoe mensen je beoordelen.
B2: Een verzorgde oogopslag kan helpen bij sollicitaties en presentaties.
Gekleed – Dressed – مرتدٍ
A1: Ik ben gekleed in een blauwe jas.
◦ AR: أنا مرتدٍ معطفًا أزرق.
◦ EN: I am dressed in a blue coat.
A2: Hij is netjes gekleed voor het diner.
◦ AR: هو مرتدٍ ملابس أنيقة للعشاء.
◦ EN: He is neatly dressed for dinner.
B1: Gekleed gaan volgens de gelegenheid is belangrijk.
B2: Goed gekleed zijn geeft vaak meer zelfvertrouwen.
Kledingmaat – Clothing size – مقاس الملابس
A1: Mijn kledingmaat is medium.
◦ AR: مقاس ملابسي متوسط.
◦ EN: My clothing size is medium.
A2: Ik zoek een broek in maat 40.
◦ AR: أبحث عن بنطال بمقاس 40.
◦ EN: I am looking for pants in size 40.
B1: De juiste kledingmaat zorgt voor draagcomfort.
B2: Maten kunnen verschillen per merk en stijl.
Abaya – Abaya – عباءة
A1: Zij draagt een abaya.
◦ AR: ترتدي عباءة.
◦ EN: She is wearing an abaya.
A2: De abaya is een lange zwarte jurk.
◦ AR: العباءة فستان طويل أسود.
◦ EN: The abaya is a long black dress.
B1: In veel Arabische landen is de abaya dagelijkse kleding.
B2: De abaya kan modern zijn met borduursels en patronen.
Sieraad – Piece of jewelry – قطعة مجوهرات
A1: Zij draagt een mooi sieraad.
◦ AR: ترتدي قطعة مجوهرات جميلة.
◦ EN: She wears a beautiful piece of jewelry.
A2: De ketting is haar favoriete sieraad.
◦ AR: العقد هو قطعة المجوهرات المفضلة لديها.
◦ EN: The necklace is her favorite piece of jewelry.
B1: Sieraden maken je outfit persoonlijker.
B2: Bij officiële gelegenheden kies ik voor eenvoudige sieraden.
Stof – Fabric – القماش
A1: De stof van deze jas is zacht.
◦ AR: قماش هذا المعطف ناعم.
◦ EN: The fabric of this coat is soft.
A2: Deze jurk is gemaakt van lichte stof.
◦ AR: هذا الفستان مصنوع من قماش خفيف.
◦ EN: This dress is made of light fabric.
B1: Kleding van natuurlijke stof ademt beter.
B2: Bij warme dagen draag ik kleding van ademende stoffen.
Aantrekken – To put on – ارتداء
A1: Ik trek mijn schoenen aan.
◦ AR: أرتدي حذائي.
◦ EN: I put on my shoes.
A2: In de ochtend trek ik snel mijn jas aan.
◦ AR: في الصباح أرتدي معطفي بسرعة.
◦ EN: In the morning, I quickly put on my coat.
B1: Hij trekt zijn nette overhemd aan voor het diner.
B2: Bij formele gelegenheden trek ik een pak aan.
Mode – Fashion – الموضة
A1: Zij houdt van mode.
◦ AR: هي تحب الموضة.
◦ EN: She likes fashion.
A2: Mode verandert elk seizoen.
◦ AR: الموضة تتغير كل موسم.
◦ EN: Fashion changes every season.
B1: Hij volgt de laatste modetrends.
B2: Mode is een manier om jezelf uit te drukken.
Schoeisel – Footwear – الأحذية
A1: Ik koop nieuw schoeisel.
◦ AR: أشتري حذاءً جديدًا.
◦ EN: I buy new footwear.
A2: Voor wandelen heb je stevig schoeisel nodig.
◦ AR: للمشي تحتاج إلى أحذية متينة.
◦ EN: For walking, you need sturdy footwear.
B1: Goed schoeisel voorkomt voetproblemen.
B2: Bij elke gelegenheid past ander schoeisel.
Boubou – Boubou – البوبو
A1: Hij draagt een boubou.
◦ AR: يرتدي بوبو.
◦ EN: He is wearing a boubou.
A2: De boubou is een traditionele Afrikaanse kleding.
◦ AR: البوبو لباس تقليدي إفريقي.
◦ EN: The boubou is traditional African clothing.
B1: In veel West-Afrikaanse landen wordt een boubou bij feestdagen gedragen.
B2: Een kleurrijke boubou laat vaak culturele trots zien.
Kente – Kente – قماش كنتي
A1: Dit is een kente-stof.
◦ AR: هذا قماش كنتي.
◦ EN: This is kente fabric.
A2: Kente komt uit Ghana en heeft felle kleuren.
◦ AR: كنتي تأتي من غانا وتتميز بألوان زاهية.
◦ EN: Kente comes from Ghana and has bright colors.
B1: Kente wordt vaak met de hand geweven voor speciale gelegenheden.
B2: De patronen van kente hebben elk een symbolische betekenis.
Djellaba – Djellaba – جلابة
A1: Ik zie een man in een djellaba.
◦ AR: أرى رجلاً يرتدي جلابة.
◦ EN: I see a man in a djellaba.
A2: De djellaba is een lange jas uit Marokko.
◦ AR: الجلابة معطف طويل من المغرب.
◦ EN: The djellaba is a long coat from Morocco.
B1: Veel mensen dragen een djellaba tijdens religieuze feesten.
B2: De djellaba is zowel praktisch als traditioneel.
Keffiyeh – Keffiyeh (hoofddoek voor mannen) – كوفية
A1: Hij draagt een keffiyeh op zijn hoofd.
◦ AR: يرتدي كوفية على رأسه.
◦ EN: He is wearing a keffiyeh on his head.
A2: De keffiyeh is rood-wit en beschermt tegen de zon.
◦ AR: الكوفية حمراء وبيضاء وتحمي من الشمس.
◦ EN: The keffiyeh is red and white and protects from the sun.
B1: De keffiyeh is een traditioneel Arabisch kledingstuk met een praktische functie.
B2: Naast bescherming is de keffiyeh ook een symbool van culturele identiteit.
Weer en natuur – Weather and Nature – الطقس والطبيعة
Onweer – Thunderstorm – عاصفة رعدية
A1: Er is onweer.
◦ AR: هناك عاصفة رعدية.
◦ EN: There is a thunderstorm.
A2: Tijdens het onweer blijf ik binnen.
◦ AR: أثناء العاصفة الرعدية أبقى في الداخل.
◦ EN: During the thunderstorm, I stay inside.
B1: Onweer met bliksem is soms gevaarlijk.
B2: Bij zwaar onweer kan de stroom uitvallen.
Storm – Storm – عاصفة
A1: Het is stormachtig weer.
◦ AR: الطقس عاصف.
◦ EN: It is stormy weather.
A2: De storm waait bomen om.
◦ AR: العاصفة تقتلع الأشجار.
◦ EN: The storm blows over trees.
B1: Door de storm zijn vluchten geannuleerd.
B2: De storm veroorzaakte schade aan huizen en daken.
Vorst – Frost – صقيع
A1: Er is vorst vannacht.
◦ AR: يوجد صقيع الليلة.
◦ EN: There is frost tonight.
A2: Door de vorst zijn de wegen glad.
◦ AR: بسبب الصقيع، الطرق زلقة.
◦ EN: Because of the frost, the roads are slippery.
B1: Vorst kan gevaarlijk zijn voor jonge planten.
B2: Strenge vorst komt vooral voor in de winter.
Nevel – Mist/Haze – ضباب خفيف
A1: Er hangt nevel in de lucht.
◦ AR: هناك ضباب خفيف في الجو.
◦ EN: There is haze in the air.
A2: In de ochtend is er vaak nevel boven de velden.
◦ AR: في الصباح، يوجد ضباب فوق الحقول.
◦ EN: In the morning, there is often haze above the fields.
B1: Nevel maakt het uitzicht wazig.
B2: Nevel ontstaat bij koude nachten en vochtige lucht.
Zonnig – Sunny – مشمس
A1: Het is zonnig vandaag.
◦ AR: الطقس مشمس اليوم.
◦ EN: It is sunny today.
A2: We gaan wandelen want het is zonnig.
◦ AR: سنذهب للمشي لأن الطقس مشمس.
◦ EN: We will go for a walk because it is sunny.
B1: Zonnig weer verbetert vaak je humeur.
B2: Op zonnige dagen gebruik ik zonnebrandcrème.
Wisselvallig – Unstable (weather) – غير مستقر
A1: Het weer is wisselvallig.
◦ AR: الطقس غير مستقر.
◦ EN: The weather is changeable.
A2: In de lente is het vaak wisselvallig.
◦ AR: في الربيع يكون الطقس متقلبًا غالبًا.
◦ EN: In spring, the weather is often changeable.
B1: Wisselvallig weer maakt plannen lastig.
B2: Bij wisselvallig weer neem ik altijd een jas mee.
Seizoen – Season – فصل
A1: De zomer is mijn favoriete seizoen.
◦ AR: الصيف فصلي المفضل.
◦ EN: Summer is my favorite season.
A2: Elk seizoen heeft ander weer.
◦ AR: كل فصل له طقس مختلف.
◦ EN: Every season has different weather.
B1: De herfst is een kleurrijk seizoen.
B2: In sommige landen zijn de seizoenen minder duidelijk.
Natuurramp – Natural disaster – كارثة طبيعية
A1: Een storm kan een natuurramp zijn.
◦ AR: العاصفة قد تكون كارثة طبيعية.
◦ EN: A storm can be a natural disaster.
A2: Overstromingen zijn gevaarlijke natuurrampen.
◦ AR: الفيضانات كوارث طبيعية خطيرة.
◦ EN: Floods are dangerous natural disasters.
B1: Natuurrampen veroorzaken vaak veel schade.
B2: Bij een natuurramp is snelle hulp nodig.
Natuurgebied – Nature reserve – محمية طبيعية
A1: Wij wandelen in een natuurgebied.
◦ AR: نمشي في محمية طبيعية.
◦ EN: We are walking in a nature reserve.
A2: Een natuurgebied is belangrijk voor dieren en planten.
◦ AR: المحمية الطبيعية مهمة للحيوانات والنباتات.
◦ EN: A nature reserve is important for animals and plants.
B1: In natuurgebieden mag je vaak niet fietsen.
B2: Bescherming van natuurgebieden is belangrijk voor het milieu.
Regenbui – Rain shower – زخة مطر
A1: Er komt een regenbui aan.
◦ AR: هناك زخة مطر قادمة.
◦ EN: A rain shower is coming.
A2: Na de regenbui klaart het op.
◦ AR: بعد الزخة يصبح الجو صافياً.
◦ EN: After the rain shower, it clears up.
B1: Regenbuien kunnen plotseling ontstaan.
B2: In de zomer zijn er vaak korte, heftige regenbuien.
Windkracht – Wind force – شدة الرياح
A1: De windkracht is hoog.
◦ AR: شدة الرياح عالية.
◦ EN: The wind force is high.
A2: Bij windkracht 8 blijft iedereen binnen.
◦ AR: عند شدة رياح 8، يبقى الجميع في الداخل.
◦ EN: With wind force 8, everyone stays inside.
B1: De windkracht bepaalt hoe hard het waait.
B2: Schepen moeten rekening houden met de windkracht.
Smeltwater – Meltwater – مياه الذوبان
A1: Het ijs smelt en geeft smeltwater.
◦ AR: الجليد يذوب ويعطي مياه الذوبان.
◦ EN: The ice melts and gives meltwater.
A2: In de lente komt veel smeltwater van de bergen.
◦ AR: في الربيع يأتي الكثير من مياه الذوبان من الجبال.
◦ EN: In spring, lots of meltwater comes from the mountains.
B1: Smeltwater kan rivieren laten stijgen.
B2: Te veel smeltwater kan overstromingen veroorzaken.
Natuurschoon – Natural beauty – جمال الطبيعة
A1: Dit gebied heeft veel natuurschoon.
◦ AR: هذه المنطقة فيها جمال طبيعي كثير.
◦ EN: This area has lots of natural beauty.
A2: Toeristen komen voor het natuurschoon van de Alpen.
◦ AR: يأتي السياح من أجل جمال الطبيعة في الألب.
◦ EN: Tourists come for the natural beauty of the Alps.
B1: Natuurschoon trekt wandelaars en fotografen aan.
B2: Bescherming van natuurschoon is belangrijk voor de toekomst.
Klimaat – Climate – المناخ
A1: Het klimaat is warm.
◦ AR: المناخ دافئ.
◦ EN: The climate is warm.
A2: In Nederland is het klimaat gematigd.
◦ AR: في هولندا، المناخ معتدل.
◦ EN: The climate in the Netherlands is moderate.
B1: Het klimaat verandert door de opwarming van de aarde.
B2: Klimaatverandering zorgt voor extremer weer.
Hittegolf – Heatwave – موجة حر
A1: Er is een hittegolf.
◦ AR: هناك موجة حر.
◦ EN: There is a heatwave.
A2: Tijdens een hittegolf moet je veel water drinken.
◦ AR: أثناء موجة الحر، يجب شرب الكثير من الماء.
◦ EN: During a heatwave, you should drink a lot of water.
B1: Ouderen hebben het zwaar bij een hittegolf.
B2: Hittegolven komen steeds vaker voor door klimaatverandering.
Eten en drinken – Food and Drink – الطعام والشراب
Voorgerecht – Starter – مقبلات
A1: Ik kies een voorgerecht.
◦ AR: أختار مقبلات.
◦ EN: I choose a starter.
A2: Het voorgerecht is soep met brood.
◦ AR: المقبلات هي شوربة مع خبز.
◦ EN: The starter is soup with bread.
B1: Ik neem liever een licht voorgerecht.
B2: In dit restaurant zijn de voorgerechten erg verfijnd.
Hoofdgerecht – Main course – الطبق الرئيسي
A1: Ik bestel het hoofdgerecht.
◦ AR: أطلب الطبق الرئيسي.
◦ EN: I order the main course.
A2: Het hoofdgerecht is kip met rijst.
◦ AR: الطبق الرئيسي هو دجاج مع أرز.
◦ EN: The main course is chicken with rice.
B1: Het hoofdgerecht bevat veel groenten.
B2: De chef bereidt het hoofdgerecht met verse kruiden.
Nagerecht – Dessert – الحلوى
A1: Ik neem een nagerecht.
◦ AR: آخذ حلوى.
◦ EN: I take a dessert.
A2: Mijn nagerecht is chocolademousse.
◦ AR: الحلوى عندي موس الشوكولاتة.
◦ EN: My dessert is chocolate mousse.
B1: Het nagerecht is zoet en luchtig.
B2: Ze serveren het nagerecht met vers fruit.
Vegetarisch – Vegetarian – نباتي
A1: Ik eet vegetarisch.
◦ AR: أنا آكل نباتي.
◦ EN: I eat vegetarian.
A2: Dit menu is helemaal vegetarisch.
◦ AR: هذه القائمة نباتية بالكامل.
◦ EN: This menu is completely vegetarian.
B1: Mijn vriendin eet vegetarisch vanwege haar gezondheid.
B2: Steeds meer mensen kiezen voor een vegetarisch dieet.
Glutenvrij – Gluten-free – خالٍ من الغلوتين
A1: Dit brood is glutenvrij.
◦ AR: هذا الخبز خالٍ من الغلوتين.
◦ EN: This bread is gluten-free.
A2: Ik eet glutenvrij omdat ik allergisch ben.
◦ AR: آكل خالٍ من الغلوتين لأني أعاني من حساسية.
◦ EN: I eat gluten-free because I am allergic.
B1: Glutenvrij eten is soms lastig in een restaurant.
B2: De kok maakt ook glutenvrije pasta op verzoek.
Drankkaart – Drinks menu – قائمة المشروبات
A1: Ik vraag om de drankkaart.
◦ AR: أطلب قائمة المشروبات.
◦ EN: I ask for the drinks menu.
A2: De drankkaart heeft wijn, bier en fris.
◦ AR: تحتوي القائمة على نبيذ وبيرة ومشروبات غازية.
◦ EN: The drinks menu has wine, beer, and soft drinks.
B1: Op de drankkaart staan ook alcoholvrije cocktails.
B2: De drankkaart is aangepast aan het seizoen.
Bestek – Cutlery – أدوات المائدة
A1: Ik heb bestek nodig.
◦ AR: أحتاج إلى أدوات المائدة.
◦ EN: I need cutlery.
A2: Het bestek ligt naast het bord.
◦ AR: أدوات المائدة بجانب الطبق.
◦ EN: The cutlery is next to the plate.
B1: Het bestek wordt na elk gerecht vervangen.
B2: In luxe restaurants wordt het bestek per gang klaargelegd.
Voedselallergie – Food allergy – حساسية الطعام
A1: Ik heb een voedselallergie.
◦ AR: لدي حساسية من الطعام.
◦ EN: I have a food allergy.
A2: Ik mag geen noten vanwege mijn allergie.
◦ AR: لا يجوز لي أكل المكسرات بسبب الحساسية.
◦ EN: I can’t eat nuts due to my allergy.
B1: Geef altijd je voedselallergie door in een restaurant.
B2: Een voedselallergie kan levensgevaarlijk zijn.
Proeven – To taste – يتذوق
A1: Mag ik dit proeven?
◦ AR: هل يمكنني تذوق هذا؟
◦ EN: Can I taste this?
A2: Ik wil de soep eerst proeven.
◦ AR: أريد تذوق الحساء أولاً.
◦ EN: I want to taste the soup first.
B1: Je mag altijd proeven voor je iets koopt.
B2: De sommelier laat ons de wijn eerst proeven.
Pittig – Spicy – حار
A1: Het eten is pittig.
◦ AR: الطعام حار.
◦ EN: The food is spicy.
A2: Ik hou niet van pittig eten.
◦ AR: لا أحب الطعام الحار.
◦ EN: I don’t like spicy food.
B1: Pittige gerechten zijn populair in India.
B2: Ze gebruiken veel kruiden om het gerecht pittig te maken.
Portie – Portion – حصة
A1: De portie is groot.
◦ AR: الحصة كبيرة.
◦ EN: The portion is large.
A2: Ik wil een kleine portie friet.
◦ AR: أريد حصة صغيرة من البطاطا.
◦ EN: I want a small portion of fries.
B1: In sommige landen zijn porties erg ruim.
B2: Een gezonde portie helpt tegen overeten.
Gang – Course (meal) – طبق
A1: We krijgen drie gangen.
◦ AR: نحصل على ثلاث أطباق.
◦ EN: We get three courses.
A2: De eerste gang is soep.
◦ AR: الطبق الأول هو الحساء.
◦ EN: The first course is soup.
B1: Een gang bestaat uit één gerecht.
B2: In een luxe diner krijg je vaak vijf gangen.
Smaken – Flavours – النكهات
A1: Dit eten heeft veel smaken.
◦ AR: هذا الطعام يحتوي على نكهات كثيرة.
◦ EN: This food has many flavours.
A2: Ik proef zoete en zure smaken.
◦ AR: أتذوق نكهات حلوة وحامضة.
◦ EN: I taste sweet and sour flavours.
B1: De smaken zijn goed in balans.
B2: In de Aziatische keuken mengen ze vaak verschillende smaken.
Reservatie – Reservation – حجز
A1: Ik heb een reservatie.
◦ AR: لدي حجز.
◦ EN: I have a reservation.
A2: We maken een reservatie voor vier personen.
◦ AR: نقوم بحجز لأربعة أشخاص.
◦ EN: We make a reservation for four people.
B1: Je hebt meestal een reservatie nodig in het weekend.
B2: De reservatie werd per e-mail bevestigd.
Bedieningsgeld – Service charge – رسوم الخدمة
A1: Is het bedieningsgeld inbegrepen bij de prijs?
◦ AR: هل رسوم الخدمة مشمولة؟
◦ EN: Is the service charge included?
A2: Soms betaal je extra bedieningsgeld in het buitenland.
◦ AR: أحيانًا تدفع رسوم خدمة إضافية في الخارج.
◦ EN: Sometimes you pay extra service charge abroad.
B1: In Nederland is het bedieningsgeld meestal al in de prijs inbegrepen.
B2: In andere landen wordt het bedieningsgeld soms apart op de rekening gezet.
Fooi – Tip – بقشيش
A1: Geef jij een fooi?
◦ AR: هل تعطي بقشيشًا؟
◦ EN: Do you give a tip?
A2: In Nederland is een fooi niet verplicht.
◦ AR: في هولندا، البقشيش ليس إلزاميًا.
◦ EN: In the Netherlands, a tip is not required.
B1: Een kleine fooi is gebruikelijk als je tevreden bent over de service.
B2: Bij goede service of in een restaurant geven mensen vaak een fooi van tien procent.
Feestdagen en tradities – Holidays and Traditions – الأعياد والتقاليد
Nationale feestdag – National holiday – عطلة وطنية
A1: Vandaag is het een nationale feestdag.
◦ AR: اليوم عطلة وطنية.
◦ EN: Today is a national holiday.
A2: Op de nationale feestdag zijn de scholen dicht.
◦ AR: في العطلة الوطنية تكون المدارس مغلقة.
◦ EN: Schools are closed on the national holiday.
B1: Elke land heeft zijn eigen nationale feestdag.
B2: De nationale feestdag wordt vaak gevierd met optochten en vuurwerk.
Traditie – Tradition – تقليد
A1: We hebben een familie traditie.
◦ AR: لدينا تقليد عائلي.
◦ EN: We have a family tradition.
A2: Het is traditie om samen te eten.
◦ AR: من التقليد أن نأكل معًا.
◦ EN: It is tradition to eat together.
B1: Sommige tradities veranderen met de tijd.
B2: Traditionele gewoontes verschillen per regio en cultuur.
Cadeautje – Gift – هدية
A1: Ik geef een cadeautje.
◦ AR: أُقدِّم هدية.
◦ EN: I give a gift.
A2: Met Kerst krijgen kinderen cadeautjes.
◦ AR: في عيد الميلاد يحصل الأطفال على هدايا.
◦ EN: Children get gifts at Christmas.
B1: Cadeautjes geven hoort bij verjaardagen en feesten.
B2: In sommige culturen zijn cadeautjes een belangrijk symbool van respect.
Oliebollen – Dutch doughnuts – كرات العجين المقلية الهولندية
A1: Ik eet oliebollen met oud en nieuw.
◦ AR: آكل كرات العجين المقلية في رأس السنة.
◦ EN: I eat oliebollen on New Year’s Eve.
A2: Oliebollen zijn een Nederlandse traditie.
◦ AR: كرات العجين المقلية تقليد هولندي.
◦ EN: Oliebollen are a Dutch tradition.
B1: Oliebollen worden meestal buiten verkocht in december.
B2: Ze worden vaak vers gebakken met poedersuiker erop.
Ramadan – Ramadan – رمضان
A1: Tijdens de ramadan vast ik.
◦ AR: في رمضان، أصوم.
◦ EN: During Ramadan, I fast.
A2: In de ramadan eten we na zonsondergang.
◦ AR: في رمضان، نأكل بعد غروب الشمس.
◦ EN: In Ramadan, we eat after sunset.
B1: De ramadan is een belangrijke maand voor moslims.
B2: Ramadan draait niet alleen om vasten, maar ook om bezinning en saamhorigheid.
Suikerfeest – Eid al-Fitr – عيد الفطر
A1: We vieren het Suikerfeest.
◦ AR: نحتفل بعيد الفطر.
◦ EN: We celebrate Eid al-Fitr.
A2: Met het Suikerfeest dragen we mooie kleren.
◦ AR: نرتدي ملابس جميلة في عيد الفطر.
◦ EN: We wear nice clothes for Eid al-Fitr.
B1: Het Suikerfeest is een feest na de ramadan.
B2: Families komen samen, bidden en geven elkaar cadeaus.
Vuurwerk – Fireworks – ألعاب نارية
A1: Ik zie vuurwerk.
◦ AR: أرى ألعابًا نارية.
◦ EN: I see fireworks.
A2: Met oud en nieuw is er veel vuurwerk.
◦ AR: في رأس السنة الجديدة يوجد الكثير من الألعاب النارية.
◦ EN: There is a lot of fireworks on New Year’s Eve.
B1: Vuurwerk is mooi, maar ook gevaarlijk.
B2: Sommige steden verbieden vuurwerk vanwege de veiligheid.
Nieuwjaar – New Year – رأس السنة
A1: Gelukkig nieuwjaar!
◦ AR: سنة جديدة سعيدة!
◦ EN: Happy New Year!
A2: We tellen af tot nieuwjaar.
◦ AR: نعدّ تنازليًا حتى رأس السنة.
◦ EN: We count down to the new year.
B1: In veel landen is vuurwerk populair bij nieuwjaar.
B2: Sommige mensen maken goede voornemens voor het nieuwe jaar.
Paasontbijt – Easter breakfast – فطور عيد الفصح
A1: We eten samen paasontbijt.
◦ AR: نأكل فطور عيد الفصح معًا.
◦ EN: We eat Easter breakfast together.
A2: Bij het paasontbijt zijn er gekookte eieren.
◦ AR: في فطور الفصح هناك بيض مسلوق.
◦ EN: At Easter breakfast there are boiled eggs.
B1: Het paasontbijt is een gezellig familiegebeuren.
B2: Tijdens Pasen maken veel mensen versierde eieren klaar.
Optocht – Parade – موكب
A1: We kijken naar de optocht.
◦ AR: نشاهد الموكب.
◦ EN: We watch the parade.
A2: In de optocht lopen kinderen en muziekbanden mee.
◦ AR: يشارك الأطفال والفرق الموسيقية في الموكب.
◦ EN: Children and music bands join the parade.
B1: De carnavalsoptocht is elk jaar een groot feest.
B2: In sommige dorpen bouwen ze grote wagens voor de optocht.
Feestkleding – Festive clothing – ملابس احتفالية
A1: Ik draag feestkleding.
◦ AR: أرتدي ملابس احتفالية.
◦ EN: I wear festive clothes.
A2: Met Kerst dragen we nette feestkleding.
◦ AR: نرتدي ملابس أنيقة في عيد الميلاد.
◦ EN: We wear neat festive clothing at Christmas.
B1: Voor speciale gelegenheden kleed ik me feestelijk.
B2: In elke cultuur ziet feestkleding er anders uit.
Lichtjes – Lights – أضواء
A1: Ik zie lichtjes in de straat.
◦ AR: أرى أضواء في الشارع.
◦ EN: I see lights in the street.
A2: Met kerst hangen we lichtjes in de boom.
◦ AR: نعلّق الأضواء على الشجرة في عيد الميلاد.
◦ EN: We hang lights on the tree at Christmas.
B1: Lichtjes maken de sfeer gezellig.
B2: In december versieren veel mensen hun huis met lichtjes.
Herdenking – Commemoration – إحياء ذكرى
A1: We hebben een herdenking.
◦ AR: لدينا إحياء ذكرى.
◦ EN: We have a commemoration.
A2: Op 4 mei is er dodenherdenking in Nederland.
◦ AR: في ٤ مايو هناك إحياء لذكرى الموتى في هولندا.
◦ EN: On May 4th there is a remembrance of the dead in the Netherlands.
B1: Tijdens een herdenking wordt er vaak twee minuten stilte gehouden.
B2: Herdenkingen helpen ons stilstaan bij het verleden.
Gebak – Pastry / Cake – كعك
A1: Ik eet gebak op een feest.
◦ AR: آكل كعكًا في حفلة.
◦ EN: I eat pastry at a party.
A2: Voor mijn verjaardag koop ik gebak.
◦ AR: أشتري كعكًا لعيد ميلادي.
◦ EN: I buy cake for my birthday.
B1: Bij feestdagen hoort vaak speciaal gebak.
B2: In verschillende culturen worden er unieke soorten gebak gemaakt.
Gebed – Prayer – صلاة
A1: We doen een gebed.
◦ AR: نقوم بصلاة.
◦ EN: We do a prayer.
A2: Voor het feest beginnen we met een gebed.
◦ AR: نبدأ الاحتفال بصلاة.
◦ EN: We start the celebration with a prayer.
B1: Een gebed maakt deel uit van veel religieuze tradities.
B2: In sommige families wordt er dagelijks samen gebeden.
Verleden en toekomst – Past and future – الماضي والمستقبل
Plannen – Plans – خطط
A1: Wat zijn je plannen voor morgen?
◦ AR: ما خططك ليوم غد؟
◦ EN: What are your plans for tomorrow?
A2: Ik maak plannen voor de zomervakantie.
◦ AR: أُعدّ خططًا لعطلة الصيف.
◦ EN: I’m making plans for the summer holiday.
B1: Mijn plannen veranderden op het laatste moment.
B2: We bespreken de toekomstplannen tijdens de vergadering.
Opvoeding – Upbringing – التربية
A1: Mijn opvoeding was streng.
◦ AR: كانت تربيتي صارمة.
◦ EN: My upbringing was strict.
A2: Mijn ouders gaven mij een goede opvoeding.
◦ AR: والداي أعطوني تربية جيدة.
◦ EN: My parents gave me a good upbringing.
B1: De opvoeding in mijn familie is traditioneel.
B2: Een goede opvoeding legt de basis voor de toekomst.
Jeugd – Youth – الشباب
A1: Mijn jeugd was vrolijk.
◦ AR: كانت شبابي سعيدًا.
◦ EN: My youth was happy.
A2: In mijn jeugd speelde ik veel buiten.
◦ AR: في شبابي، كنت ألعب كثيرًا في الخارج.
◦ EN: In my youth, I played outside a lot.
B1: De jeugd van tegenwoordig heeft meer technologie.
B2: Veel jeugd heeft dromen over een betere toekomst.
Ambitie – Ambition – الطموح
A1: Ik heb veel ambitie.
◦ AR: لدي الكثير من الطموح.
◦ EN: I have a lot of ambition.
A2: Mijn ambitie is om dokter te worden.
◦ AR: طموحي أن أصبح طبيبًا.
◦ EN: My ambition is to become a doctor.
B1: Ze werkt hard om haar ambitie waar te maken.
B2: Ambitie helpt mensen om hun doelen te bereiken.
Carrière – Career – مسيرة مهنية
A1: Ik wil een goede carrière.
◦ AR: أريد مسيرة مهنية جيدة.
◦ EN: I want a good career.
A2: Mijn carrière begon vijf jaar geleden.
◦ AR: بدأت مسيرتي المهنية قبل خمس سنوات.
◦ EN: My career started five years ago.
B1: Hij bouwt een succesvolle carrière op in de techniek.
B2: Carrièreplanning is belangrijk voor langdurig succes.
Ervaring – Experience – خبرة
A1: Ik heb weinig ervaring.
◦ AR: لدي خبرة قليلة.
◦ EN: I have little experience.
A2: Mijn ervaring helpt mij bij dit werk.
◦ AR: خبرتي تساعدني في هذا العمل.
◦ EN: My experience helps me with this job.
B1: Ze heeft veel ervaring opgedaan in het buitenland.
B2: Ervaring is vaak belangrijker dan diploma’s.
Verleden – Past – الماضي
A1: Mijn verleden is mooi.
◦ AR: ماضي جميل لدي.
◦ EN: My past is nice.
A2: Ik denk vaak aan mijn verleden.
◦ AR: أفكر كثيرًا في ماضيّ.
◦ EN: I often think about my past.
B1: Het verleden beïnvloedt onze keuzes nu.
B2: Het is belangrijk om van het verleden te leren.
Toekomst – Future – المستقبل
A1: Ik droom over de toekomst.
◦ AR: أحلم بالمستقبل.
◦ EN: I dream about the future.
A2: Mijn toekomstplannen zijn duidelijk.
◦ AR: خططي المستقبلية واضحة.
◦ EN: My future plans are clear.
B1: De toekomst brengt nieuwe kansen.
B2: We maken samen plannen voor een duurzame toekomst.
Jeugd – Youth – الشباب
A1: Mijn jeugd was vrolijk.
◦ AR: كانت شبابي سعيدًا.
◦ EN: My youth was happy.
A2: In mijn jeugd speelde ik veel buiten.
◦ AR: في شبابي، كنت ألعب كثيرًا في الخارج.
◦ EN: In my youth, I played outside a lot.
B1: De jeugd van tegenwoordig heeft meer technologie.
B2: Veel jeugd heeft dromen over een betere toekomst.
Ambitie – Ambition – الطموح
A1: Ik heb veel ambitie.
◦ AR: لدي الكثير من الطموح.
◦ EN: I have a lot of ambition.
A2: Mijn ambitie is om dokter te worden.
◦ AR: طموحي أن أصبح طبيبًا.
◦ EN: My ambition is to become a doctor.
B1: Ze werkt hard om haar ambitie waar te maken.
B2: Ambitie helpt mensen om hun doelen te bereiken.
Carrière – Career – مسيرة مهنية
A1: Ik wil een goede carrière.
◦ AR: أريد مسيرة مهنية جيدة.
◦ EN: I want a good career.
A2: Mijn carrière begon vijf jaar geleden.
◦ AR: بدأت مسيرتي المهنية قبل خمس سنوات.
◦ EN: My career started five years ago.
B1: Hij bouwt een succesvolle carrière op in de techniek.
B2: Carrièreplanning is belangrijk voor langdurig succes.
Ervaring – Experience – خبرة
A1: Ik heb weinig ervaring.
◦ AR: لدي خبرة قليلة.
◦ EN: I have little experience.
A2: Mijn ervaring helpt mij bij dit werk.
◦ AR: خبرتي تساعدني في هذا العمل.
◦ EN: My experience helps me with this job.
B1: Ze heeft veel ervaring opgedaan in het buitenland.
B2: Ervaring is vaak belangrijker dan diploma’s.
Verleden – Past – الماضي
A1: Mijn verleden is mooi.
◦ AR: ماضي جميل لدي.
◦ EN: My past is nice.
A2: Ik denk vaak aan mijn verleden.
◦ AR: أفكر كثيرًا في ماضيّ.
◦ EN: I often think about my past.
B1: Het verleden beïnvloedt onze keuzes nu.
B2: Het is belangrijk om van het verleden te leren.
Toekomst – Future – المستقبل
A1: Ik droom over de toekomst.
◦ AR: أحلم بالمستقبل.
◦ EN: I dream about the future.
A2: Mijn toekomstplannen zijn duidelijk.
◦ AR: خططي المستقبلية واضحة.
◦ EN: My future plans are clear.
B1: De toekomst brengt nieuwe kansen.
B2: We maken samen plannen voor een duurzame toekomst.
Gezinshereniging – Family reunification – لم شمل الأسرة
A1: Ik wil gezinshereniging.
◦ AR: أريد لم شمل الأسرة.
◦ EN: I want family reunification.
A2: Gezinshereniging duurt soms lang.
◦ AR: لم شمل الأسرة يستغرق أحيانًا وقتًا طويلاً.
◦ EN: Family reunification sometimes takes a long time.
B1: Gezinshereniging is belangrijk voor het welzijn van iedereen.
B2: De procedures voor gezinshereniging zijn vaak complex.
Werk / een leuke baan – Job / a nice job – عمل / وظيفة جيدة
A1: Ik wil een leuke baan.
◦ AR: أريد وظيفة جيدة.
◦ EN: I want a nice job.
A2: Ik zoek werk in een kantoor.
◦ AR: أبحث عن عمل في مكتب.
◦ EN: I am looking for work in an office.
B1: Een leuke baan is belangrijk voor mijn geluk.
B2: Ik probeer een baan te vinden die bij mijn opleiding past.
Genoeg geld verdienen – Earning enough money – كسب المال الكافي
A1: Ik wil genoeg geld verdienen.
◦ AR: أريد كسب المال الكافي.
◦ EN: I want to earn enough money.
A2: Genoeg geld verdienen is belangrijk voor mijn gezin.
◦ AR: كسب المال الكافي مهم لعائلتي.
◦ EN: Earning enough money is important for my family.
B1: Ik probeer genoeg geld te verdienen voor een huis.
B2: Genoeg geld verdienen geeft mij zekerheid voor de toekomst.
Kinderen die veilig kunnen opgroeien – Children growing up safely – الأطفال الذين ينمون بأمان
A1: Ik wil dat mijn kinderen veilig opgroeien.
◦ AR: أريد أن يكبر أطفالي بأمان.
◦ EN: I want my children to grow up safely.
A2: Veilige buurten zijn belangrijk voor kinderen.
◦ AR: الأحياء الآمنة مهمة للأطفال.
◦ EN: Safe neighborhoods are important for children.
B1: Kinderen hebben liefde en veiligheid nodig om goed op te groeien.
B2: Het is belangrijk dat kinderen in een veilige omgeving opgroeien.
Woorden en zinnen A1 tot en met B2
Het examen op B1-niveau toetst je vaardigheid in de Nederlandse taal op een zelfstandig niveau. De onderwerpen die je kunt verwachten, zijn praktisch en relevant voor het dagelijks leven.
Persoonlijke informatie
Naam – Name – اسم
- A1: Ik heet Ahmed.
- AR: اسمي أحمد
- EN: My name is Ahmed
- A2: Mijn naam is Ahmed.
- AR: اسمي أحمد
- EN: My name is Ahmed
- B1: Mijn naam is Ahmed en ik ben vernoemd naar mijn opa.
- B2: Mijn naam is Ahmed, ik ben vernoemd naar mijn opa en mijn naam heeft een speciale betekenis in onze familie.
Leeftijd – Age – عمر
- A1: Ik ben 25.
- AR: عمري 25 سنة
- EN: I am 25 years old
- A2: Ik ben 25 jaar oud.
- AR: عمري 25 سنة
- EN: I am 25 years old
- B1: Ik ben 25 jaar, maar volgende maand word ik 26.
- B2: Ik ben 25 jaar, maar volgende maand word ik 26 en ik merk dat de tijd steeds sneller lijkt te gaan.
Geboortedatum – Date of birth – تاريخ الميلاد
- A1: Ik ben geboren op 12 maart.
- AR: وُلدت في 12 مارس
- EN: I was born on March 12
- A2: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998.
- AR: تاريخ ميلادي هو 12 مارس 1998
- EN: My date of birth is March 12, 1998
- B1: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998 en ik vier mijn verjaardag altijd met familie.
- B2: Mijn geboortedatum is 12 maart 1998 en ik vier mijn verjaardag altijd met familie, waarbij we traditiegetrouw samen eten en spelletjes doen.
Taal – Language – لغة
- A1: Ik spreek een beetje Nederlands.
- AR: أتكلم القليل من اللغة الهولندية
- EN: I speak a little Dutch
- A2: Ik leer de Nederlandse taal.
- AR: أتعلم اللغة الهولندية
- EN: I am learning the Dutch language
- B1: Ik leer de Nederlandse taal, omdat ik hier werk en vrienden heb.
- B2: Ik leer de Nederlandse taal, omdat ik hier werk en vrienden heb, en ik wil de taal vloeiend spreken om beter te kunnen communiceren.
Land – Country – بلد
- A1: Ik kom uit Marokko.
- AR: أنا من المغرب
- EN: I come from Morocco
- A2: Mijn land is Marokko.
- AR: بلدي هو المغرب
- EN: My country is Morocco
- B1: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland.
- B2: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland en ik voel me verbonden met beide culturen.
Stad – City – مدينة
- A1: Ik woon in een stad.
- AR: أعيش في مدينة
- EN: I live in a city
- A2: Mijn stad is groot.
- AR: مدينتي كبيرة
- EN: My city is big
- B1: Mijn stad is groot en er zijn veel winkels en restaurants.
- B2: Mijn stad is groot, er zijn veel winkels en restaurants, en het openbaar vervoer is goed geregeld.
Straat – Street – شارع
- A1: Ik woon in een rustige straat.
- AR: أعيش في شارع هادئ
- EN: I live on a quiet street
- A2: Mijn straat is rustig.
- AR: شارعي هادئ
- EN: My street is quiet
- B1: Mijn straat is rustig en er zijn veel bomen.
- B2: Mijn straat is rustig, er zijn veel bomen en in de lente ruikt het heerlijk naar bloesem.
Adres – Address – عنوان
- A1: Mijn adres is Kerkstraat 10.
- AR: عنواني هو كيركسترات 10
- EN: My address is Kerkstraat 10
- A2: Mijn adres is Kerkstraat 10.
- AR: عنواني هو كيركسترات 10
- EN: My address is Kerkstraat 10
- B1: Mijn adres is Kerkstraat 10 en ik woon hier al drie jaar.
- B2: Mijn adres is Kerkstraat 10, ik woon hier al drie jaar en ik heb fijne buren die altijd klaarstaan om te helpen.
Telefoon – Phone – هاتف
- A1: Ik heb een telefoon.
- AR: لدي هاتف
- EN: I have a phone
- A2: Mijn telefoon is nieuw.
- AR: هاتفي جديد
- EN: My phone is new
- B1: Mijn telefoon is nieuw en heeft een goede camera.
- B2: Mijn telefoon is nieuw, heeft een goede camera en ik gebruik hem vaak om foto’s van mooie momenten te maken.
E-mail – Email – بريد إلكتروني
- A1: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com.
- AR: بريدي الإلكتروني هو ahmedx@gmail.com
- EN: My email is ahmedx@gmail.com
- A2: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com.
- AR: بريدي الإلكتروني هو ahmedx@gmail.com
- EN: My email is ahmedx@gmail.com
- B1: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com en ik gebruik het voor mijn werk.
- B2: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com, ik gebruik het voor mijn werk en ik probeer altijd snel op berichten te reageren.
Weekend – Weekend – عطلة نهاية الأسبوع
- A1: In het weekend rust ik uit.
- AR: أرتاح في عطلة نهاية الأسبوع
- EN: I rest on the weekend
- A2: In het weekend slaap ik uit.
- AR: أنام طويلاً في عطلة نهاية الأسبوع
- EN: I sleep in on the weekend
- B1: In het weekend slaap ik uit en ga ik met vrienden naar het park.
- B2: In het weekend slaap ik uit, ga ik met vrienden naar het park en geniet ik van de vrije tijd om te ontspannen.
Land – Country – بلد
- A2: Mijn land is Marokko.
- B1: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland.
- B2: Mijn land is Marokko, maar ik woon al tien jaar in Nederland en ik voel me verbonden met beide culturen.
Stad – City – مدينة
- A2: Mijn stad is groot.
- B1: Mijn stad is groot en er zijn veel winkels en restaurants.
- B2: Mijn stad is groot, er zijn veel winkels en restaurants, en het openbaar vervoer is goed geregeld.
Straat – Street – شارع
- A2: Mijn straat is rustig.
- B1: Mijn straat is rustig en er zijn veel bomen.
- B2: Mijn straat is rustig, er zijn veel bomen en in de lente ruikt het heerlijk naar bloesem.
Adres – Address – عنوان
- A2: Mijn adres is Kerkstraat 10.
- B1: Mijn adres is Kerkstraat 10 en ik woon hier al drie jaar.
- B2: Mijn adres is Kerkstraat 10, ik woon hier al drie jaar en ik heb fijne buren die altijd klaarstaan om te helpen.
Telefoon – Phone – هاتف
- A2: Mijn telefoon is nieuw.
- B1: Mijn telefoon is nieuw en heeft een goede camera.
- B2: Mijn telefoon is nieuw, heeft een goede camera en ik gebruik hem vaak om foto’s van mooie momenten te maken.
E-mail – Email – بريد إلكتروني
- A2: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com.
- B1: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com en ik gebruik het voor mijn werk.
- B2: Mijn e-mail is ahmedx@gmail.com, ik gebruik het voor mijn werk en ik probeer altijd snel op berichten te reageren.
Weekend – Weekend – عطلة نهاية الأسبوع
- A2: In het weekend slaap ik uit.
- B1: In het weekend slaap ik uit en ga ik met vrienden naar het park.
- B2: In het weekend slaap ik uit, ga ik met vrienden naar het park en geniet ik van de vrije tijd om te ontspannen.
Gezin – Family – أسرة
- A2: Mijn gezin is klein.
- B1: Mijn gezin bestaat uit mijn ouders, mijn zus en ik.
- B2: Mijn gezin bestaat uit mijn ouders, mijn zus en ik, en we hebben een hechte band omdat we veel tijd samen doorbrengen.
Hobby – Hobby – هواية
- A2: Mijn hobby is voetballen.
- B1: Mijn hobby is voetballen, want ik speel graag met vrienden op zaterdag.
- B2: Mijn hobby is voetballen, want ik speel graag met vrienden op zaterdag en ik train ook wekelijks bij een lokale club om beter te worden.
Vriend – Friend – صديق
- A2: Mijn vriend heet Samir.
- B1: Mijn vriend Samir en ik kennen elkaar al tien jaar.
- B2: Mijn vriend Samir en ik kennen elkaar al tien jaar en we hebben samen veel mooie herinneringen aan onze jeugd.
Buurman – Neighbor – جار
- A2: Mijn buurman is vriendelijk.
- B1: Mijn buurman helpt mij vaak als ik iets nodig heb.
- B2: Mijn buurman helpt mij vaak als ik iets nodig heb, en we drinken soms samen koffie om bij te praten.
Wonen – To live – يعيش
- A2: Ik woon in Amsterdam.
- B1: Ik woon in Amsterdam, maar ik wil later naar een rustigere stad verhuizen.
- B2: Ik woon in Amsterdam, maar ik wil later naar een rustigere stad verhuizen omdat ik daar meer ruimte en minder drukte wil ervaren.
Ochtend – Morning – صباح
- A2: In de ochtend drink ik koffie.
- B1: In de ochtend drink ik koffie en lees ik het nieuws op mijn telefoon.
- B2: In de ochtend drink ik koffie, lees ik het nieuws op mijn telefoon en maak ik een planning voor mijn dag.
Avond – Evening – مساء
- A2: In de avond kijk ik tv.
- B1: In de avond kijk ik tv en soms lees ik een boek voor het slapen.
- B2: In de avond kijk ik tv, soms lees ik een boek voor het slapen, en ik probeer altijd op tijd naar bed te gaan voor een goede nachtrust.
Broer – Brother – أخ
- A2: Mijn broer is 20 jaar.
- B1: Mijn broer is 20 jaar en studeert economie aan de universiteit.
- B2: Mijn broer is 20 jaar, studeert economie aan de universiteit en wil later zijn eigen bedrijf starten.
Zus – Sister – أخت
- A2: Mijn zus heet Sara.
- B1: Mijn zus heet Sara en ze houdt van schilderen.
- B2: Mijn zus heet Sara, ze houdt van schilderen en haar kamer hangt vol met haar eigen kunstwerken.
Vader – Father – أب
- A2: Mijn vader werkt veel.
- B1: Mijn vader werkt veel, maar in het weekend gaan we samen wandelen.
- B2: Mijn vader werkt veel, maar in het weekend gaan we samen wandelen en praten we over van alles en nog wat.
Moeder – Mother – أم
- A2: Mijn moeder kookt lekker.
- B1: Mijn moeder kookt lekker en leert mij ook nieuwe recepten.
- B2: Mijn moeder kookt lekker, leert mij nieuwe recepten en vindt het belangrijk dat we als gezin samen eten.
Opa – Grandfather – جد
- A2: Mijn opa is oud.
- B1: Mijn opa is oud, maar hij fietst nog elke dag.
- B2: Mijn opa is oud, maar hij fietst nog elke dag en vertelt graag verhalen over vroeger.
Oma – Grandmother – جدة
- A2: Mijn oma woont in Nederland.
- B1: Mijn oma woont in Nederland en maakt elke week soep voor ons.
- B2: Mijn oma woont in Nederland, maakt elke week soep voor ons en vertelt altijd leuke verhalen over haar jeugd.
Vriendin – Girlfriend/Female Friend – صديقة
- A2: Mijn vriendin heet Fatima.
- B1: Mijn vriendin heet Fatima en we gaan vaak samen naar de bioscoop.
- B2: Mijn vriendin heet Fatima en we gaan vaak samen naar de bioscoop, omdat we allebei van romantische films houden en daarna graag over de film praten.
Kennismaken – To get to know – التعارف
- A2: Ik maak kennis met mijn nieuwe collega.
- B1: Ik maak kennis met mijn nieuwe collega en we praten over ons werk.
- B2: Ik maak kennis met mijn nieuwe collega en we praten over ons werk, onze ervaringen in het bedrijf en onze interesses buiten het werk.
Voorstellen – To introduce – تقديم
- A2: Ik stel mijn vriend voor aan mijn moeder.
- B1: Ik stel mijn vriend voor aan mijn moeder, omdat ze elkaar nog niet kennen.
- B2: Ik stel mijn vriend voor aan mijn moeder, omdat ze elkaar nog niet kennen en ik het belangrijk vind dat mijn familie weet met wie ik omga.
Verjaardag – Birthday – عيد ميلاد
- A2: Mijn verjaardag is in juni.
- B1: Mijn verjaardag is in juni en ik vier het met mijn familie en vrienden.
- B2: Mijn verjaardag is in juni en ik vier het met mijn familie en vrienden door een groot feest te geven met lekker eten en muziek.
Uiterlijk – Appearance – مظهر
- A2: Mijn zus heeft lang haar.
- B1: Mijn zus heeft lang haar en draagt vaak een rode jas.
- B2: Mijn zus heeft lang, donker haar en draagt vaak een rode jas, omdat dat haar lievelingskleur is en ze het mooi vindt passen bij haar stijl.
Karakter – Character – شخصية
- A2: Mijn vriend is vriendelijk.
- B1: Mijn vriend is vriendelijk en helpt altijd mensen die hulp nodig hebben.
- B2: Mijn vriend is vriendelijk, behulpzaam en geduldig, vooral wanneer hij iemand iets nieuws uitlegt of als iemand steun nodig heeft.
Relatie – Relationship – علاقة
- A2: Ik heb een goede relatie met mijn broer.
- B1: Ik heb een goede relatie met mijn broer, want we praten veel samen.
- B2: Ik heb een goede relatie met mijn broer, want we praten veel samen over persoonlijke dingen en steunen elkaar in moeilijke tijden.
Sport – Sport – رياضة
- A2: Ik doe aan voetbal.
- B1: Ik doe aan voetbal en speel elke zaterdag een wedstrijd.
- B2: Ik doe aan voetbal en speel elke zaterdag een wedstrijd met mijn team, waarin we samenwerken en proberen steeds beter te worden.
Muziek – Music – موسيقى
- A2: Ik hou van muziek.
- B1: Ik hou van muziek en luister elke dag naar mijn favoriete liedjes.
- B2: Ik hou van muziek en luister elke dag naar mijn favoriete liedjes, vooral als ik wil ontspannen of inspiratie nodig heb.
Boek – Book – كتاب
- A2: Dit boek is interessant.
- B1: Dit boek is interessant, omdat het over geschiedenis gaat.
- B2: Dit boek is interessant, omdat het over geschiedenis gaat en ik veel nieuwe dingen leer over gebeurtenissen uit het verleden.
Film – Movie – فيلم
- A2: De film is spannend.
- B1: De film is spannend en heeft een verrassend einde.
- B2: De film is spannend en heeft een verrassend einde dat ik niet had verwacht, waardoor ik nog lang bleef nadenken over het verhaal.
Feest – Party – حفلة
- A2: Morgen is het feest.
- B1: Morgen is het feest en ik heb een mooie jurk gekocht.
- B2: Morgen is het feest en ik heb een mooie jurk gekocht, omdat ik er goed uit wil zien en graag complimenten krijg over mijn outfit.
Vakantie – Holiday – عطلة
- A2: Ik ga op vakantie naar Spanje.
- B1: Ik ga op vakantie naar Spanje, omdat ik van het warme weer hou.
- B2: Ik ga op vakantie naar Spanje, omdat ik van het warme weer hou en de cultuur en het eten daar erg interessant vind.
Weer – Weather – الطقس
- A2: Het weer is vandaag zonnig.
- B1: Het weer is vandaag zonnig, dus we gaan naar het strand.
- B2: Het weer is vandaag zonnig, dus we gaan naar het strand om te zwemmen, te zonnebaden en samen een leuke dag door te brengen.
Trouwdag – Wedding day – يوم الزفاف
- A2: Mijn ouders hebben hun trouwdag in mei.
- B1: Mijn ouders hebben hun trouwdag in mei en ze zijn al 25 jaar getrouwd.
- B2: Mijn ouders hebben hun trouwdag in mei en ze zijn al 25 jaar getrouwd, wat ik heel bijzonder vind, omdat ze altijd liefdevol met elkaar omgaan.
Gewoonte – Habit – عادة
- A2: Mijn gewoonte is thee drinken in de ochtend.
- B1: Mijn gewoonte is thee drinken in de ochtend, omdat het me helpt wakker te worden.
- B2: Mijn gewoonte is thee drinken in de ochtend, omdat het me helpt wakker te worden en ik het ontspannend vind om rustig mijn dag te beginnen.
Lunch – Lunch – غداء
- A2: Ik eet brood bij de lunch.
- B1: Ik eet brood bij de lunch en drink er thee bij.
- B2: Ik eet brood bij de lunch en drink er thee bij, omdat dat een lichte maaltijd is die me genoeg energie geeft voor de rest van de dag.
Droom – Dream – حلم
- A2: Mijn droom is dokter worden.
- B1: Mijn droom is dokter worden, zodat ik mensen kan helpen.
- B2: Mijn droom is dokter worden, zodat ik mensen kan helpen en een verschil kan maken in hun leven door hen de beste zorg te geven.
Belangrijk – Important – مهم
- A2: Gezondheid is belangrijk.
- B1: Gezondheid is belangrijk, daarom eet ik gezond en sport ik vaak.
- B2: Gezondheid is belangrijk, daarom eet ik gezond en sport ik vaak, zodat ik fit blijf en minder kans heb op ziektes.
Vreemd – Strange – غريب
- A2: Dit eten smaakt vreemd.
- B1: Dit eten smaakt vreemd, maar het is misschien een nieuw recept.
- B2: Dit eten smaakt vreemd, maar het is misschien een nieuw recept dat ik nog nooit eerder heb geproefd en waar ik aan moet wennen.
Opstaan – To wake up – يستيقظ
- A2: Ik sta om 7 uur op.
- B1: Ik sta om 7 uur op, want mijn werk begint om 8 uur.
- B2: Ik sta om 7 uur op, want mijn werk begint om 8 uur en ik neem de tijd om rustig te ontbijten.
Douchen – To shower – يستحم
- A2: Ik douche elke ochtend.
- B1: Ik douche elke ochtend, want dat helpt me wakker te worden.
- B2: Ik douche elke ochtend, want dat helpt me wakker te worden en fris aan de dag te beginnen.
Ontbijten – To have breakfast – يتناول الإفطار
- A2: Ik ontbijt met brood en thee.
- B1: Ik ontbijt met brood en thee, want dat vind ik lekker.
- B2: Ik ontbijt met brood en thee, want dat vind ik lekker en het geeft me energie voor de dag.
Werken – To work – يعمل
- A2: Ik werk in een kantoor.
- B1: Ik werk in een kantoor als administratief medewerker.
- B2: Ik werk in een kantoor als administratief medewerker en ik help klanten met hun vragen.
Studeren – To study – يدرس
- A2: Ik studeer Nederlands.
- B1: Ik studeer Nederlands, omdat ik hier wil werken en wonen.
- B2: Ik studeer Nederlands, omdat ik hier wil werken en wonen en ik wil de taal goed beheersen.
Koken – To cook – يطبخ
- A2: Ik kook elke dag.
- B1: Ik kook elke dag, want ik hou van gezond eten.
- B2: Ik kook elke dag, want ik hou van gezond eten en probeer graag nieuwe recepten uit.
Eten – To eat – يأكل
- A2: Ik eet graag rijst.
- B1: Ik eet graag rijst, want dat is gezond.
- B2: Ik eet graag rijst, want dat is gezond en makkelijk te bereiden.
Opruimen – To clean up – يرتب
- A2: Ik ruim mijn kamer op.
- B1: Ik ruim mijn kamer op, want ik hou van een nette ruimte.
- B2: Ik ruim mijn kamer op, want ik hou van een nette ruimte en het helpt me om rustig te werken.
Slapen – To sleep – ينام
- A2: Ik slaap om 11 uur.
- B1: Ik slaap om 11 uur, zodat ik genoeg rust krijg.
- B2: Ik slaap om 11 uur, zodat ik genoeg rust krijg en de volgende dag fris ben.
Boodschappen doen – To do groceries – يتسوق
- A2: Ik doe boodschappen in de supermarkt.
- B1: Ik doe boodschappen in de supermarkt, want daar is alles vers.
- B2: Ik doe boodschappen in de supermarkt, want daar is alles vers en de prijzen zijn goed.
Vrije tijd – Free time – وقت الفراغ
Sporten – To exercise – يمارس الرياضة
- A2: Ik sport twee keer per week.
- B1: Ik sport twee keer per week, want het is gezond.
- B2: Ik sport twee keer per week, want het is gezond en ik voel me fitter.
Wandelen – To walk – يمشي
- A2: Ik wandel in het park.
- B1: Ik wandel in het park, want dat is ontspannend.
- B2: Ik wandel in het park, want dat is ontspannend en goed voor mijn gezondheid.
Lezen – To read – يقرأ
- A2: Ik lees een boek.
- B1: Ik lees een boek, omdat ik van verhalen hou.
- B2: Ik lees een boek, omdat ik van verhalen hou en het helpt me om mijn woordenschat te verbeteren.
Muziek luisteren – To listen to music – يستمع إلى الموسيقى
- A2: Ik luister naar muziek.
- B1: Ik luister naar muziek, want dat maakt me blij.
- B2: Ik luister naar muziek, want dat maakt me blij en helpt me te ontspannen.
Tv kijken – To watch TV – يشاهد التلفاز
- A2: Ik kijk tv in de avond.
- B1: Ik kijk tv in de avond, omdat ik dan tijd heb.
- B2: Ik kijk tv in de avond, omdat ik dan tijd heb en ik volg graag mijn favoriete series.
Films kijken – To watch movies – يشاهد الأفلام
- A2: Ik kijk graag films.
- B1: Ik kijk graag films, vooral actie- en komediefilms.
- B2: Ik kijk graag films, vooral actie- en komediefilms, en ik ga soms naar de bioscoop.
Fietsen – To cycle – يركب الدراجة
- A2: Ik fiets naar mijn werk.
- B1: Ik fiets naar mijn werk, want dat is snel en gezond.
- B2: Ik fiets naar mijn werk, want dat is snel en gezond en ik bespaar geld op vervoer.
Uit eten gaan – To eat out – يتناول الطعام في الخارج
- A2: Ik ga soms uit eten.
- B1: Ik ga soms uit eten, vooral in het weekend.
- B2: Ik ga soms uit eten, vooral in het weekend, omdat ik dan geniet van nieuwe gerechten.
Reizen – To travel – يسافر
- A2: Ik reis graag.
- B1: Ik reis graag naar andere landen.
- B2: Ik reis graag naar andere landen om nieuwe culturen te ontdekken.
Bezoek ontvangen – To receive visitors – يستقبل الضيوف
- A2: Ik ontvang graag bezoek.
- B1: Ik ontvang graag bezoek en kook dan iets lekkers.
- B2: Ik ontvang graag bezoek en kook dan iets lekkers, zodat iedereen zich welkom voelt.
Onderwijs en werk – Education and work – التعليم والعمل
School – School – مدرسة
- A2: Mijn school is groot.
- B1: Mijn school is groot en heeft een grote bibliotheek.
- B2: Mijn school is groot en modern, met een uitgebreide bibliotheek en goede faciliteiten, waardoor studenten optimaal kunnen leren.
Leraar – Teacher – معلم
- A2: Mijn leraar is aardig.
- B1: Mijn leraar is aardig en helpt mij met Nederlands.
- B2: Mijn leraar is niet alleen vriendelijk en geduldig, maar hij weet ook complexe onderwerpen op een eenvoudige en boeiende manier uit te leggen.
Vak – Subject – مادة دراسية
- A2: Mijn favoriete vak is wiskunde.
- B1: Mijn favoriete vak is wiskunde, omdat ik goed ben in rekenen.
- B2: Mijn favoriete vak is wiskunde, omdat het logisch en gestructureerd is. Ik geniet ervan om uitdagende problemen op te lossen en nieuwe theorieën te ontdekken.
Toets – Test – اختبار
- A2: Ik heb een toets morgen.
- B1: Ik heb een toets morgen, dus ik moet studeren.
- B2: Morgen heb ik een belangrijke toets waarvoor ik me grondig moet voorbereiden, omdat de stof ingewikkeld is en een diepgaand begrip vereist.
Huiswerk – Homework – واجب منزلي
- A2: Ik maak mijn huiswerk.
- B1: Ik maak mijn huiswerk elke avond na school.
- B2: Ik maak mijn huiswerk elke avond na school en probeer mijn tijd efficiënt in te delen, zodat ik ook ruimte heb om extra oefenmateriaal door te nemen.
Studie – Study – دراسة
- A2: Ik volg een studie.
- B1: Ik volg een studie economie aan de universiteit.
- B2: Ik volg een studie economie aan de universiteit, waar ik niet alleen theorie leer, maar ook praktijkervaring opdoe door middel van stages en projecten.
Diploma – Diploma – شهادة
- A2: Ik wil mijn diploma halen.
- B1: Ik wil mijn diploma halen, zodat ik een goede baan kan vinden.
- B2: Ik wil mijn diploma halen, omdat het mij betere carrièrekansen biedt en mij helpt om mijn kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen in mijn vakgebied.
Universiteit – University – جامعة
- A2: Ik studeer aan de universiteit.
- B1: Ik studeer aan de universiteit en mijn opleiding duurt vier jaar.
- B2: Ik studeer aan de universiteit en mijn opleiding duurt vier jaar, waarin ik zowel theoretische als praktische kennis opdoe en verschillende onderzoeksprojecten uitvoer.
Stage – Internship – تدريب
- A2: Ik loop stage bij een bedrijf.
- B1: Ik loop stage bij een bedrijf om werkervaring op te doen.
- B2: Ik loop stage bij een bedrijf waar ik niet alleen werkervaring opdoe, maar ook leer hoe ik mijn theoretische kennis in de praktijk kan toepassen en netwerkcontacten kan leggen.
Werken – To work – يعمل
- A2: Ik werk in een winkel.
- B1: Ik werk in een winkel en help klanten met hun aankopen.
- B2: Ik werk in een winkel waar ik niet alleen klanten help met hun aankopen, maar ook verantwoordelijk ben voor het bijhouden van de voorraad en het afhandelen van betalingen.
Beroep – Profession – مهنة
- A2: Mijn beroep is kok.
- B1: Mijn beroep is kok en ik werk in een restaurant.
- B2: Mijn beroep is kok en ik werk in een restaurant waar ik dagelijks nieuwe gerechten bedenk en mijn culinaire vaardigheden verfijn door middel van experimenteren en innovatie.
Werkervaring – Work experience – خبرة العمل
- A2: Ik heb werkervaring.
- B1: Ik heb twee jaar werkervaring in de horeca.
- B2: Ik heb twee jaar werkervaring in de horeca, waarin ik niet alleen leerde hoe ik efficiënt onder druk kan werken, maar ook hoe ik klanttevredenheid kan verbeteren.
Sollicitatie – Job application – طلب توظيف
- A2: Ik schrijf een sollicitatie.
- B1: Ik schrijf een sollicitatie voor een baan als administratief medewerker.
- B2: Ik schrijf een sollicitatie voor een baan als administratief medewerker, waarin ik mijn ervaring en vaardigheden benadruk om een sterke indruk te maken op de werkgever.
Vacature – Job vacancy – وظيفة شاغرة
- A2: Ik zoek een vacature.
- B1: Ik zoek een vacature als verkoopmedewerker.
- B2: Ik zoek een vacature als verkoopmedewerker bij een gerenommeerd bedrijf, waar ik mijn talenten kan benutten en doorgroeimogelijkheden heb.
CV – Resume – سيرة ذاتية
- A2: Mijn CV is klaar.
- B1: Mijn CV is klaar en ik stuur het naar bedrijven.
- B2: Mijn CV is klaar en ik zorg ervoor dat het goed gestructureerd is, zodat werkgevers snel een overzicht hebben van mijn opleiding, werkervaring en vaardigheden.
Collega – Colleague – زميل
- A2: Mijn collega is aardig.
- B1: Mijn collega is aardig en helpt mij met mijn werk.
- B2: Mijn collega is aardig, behulpzaam en heeft veel ervaring, waardoor ik veel van hem leer en samen efficiënter werk.
Werkdag – Workday – يوم العمل
- A2: Mijn werkdag begint om 9 uur.
- B1: Mijn werkdag begint om 9 uur en eindigt om 5 uur.
- B2: Mijn werkdag begint om 9 uur en eindigt om 5 uur, waarbij ik mijn taken zorgvuldig plan om productief en efficiënt te werken.
Werkplek – Workplace – مكان العمل
- A2: Mijn werkplek is mooi.
- B1: Mijn werkplek is mooi en heeft veel ruimte.
- B2: Mijn werkplek is ruim, goed georganiseerd en voorzien van moderne apparatuur, waardoor ik in een prettige omgeving kan werken.
Salaris – Salary – راتب
- A2: Mijn salaris is goed.
- B1: Mijn salaris is goed en ik spaar elke maand geld.
- B2: Mijn salaris is goed en ik spaar elke maand een deel ervan, zodat ik in de toekomst financiële zekerheid heb en mijn doelen kan bereiken.
Werken – To work – يعمل
- A2: Ik werk in een supermarkt.
- B1: Ik werk in een supermarkt als caissière en ik vind het leuk om met klanten te praten.
- B2: Ik werk in een supermarkt als caissière en ik vind het leuk om met klanten te praten, vooral omdat ik zo mensen uit verschillende culturen leer kennen.
Werkdag – Workday – يوم العمل
- A2: Mijn werkdag begint om 8 uur.
- B1: Mijn werkdag begint om 8 uur en ik werk tot 5 uur.
- B2: Mijn werkdag begint om 8 uur, ik werk tot 5 uur en ik zorg ervoor dat ik mijn taken efficiënt afrond.
Studeren – To study – يدرس
- A2: Ik studeer Nederlands.
- B1: Ik studeer Nederlands, omdat ik hier wil werken en wonen.
- B2: Ik studeer Nederlands, omdat ik hier wil werken en wonen, en ik vind het leuk om steeds nieuwe woorden en uitdrukkingen te leren.
Promotie – Promotion – ترقية
- A2: Ik wil promotie.
- B1: Ik wil promotie naar een hogere functie.
- B2: Ik wil promotie naar een hogere functie, dus ik toon initiatief, neem extra verantwoordelijkheden op me en blijf mezelf ontwikkelen door cursussen en trainingen te volgen.
Beroep – Profession – مهنة
- A2: Mijn beroep is leraar.
- B1: Mijn beroep is leraar en ik geef les op een middelbare school.
- B2: Mijn beroep is leraar en ik geef les op een middelbare school, waar ik niet alleen kennis overdraag, maar ook leerlingen motiveer en begeleid in hun ontwikkeling.
Werkervaring – Work experience – خبرة العمل
- A2: Ik heb twee jaar werkervaring.
- B1: Ik heb twee jaar werkervaring als verkoopmedewerker.
- B2: Ik heb twee jaar werkervaring als verkoopmedewerker, waarin ik mijn communicatieve vaardigheden heb verbeterd en geleerd hoe ik klanten effectief kan helpen.
Fulltime – Full-time – دوام كامل
- A2: Ik werk fulltime.
- B1: Ik werk fulltime in een supermarkt.
- B2: Ik werk fulltime in een supermarkt, waar ik verantwoordelijk ben voor de voorraad, klantcontact en de kassa.
Parttime – Part-time – دوام جزئي
- A2: Ik werk parttime.
- B1: Ik werk parttime naast mijn studie.
- B2: Ik werk parttime naast mijn studie om werkervaring op te doen en mijn financiële situatie te verbeteren.
Stage – Internship – تدريب
- A2: Ik loop stage in een bedrijf.
- B1: Ik loop stage in een bedrijf om ervaring op te doen.
- B2: Ik loop stage in een bedrijf, waar ik praktische vaardigheden leer en de kans krijg om mijn netwerk uit te breiden.
Bedrijf – Company – شركة
- A2: Ik werk in een groot bedrijf.
- B1: Ik werk in een groot bedrijf met veel medewerkers.
- B2: Ik werk in een groot internationaal bedrijf, waar ik dagelijks samenwerk met collega’s uit verschillende landen.
Klant – Customer – زبون
- A2: Ik help klanten in de winkel.
- B1: Ik help klanten in de winkel met hun vragen.
- B2: Ik help klanten in de winkel door hen advies te geven en ervoor te zorgen dat ze tevreden de deur uitgaan.
Kantoor – Office – مكتب
- A2: Ik werk op een kantoor.
- B1: Ik werk op een kantoor met tien collega’s.
- B2: Ik werk op een kantoor met tien collega’s, waar we samenwerken aan verschillende projecten en dagelijks vergaderingen hebben.
Baan – Job – وظيفة
- A2: Ik heb een nieuwe baan.
- B1: Ik heb een nieuwe baan als administratief medewerker.
- B2: Ik heb een nieuwe baan als administratief medewerker, waarin ik verantwoordelijk ben voor het organiseren van documenten en het ondersteunen van mijn team.
Arbeidscontract – Employment contract – عقد عمل
- A2: Ik heb een contract voor zes maanden.
- B1: Ik heb een contract voor zes maanden en werk 40 uur per week.
- B2: Ik heb een contract voor zes maanden met de mogelijkheid tot verlenging als mijn prestaties goed zijn.
eroep – Profession – مهنة
- A2: Mijn beroep is leraar.
- B1: Mijn beroep is leraar en ik geef les op een middelbare school.
- B2: Mijn beroep is leraar en ik geef les op een middelbare school, waar ik niet alleen kennis overdraag, maar ook leerlingen motiveer en begeleid in hun ontwikkeling.
Werkervaring – Work experience – خبرة العمل
- A2: Ik heb twee jaar werkervaring.
- B1: Ik heb twee jaar werkervaring als verkoopmedewerker.
- B2: Ik heb twee jaar werkervaring als verkoopmedewerker, waarin ik mijn communicatieve vaardigheden heb verbeterd en geleerd hoe ik klanten effectief kan helpen.
Fulltime – Full-time – دوام كامل
- A2: Ik werk fulltime.
- B1: Ik werk fulltime in een supermarkt.
- B2: Ik werk fulltime in een supermarkt, waar ik verantwoordelijk ben voor de voorraad, klantcontact en de kassa.
Parttime – Part-time – دوام جزئي
- A2: Ik werk parttime.
- B1: Ik werk parttime naast mijn studie.
- B2: Ik werk parttime naast mijn studie om werkervaring op te doen en mijn financiële situatie te verbeteren.
Stage – Internship – تدريب
- A2: Ik loop stage in een bedrijf.
- B1: Ik loop stage in een bedrijf om ervaring op te doen.
- B2: Ik loop stage in een bedrijf, waar ik praktische vaardigheden leer en de kans krijg om mijn netwerk uit te breiden.
Bedrijf – Company – شركة
- A2: Ik werk in een groot bedrijf.
- B1: Ik werk in een groot bedrijf met veel medewerkers.
- B2: Ik werk in een groot internationaal bedrijf, waar ik dagelijks samenwerk met collega’s uit verschillende landen.
Klant – Customer – زبون
- A2: Ik help klanten in de winkel.
- B1: Ik help klanten in de winkel met hun vragen.
- B2: Ik help klanten in de winkel door hen advies te geven en ervoor te zorgen dat ze tevreden de deur uitgaan.
Kantoor – Office – مكتب
- A2: Ik werk op een kantoor.
- B1: Ik werk op een kantoor met tien collega’s.
- B2: Ik werk op een kantoor met tien collega’s, waar we samenwerken aan verschillende projecten en dagelijks vergaderingen hebben.
Baan – Job – وظيفة
- A2: Ik heb een nieuwe baan.
- B1: Ik heb een nieuwe baan als administratief medewerker.
- B2: Ik heb een nieuwe baan als administratief medewerker, waarin ik verantwoordelijk ben voor het organiseren van documenten en het ondersteunen van mijn team.
Arbeidscontract – Employment contract – عقد عمل
- A2: Ik heb een contract voor zes maanden.
- B1: Ik heb een contract voor zes maanden en werk 40 uur per week.
- B2: Ik heb een contract voor zes maanden met de mogelijkheid tot verlenging als mijn prestaties goed zijn.
Sollicitatie – Job application – طلب توظيف
- A2: Ik schrijf een sollicitatiebrief.
- B1: Ik schrijf een sollicitatiebrief voor een administratieve functie.
- B2: Ik schrijf een sollicitatiebrief waarin ik mijn werkervaring en vaardigheden benadruk om een goede indruk te maken op de werkgever.
Vacature – Job vacancy – وظيفة شاغرة
- A2: Ik zoek een vacature.
- B1: Ik zoek een vacature als receptionist.
- B2: Ik zoek een vacature als receptionist in een hotel, waar ik mijn talenkennis en communicatieve vaardigheden kan gebruiken.
Sollicitatiegesprek – Job interview – مقابلة عمل
- A2: Ik heb morgen een sollicitatiegesprek.
- B1: Ik heb morgen een sollicitatiegesprek en bereid me goed voor.
- B2: Ik heb morgen een sollicitatiegesprek en ik oefen mijn antwoorden op veelgestelde vragen om zelfverzekerd over te komen.
CV – Resume – سيرة ذاتية
- A2: Mijn CV is klaar.
- B1: Mijn CV is klaar en ik stuur het naar bedrijven.
- B2: Mijn CV is klaar en bevat een overzicht van mijn werkervaring, opleidingen en vaardigheden om werkgevers een duidelijk beeld van mij te geven.
Referentie – Reference – مرجع
- A2: Mijn vorige baas is mijn referentie.
- B1: Mijn vorige baas is mijn referentie en kan iets vertellen over mijn werk.
- B2: Mijn vorige baas is mijn referentie en kan uitleggen hoe ik binnen het bedrijf heb gewerkt en welke kwaliteiten ik heb.
Werkplek – Workplace – مكان العمل
- A2: Mijn werkplek is schoon.
- B1: Mijn werkplek is schoon en goed georganiseerd.
- B2: Mijn werkplek is schoon, goed georganiseerd en voorzien van alle benodigde apparatuur, zodat ik efficiënt kan werken.
Collega – Colleague – زميل
- A2: Mijn collega is aardig.
- B1: Mijn collega is aardig en helpt mij met mijn werk.
- B2: Mijn collega is aardig, behulpzaam en heeft veel ervaring, waardoor ik veel van hem leer en we goed samenwerken.
Vergadering – Meeting – اجتماع
- A2: Ik heb een vergadering op maandag.
- B1: Ik heb een vergadering op maandag met mijn team.
- B2: Ik heb een vergadering op maandag met mijn team om de voortgang van onze projecten te bespreken en nieuwe doelen te stellen.
Teamwork – Teamwork – العمل الجماعي
- A2: Ik werk in een team.
- B1: Ik werk in een team met vijf mensen.
- B2: Ik werk in een team met vijf mensen, waarin we taken verdelen en samenwerken om onze doelen te bereiken.
Werksfeer – Work atmosphere – بيئة العمل
- A2: De werksfeer is goed.
- B1: De werksfeer is goed en gezellig.
- B2: De werksfeer is goed, omdat iedereen elkaar respecteert en er ruimte is voor zowel hard werken als ontspanning.
Doorzettingsvermogen – Perseverance – المثابرة
• A2: Ik heb doorzettingsvermogen
• B1: Ik heb doorzettingsvermogen en geef niet snel op
• B2: Ik heb doorzettingsvermogen, want ik blijf gemotiveerd, zelfs als iets moeilijk of tijdrovend is
Nieuwsgierig – Curious – فضولي
• A2: Ik ben nieuwsgierig.
• B1: Ik ben nieuwsgierig en stel veel vragen.
• B2: Ik ben nieuwsgierig en wil altijd nieuwe dingen ontdekken om mijn kennis en vaardigheden te verbeteren.
Behulpzaam – Helpful – متعاون
• A2: Ik ben behulpzaam.
• B1: Ik ben behulpzaam en help graag anderen.
• B2: Ik ben behulpzaam, omdat ik het belangrijk vind dat iedereen goed kan samenwerken en zich ondersteund voelt.
Zelfstandig – Independent – مستقل
• A2: Ik ben zelfstandig.
• B1: Ik ben zelfstandig en kan goed alleen werken.
• B2: Ik ben zelfstandig, maar weet ook wanneer het beter is om samen te werken of hulp te vragen.
Creatief – Creative – مبدع
• A2: Ik ben creatief.
• B1: Ik ben creatief en bedenk nieuwe ideeën.
• B2: Ik ben creatief, omdat ik originele oplossingen kan bedenken en graag out-of-the-box denk.
Sociaal – Social – اجتماعي
• A2: Ik ben sociaal.
• B1: Ik ben sociaal en maak makkelijk contact.
• B2: Ik ben sociaal, omdat ik goed met anderen kan omgaan en me makkelijk aan verschillende situaties aanpas.
Flexibel – Flexible – مرن
• A2: Ik ben flexibel.
• B1: Ik ben flexibel en pas me snel aan.
• B2: Ik ben flexibel, omdat ik goed kan omgaan met veranderingen en nieuwe situaties.
Geduldig – Patient – صبور
• A2: Ik ben geduldig.
• B1: Ik ben geduldig en blijf rustig als iets lang duurt.
• B2: Ik ben geduldig, omdat ik begrijp dat sommige processen tijd kosten en ik kalm blijf in moeilijke situaties.
Nauwkeurig – Accurate – دقيق
• A2: Ik werk nauwkeurig.
• B1: Ik ben nauwkeurig en let goed op details.
• B2: Ik ben nauwkeurig, omdat ik zorgvuldig werk en ervoor zorg dat alles correct wordt uitgevoerd.
Vriendelijk – Friendly – ودود
• A2: Ik ben vriendelijk.
• B1: Ik ben vriendelijk en groet mensen altijd met een glimlach.
• B2: Ik ben vriendelijk, omdat ik het belangrijk vind dat mensen zich op hun gemak voelen in mijn omgeving.
Zelfverzekerd – Confident – واثق
• A2: Ik ben zelfverzekerd.
• B1: Ik ben zelfverzekerd en durf mijn mening te geven.
• B2: Ik ben zelfverzekerd, omdat ik vertrouwen heb in mijn eigen capaciteiten en beslissingen.
Stressbestendig – Stress-resistant – قادر على تحمل الضغط
• A2: Ik blijf rustig bij stress.
• B1: Ik ben stressbestendig en kan goed presteren onder druk.
• B2: Ik ben stressbestendig, omdat ik kalm blijf en efficiënt werk, zelfs in lastige situaties.
Betrouwbaar – Reliable – موثوق
• A2: Ik ben betrouwbaar.
• B1: Ik ben betrouwbaar en kom altijd mijn afspraken na.
• B2: Ik ben betrouwbaar, omdat mensen op mij kunnen rekenen en ik verantwoordelijk omga met taken.
Ambitieus – Ambitious – طموح
• A2: Ik ben ambitieus.
• B1: Ik ben ambitieus en wil mijzelf blijven verbeteren.
• B2: Ik ben ambitieus, omdat ik mijn doelen duidelijk voor ogen heb en hard werk om ze te bereiken.
Verantwoordelijk – Responsible – مسؤول
• A2: Ik ben verantwoordelijk.
• B1: Ik ben verantwoordelijk en neem mijn taken serieus.
• B2: Ik ben verantwoordelijk, omdat ik zorg dat mijn werk goed en op tijd wordt gedaan.
Enthousiast – Enthusiastic – متحمس
• A2: Ik ben enthousiast.
• B1: Ik ben enthousiast en begin mijn werk met energie.
• B2: Ik ben enthousiast, omdat ik anderen motiveer en positief bijdraag aan het team.
Leergierig – Eager to learn – محب للتعلم
• A2: Ik ben leergierig.
• B1: Ik ben leergierig en wil graag nieuwe dingen leren.
• B2: Ik ben leergierig, omdat ik mezelf continu wil ontwikkelen en graag nieuwe kennis opdoe.
Communicatief – Communicative – قادر على التواصل
• A2: Ik kan goed praten.
• B1: Ik ben communicatief en kan mijn mening goed verwoorden.
• B2: Ik ben communicatief, omdat ik op een duidelijke en effectieve manier met anderen communiceer.
Georganiseerd – Organized – منظم
• A2: Ik ben georganiseerd.
• B1: Ik ben georganiseerd en werk gestructureerd.
• B2: Ik ben georganiseerd, omdat ik efficiënt plan en overzicht houd over mijn taken.
Oplossingsgericht – Solution-oriented – موجه نحو الحلول
• A2: Ik zoek naar een oplossing.
• B1: Ik ben oplossingsgericht en geef niet op bij problemen.
• B2: Ik ben oplossingsgericht, omdat ik snel en creatief denk om tot een goede oplossing te komen.
Opleiding & Werk
Diploma – Diploma – شهادة
A2: Ik heb mijn diploma in mijn land gehaald.
B1: Mijn diploma is erkend in Nederland, waardoor ik hier kan werken.
Werkervaring – Work experience – خبرة عمل
A2: Ik heb drie jaar als kok gewerkt.
B1: Mijn werkervaring in de horeca helpt mij bij het vinden van een nieuwe baan.
Vaardigheden – Skills – مهارات
A2: Ik kan goed met computers werken.
B1: Mijn vaardigheden in communicatie en organisatie zijn nuttig in mijn werk.
Doorgroeimogelijkheden – Growth opportunities – فرص التطور
A2: Ik wil een betere baan krijgen.
B1: Ik zoek een bedrijf waar er doorgroeimogelijkheden zijn voor mijn carrière.
Sollicitatie – Job application – طلب وظيفة
A2: Ik schrijf een brief voor een baan.
B1: Voor mijn sollicitatie heb ik mijn CV en motivatiebrief goed voorbereid.
Hobby’s & Vrije tijd
Vrijwilligerswerk – Volunteering – العمل التطوعي
A2: Ik help graag mensen zonder geld te verdienen.
B1: Door vrijwilligerswerk leer ik nieuwe mensen kennen en ontwikkel ik mijn vaardigheden.
Verzameling – Collection – مجموعة
A2: Ik spaar munten uit verschillende landen.
B1: Mijn verzameling oude boeken groeit elk jaar met bijzondere vondsten.
Wandelen – Hiking – المشي لمسافات طويلة
A2: Ik wandel graag in het park.
B1: In het weekend ga ik wandelen in de bergen voor ontspanning.
Muziekinstrument – Musical instrument – آلة موسيقية
A2: Ik speel gitaar in mijn kamer.
B1: Ik speel al vijf jaar een muziekinstrument en treed soms op.
Sportvereniging – Sports club – نادي رياضي
A2: Ik zit bij een voetbalclub.
B1: Onze sportvereniging organiseert elk jaar een groot toernooi.
Gezin & Wonen
Gezinslid – Family member – فرد من العائلة
A2: Mijn broer is een gezinslid.
B1: Elk gezinslid heeft zijn eigen taak in het huishouden.
Samenwonen – Living together – العيش معًا
A2: Ik woon met mijn partner in een huis.
B1: Samenwonen betekent dat je afspraken moet maken over geld en huishouden.
Woning – House – منزل
- A2: Wij hebben een nieuwe woning gekocht.
- B1: Het vinden van een betaalbare woning in de stad is tegenwoordig een uitdaging.
Huur – Rent – إيجار
- A2: Wij betalen elke maand huur voor ons appartement.
- B1: De huurprijzen in deze wijk zijn de afgelopen jaren gestegen.
Hypotheek – Mortgage – رهن عقاري
- A2: Zij hebben een hypotheek afgesloten voor hun huis.
- B1: Het is belangrijk om de voorwaarden van je hypotheek goed te begrijpen voordat je tekent.
Verhuizen – Moving – انتقال
- A2: Wij gaan volgende week verhuizen naar een groter huis.
- B1: Verhuizen naar een andere stad kan zowel spannend als stressvol zijn.
Buurt – Neighborhood – حي
- A2: Onze buurt heeft een speeltuin en een park.
- B1: Een veilige en vriendelijke buurt is essentieel voor een prettige leefomgeving.
Gemeubileerd – Furnished – مؤثث
- A2: Het appartement is gemeubileerd verhuurd.
- B1: Een gemeubileerde woning huren is handig voor mensen die tijdelijk verblijven.
Makelaar – Real estate agent – وكيل عقارات
- A2: De makelaar helpt ons bij het kopen van een huis.
- B1: Een ervaren makelaar kan je adviseren over de woningmarkt en prijzen.
Buurman/Buurvrouw – Neighbor – جار/جارة
- A2: Mijn buurman helpt me vaak met de tuin.
- B1: Een goede relatie met je buren draagt bij aan een fijne woonsituatie.
Huurcontract – Rental contract – عقد إيجار
- A2: Wij hebben het huurcontract gisteren getekend.
- B1: Lees altijd de voorwaarden van het huurcontract zorgvuldig door voordat je het ondertekent.
Onderhoud – Maintenance – صيانة
- A2: Het onderhoud van de tuin doen we zelf.
- B1: Regelmatig onderhoud van je woning voorkomt grote reparaties in de toekomst.
VvE (Vereniging van Eigenaren) – Homeowners association – جمعية الملاك
- A2: Onze VvE organiseert een jaarlijkse vergadering.
- B1: De VvE is verantwoordelijk voor het onderhoud van gemeenschappelijke ruimtes in het gebouw.
Energielabel – Energy label – تصنيف الطاقة
- A2: Ons huis heeft energielabel B.
- B1: Een woning met een goed energielabel is vaak energiezuiniger en beter voor het milieu.
Renovatie – Renovation – تجديد
- A2: Wij plannen een renovatie van de keuken.
- B1: Een grondige renovatie kan de waarde van je huis aanzienlijk verhogen.
Isolatie – Insulation – عزل
- A2: Goede isolatie houdt het huis warm in de winter.
- B1: Investeren in isolatie kan leiden tot lagere energiekosten en een comfortabeler huis.
Koopwoning – Owner-occupied house – منزل تم شراؤه
- A2: Zij wonen in een koopwoning.
- B1: Een koopwoning kan een goede investering zijn op de lange termijn.
Appartement – Apartment – شقة
- A2: Mijn zus woont in een appartement in het centrum.
- B1: Appartementen in hoogbouw hebben vaak een prachtig uitzicht over de stad.
Gemeente – Municipality – بلدية
- A2: De gemeente zorgt voor het onderhoud van de straten.
- B1: Bij de gemeente kun je vergunningen aanvragen voor verbouwingen aan je huis.
Schuur – Shed – سقيفة
- A2: De fietsen staan in de schuur.
- B1: Een schuur biedt extra opslagruimte voor gereedschap en tuinspullen.
Zolder – Attic – علية
- A2: Op zolder bewaren we oude spullen.
- B1: De zolder kan worden verbouwd tot een extra slaapkamer of kantoorruimte.
Tuin – Garden – حديقة
- A2: In de zomer zitten we graag in de tuin.
- B1: Een goed onderhouden tuin verhoogt het woongenot en de waarde van je woning.
Sociale contacten & Communicatie
Kennismaken – Getting to know – التعارف
A2: Ik maak kennis met mijn nieuwe buren.
B1: Op mijn werk vind ik het belangrijk om goed kennis te maken met collega’s.
Uitnodiging – Invitation – دعوة
A2: Ik nodig mijn vriend uit voor een feestje.
B1: De uitnodiging voor de bruiloft stond vol met mooie details.
Toekomst & Dromen
Ambitie – Ambition – طموح
A2: Ik wil een goede baan krijgen.
B1: Mijn ambitie is om mijn eigen bedrijf te beginnen.
Droom – Dream – حلم
A2: Mijn droom is een groot huis.
B1: Ik werk hard om mijn droom om advocaat te worden waar te maken.
Succes – Success – نجاح
A2: Ik wil succes in mijn leven.
B1: Succes komt door hard werken en nooit opgeven.
Huis – House – منزل
- A2: Mijn huis is groot.
- B1: Mijn huis is groot en heeft drie slaapkamers en een tuin.
Kamer – Room – غرفة
- A2: Mijn kamer is klein.
- B1: Mijn kamer is klein, maar ik heb een groot raam met veel licht.
Woonkamer – Living room – غرفة المعيشة
- A2: De woonkamer is gezellig.
- B1: De woonkamer is gezellig met een grote bank en een televisie.
Slaapkamer – Bedroom – غرفة النوم
- A2: Mijn slaapkamer is blauw.
- B1: Mijn slaapkamer is blauw en er staat een groot bed in.
Keuken – Kitchen – مطبخ
- A2: De keuken is schoon.
- B1: De keuken is schoon en ik kook daar elke dag.
Badkamer – Bathroom – حمام
- A2: De badkamer heeft een douche.
- B1: De badkamer heeft een douche en een grote spiegel.
Tuin – Garden – حديقة
- A2: Wij hebben een tuin.
- B1: Wij hebben een tuin met veel bloemen en een tafel.
Balkon – Balcony – شرفة
- A2: Ik zit graag op het balkon.
- B1: Ik zit graag op het balkon, vooral als de zon schijnt.
Gang – Hallway – ممر
- A2: De gang is smal.
- B1: De gang is smal en leidt naar de slaapkamers.
Trap – Stairs – سلم
- A2: De trap is hoog.
- B1: De trap is hoog en heeft 15 treden.
Ramen – Windows – نوافذ
- A2: De ramen zijn groot.
- B1: De ramen zijn groot en laten veel licht binnen.
Deur – Door – باب
- A2: De deur is blauw.
- B1: De deur is blauw en heeft een mooie bel.
Adres – Address – عنوان
- A2: Mijn adres is Kerkstraat 10.
- B1: Mijn adres is Kerkstraat 10 en ik woon hier al vijf jaar.
- 14. Post – Mail – بريد
- A2: Ik krijg een brief.
- B1: Ik krijg een brief van de gemeente over mijn nieuwe paspoort.
Brievenbus – Mailbox – صندوق البريد
- A2: De brievenbus is vol.
- B1: De brievenbus is vol met reclamefolders en brieven.
Huur – Rent – إيجار
- A2: Mijn huur is 700 euro.
- B1: Mijn huur is 700 euro per maand, inclusief water en elektriciteit.
Huurder – Tenant – مستأجر
- A2: Ik ben huurder van dit huis.
- B1: Ik ben huurder van dit huis en betaal elke maand op tijd.
Verhuurder – Landlord – مؤجر
- A2: Mijn verhuurder is vriendelijk.
- B1: Mijn verhuurder is vriendelijk en helpt als er problemen zijn.
Woning – Housing – سكن
- A2: Ik zoek een nieuwe woning.
- B1: Ik zoek een nieuwe woning, omdat mijn huis te klein is.
Flat – Apartment – شقة
- A2: Ik woon in een flat.
- B1: Ik woon in een flat op de derde verdieping.
Etage – Floor – طابق
- A2: Mijn huis is op de tweede etage.
- B1: Mijn huis is op de tweede etage, dus ik neem altijd de lift.
Lift – Elevator – مصعد
- A2: De lift is kapot.
- B1: De lift is kapot, dus ik moet de trap nemen.
Kapot – Broken – مكسور
- A2: Mijn lamp is kapot.
- B1: Mijn lamp is kapot en ik moet een nieuwe kopen.
Lekkage – Leakage – تسرب
- A2: Er is lekkage in de badkamer.
- B1: Er is lekkage in de badkamer en het water komt uit het plafond.
Verwarming – Heating – تدفئة
- A2: De verwarming is aan.
- B1: De verwarming is aan, omdat het buiten koud is.
Lamp – Lamp – مصباح
- A2: De lamp geeft veel licht.
- B1: De lamp geeft veel licht, dus ik kan goed lezen.
Stopcontact – Socket – مقبس كهرباء
- A2: Mijn oplader zit in het stopcontact.
- B1: Mijn oplader zit in het stopcontact, maar mijn telefoon laadt niet op.
Schoonmaken – To clean – تنظيف
- A2: Ik maak mijn kamer schoon.
- B1: Ik maak mijn kamer schoon, want het is erg rommelig.
Stofzuigen – To vacuum – تكنيس
- A2: Ik stofzuig de vloer.
- B1: Ik stofzuig de vloer, omdat er veel stof ligt.
Bank – Couch – أريكة
- A2: De bank is zacht.
- B1: De bank is zacht en ik zit er graag op.
Vloer – Floor – أرضية
- A2: De vloer is schoon.
- B1: De vloer is schoon, omdat ik net heb gedweild.
Gordijnen – Curtains – ستائر
- A2: De gordijnen zijn rood.
- B1: De gordijnen zijn rood en houden het zonlicht tegen.
Water – Water – ماء
- A2: Het water is koud.
- B1: Het water is koud, dus ik zet de kraan warmer.
Gas – Gas – غاز
- A2: Het gas is uit.
- B1: Het gas is uit, zodat er geen gevaar is.
Internet – Internet – إنترنت
- A2: Mijn internet is traag.
- B1: Mijn internet is traag en ik kan geen video’s kijken.
Kast – Closet – خزانة
- A2: Mijn kast is groot.
- B1: Mijn kast is groot en heeft veel planken voor mijn kleren.
Spiegel – Mirror – مرآة
- A2: Ik kijk in de spiegel.
- B1: Ik kijk in de spiegel voordat ik naar mijn werk ga.
Kraan – Faucet – صنبور
- A2: De kraan lekt.
- B1: De kraan lekt en ik moet de loodgieter bellen.
Sleutel – Key – مفتاح
- A2: Mijn sleutel ligt op tafel.
- B1: Mijn sleutel ligt op tafel, naast mijn telefoon.
Slot – Lock – قفل
- A2: Het slot is kapot.
- B1: Het slot is kapot, dus ik kan de deur niet op slot doen.
Muur – Wall – جدار
- A2: De muur is wit.
- B1: De muur is wit en ik wil hem blauw verven.
Schilderij – Painting – لوحة
- A2: Het schilderij hangt aan de muur.
- B1: Het schilderij hangt aan de muur en het is heel mooi.
Vuilnis – Trash – قمامة
- A2: Ik breng de vuilnis weg.
- B1: Ik breng de vuilnis weg, want de bak is vol.
Buurman – Neighbor (male) – جار
- A2: Mijn buurman is aardig.
- B1: Mijn buurman is aardig en helpt me met mijn tuin.
Buren – Neighbors – جيران
- A2: Mijn buren zijn vriendelijk.
- B1: Mijn buren zijn vriendelijk en we drinken soms koffie samen.
Verhuizen – To move (house) – انتقال
- A2: Ik verhuis naar een nieuwe stad.
- B1: Ik verhuis naar een nieuwe stad, omdat ik daar ga werken.
Huurcontract – Rental contract – عقد الإيجار
- A2: Ik teken het huurcontract.
- B1: Ik teken het huurcontract en betaal de eerste huur.
Lawaai – Noise – ضوضاء
- A2: Er is veel lawaai buiten.
- B1: Er is veel lawaai buiten, want de buren hebben een feestje.
Klus – Chore / DIY job – عمل يدوي
- A2: Ik heb een klus in huis.
- B1: Ik heb een klus in huis, want de deur moet gerepareerd worden.
Bezichtiging – Viewing (house) – معاينة
- A2: Ik ga een huis bezichtigen.
- B1: Ik ga een huis bezichtigen om te kijken of het groot genoeg is.
Werk – Work – عمل
- A2: Ik heb werk in een winkel.
- B1: Ik heb werk in een winkel en ik help klanten met hun vragen.
Baan – Job – وظيفة
- A2: Mijn baan is leuk.
- B1: Mijn baan is leuk, omdat ik met mensen werk.
Beroep – Profession – مهنة
- A2: Mijn beroep is kapper.
- B1: Mijn beroep is kapper en ik knip veel klanten per dag.
Werken – To work – يعمل
- A2: Ik werk in een restaurant.
- B1: Ik werk in een restaurant als ober en bedien klanten.
5. Kantoor – Office – مكتب
- A2: Mijn kantoor is groot.
- B1: Mijn kantoor is groot en heeft veel computers.
6. Collega – Colleague – زميل عمل
- A2: Mijn collega is aardig.
- B1: Mijn collega is aardig en helpt me met mijn werk.
7. Vergadering – Meeting – اجتماع
- A2: Wij hebben een vergadering.
- B1: Wij hebben een vergadering om het nieuwe project te bespreken.
8. Solliciteren – To apply for a job – التقديم على وظيفة
- A2: Ik solliciteer naar een baan.
- B1: Ik solliciteer naar een baan als receptionist in een hotel.
9. Sollicitatiegesprek – Job interview – مقابلة عمل
- A2: Mijn sollicitatiegesprek is morgen.
- B1: Mijn sollicitatiegesprek is morgen en ik bereid me goed voor.
10. Contract – Contract – عقد
- A2: Ik teken mijn contract.
- B1: Ik teken mijn contract voor een baan van een jaar.
11. Fulltime – Full-time – دوام كامل
- A2: Ik werk fulltime.
- B1: Ik werk fulltime, dus 40 uur per week.
12. Parttime – Part-time – دوام جزئي
- A2: Ik werk parttime.
- B1: Ik werk parttime, want ik heb ook een studie.
13. Uurloon – Hourly wage – أجر بالساعة
- A2: Mijn uurloon is 10 euro.
- B1: Mijn uurloon is 10 euro, maar ik krijg extra in het weekend.
14. Werkrooster – Work schedule – جدول العمل
- A2: Mijn werkrooster is druk.
- B1: Mijn werkrooster is druk, want ik werk vijf dagen per week.
15. Afspraken – Appointments – مواعيد
- A2: Ik heb afspraken op mijn werk.
- B1: Ik heb afspraken met klanten over nieuwe projecten.
16. Pauze – Break – استراحة
- A2: Mijn pauze is om 12 uur.
- B1: Mijn pauze is om 12 uur en duurt 30 minuten.
17. Werkgever – Employer – صاحب العمل
- A2: Mijn werkgever is aardig.
- B1: Mijn werkgever is aardig en geeft me goede feedback.
18. Werknemer – Employee – موظف
- A2: Ik ben een werknemer in een fabriek.
- B1: Ik ben een werknemer in een fabriek en werk aan de lopende band.
19. Salaris – Salary – راتب
- A2: Mijn salaris is goed.
- B1: Mijn salaris is goed, maar ik wil een loonsverhoging.
20. Vrije dag – Day off – يوم عطلة
- A2: Morgen heb ik een vrije dag.
- B1: Morgen heb ik een vrije dag en ga ik naar het strand.
21. School – School – مدرسة
- A2: Ik ga naar school.
- B1: Ik ga naar school en leer nieuwe dingen.
22. Cursus – Course – دورة
- A2: Ik volg een cursus Nederlands.
- B1: Ik volg een cursus Nederlands om beter te leren spreken.
23. Studie – Study – دراسة
- A2: Mijn studie is interessant.
- B1: Mijn studie is interessant, want ik leer veel over economie.
24. Examen – Exam – امتحان
- A2: Ik heb een examen.
- B1: Ik heb een examen en ik moet goed studeren.
25. Opleiding – Education – تعليم
- A2: Mijn opleiding duurt twee jaar.
- B1: Mijn opleiding duurt twee jaar en daarna zoek ik werk.
26. Diploma – Diploma – شهادة
- A2: Ik haal mijn diploma.
- B1: Ik haal mijn diploma en zoek daarna een baan.
27. Les – Lesson – درس
- A2: De les is interessant.
- B1: De les is interessant en ik leer veel nieuwe woorden.
28. Leraar – Teacher – معلم
- A2: Mijn leraar is aardig.
- B1: Mijn leraar is aardig en legt goed uit.
29. Klas – Class – صف
- A2: Mijn klas is groot.
- B1: Mijn klas is groot en heeft 25 studenten.
30. Stage – Internship – تدريب
- A2: Ik loop stage bij een bedrijf.
- B1: Ik loop stage bij een bedrijf om ervaring op te doen.
31. Schoolvak – Subject – مادة دراسية
- A2: Mijn favoriete schoolvak is wiskunde.
- B1: Mijn favoriete schoolvak is wiskunde, omdat ik goed ben in rekenen.
32. Huiswerk – Homework – واجب منزلي
- A2: Ik maak mijn huiswerk.
- B1: Ik maak mijn huiswerk, want morgen is de toets.
33. Diploma-uitreiking – Graduation – حفل تخرج
- A2: Mijn diploma-uitreiking is volgende week.
- B1: Mijn diploma-uitreiking is volgende week en mijn familie komt kijken.
34. Toets – Test – اختبار
- A2: De toets is moeilijk.
- B1: De toets is moeilijk, maar ik heb goed geleerd.
35. College – Lecture – محاضرة
- A2: Het college begint om 10 uur.
- B1: Het college begint om 10 uur en duurt twee uur.
36. Bibliotheek – Library – مكتبة
- A2: Ik lees een boek in de bibliotheek.
- B1: Ik lees een boek in de bibliotheek, omdat het daar rustig is.
37. Studieboek – Textbook – كتاب دراسي
- A2: Mijn studieboek is dik.
- B1: Mijn studieboek is dik en heeft veel moeilijke woorden.
38. Schoolbord – Blackboard – سبورة
- A2: De leraar schrijft op het schoolbord.
- B1: De leraar schrijft op het schoolbord en legt de opdracht uit.
39. Kluisje – Locker – خزانة
- A2: Mijn kluisje is blauw.
- B1: Mijn kluisje is blauw en ik bewaar mijn boeken erin.
40. Schrijfgerei – Stationery – أدوات الكتابة
- A2: Ik koop nieuw schrijfgerei.
- B1: Ik koop nieuw schrijfgerei, want mijn pen is leeg.
41. Werkervaring – Work experience – خبرة عمل
- A2: Ik heb werkervaring in een winkel.
- B1: Ik heb werkervaring in een winkel en kan goed klanten helpen.
42. Promotie – Promotion – ترقية
- A2: Mijn baas geeft me een promotie.
- B1: Mijn baas geeft me een promotie, omdat ik goed werk doe.
43. Ziekmelding – Sick leave – إجازة مرضية
- A2: Ik bel mijn baas voor een ziekmelding.
- B1: Ik bel mijn baas voor een ziekmelding, want ik heb koorts.
44. Overwerken – Overtime – عمل إضافي
- A2: Ik werk vandaag over.
- B1: Ik werk vandaag over, omdat er veel te doen is.
45. Vakantie – Vacation – إجازة
- A2: Mijn vakantie begint in juli.
- B1: Mijn vakantie begint in juli en ik ga naar Spanje.
46. Taken – Tasks – مهام
- A2: Mijn taken zijn eenvoudig.
- B1: Mijn taken zijn eenvoudig, maar ik moet goed opletten.
47. Werkdruk – Work pressure – ضغط العمل
- A2: De werkdruk is hoog.
- B1: De werkdruk is hoog, want er zijn veel deadlines.
48. Lunchpauze – Lunch break – استراحة الغداء
- A2: Mijn lunchpauze is om 12 uur.
- B1: Mijn lunchpauze is om 12 uur en duurt een half uur.
49. Loopbaan – Career – مسار مهني
- A2: Mijn loopbaan begint dit jaar.
- B1: Mijn loopbaan begint dit jaar en ik wil veel leren.
50. Ontslag – Resignation – استقالة
- A2: Ik neem ontslag.
- B1: Ik neem ontslag, omdat ik een betere baan heb gevonden.
Winkel – Store – متجر
• A2: Ik ga naar de winkel.
• B1: Ik ga naar de winkel om een nieuwe jas te kopen.
• B2: Ik ga naar de winkel om een nieuwe jas te kopen, omdat ik een warme en stijlvolle jas nodig heb voor de winter.
Supermarkt – Supermarket – سوبرماركت
• A2: Ik koop brood in de supermarkt.
• B1: Ik koop brood en groente in de supermarkt voor het avondeten.
• B2: Ik koop brood en groente in de supermarkt, zodat ik een gezonde maaltijd kan bereiden zonder veel geld uit te geven.
Markt – Market – سوق
• A2: De markt is druk.
• B1: De markt is druk, want er zijn veel mensen die groente kopen.
• B2: De markt is druk, omdat het weekend is en veel mensen hier hun boodschappen doen vanwege de lage prijzen en verse producten.
Kassa – Cash register – صندوق الدفع
• A2: Ik betaal bij de kassa.
• B1: Ik betaal bij de kassa met mijn pinpas.
• B2: Ik betaal bij de kassa met mijn pinpas, omdat ik geen contant geld bij me heb en dat sneller gaat.
Prijs – Price – سعر
• A2: De prijs is laag.
• B1: De prijs is laag, want er is korting op dit product.
• B2: De prijs is laag in vergelijking met andere winkels, waardoor dit een goede kans is om geld te besparen.
Korting – Discount – خصم
• A2: Er is korting op schoenen.
• B1: Er is korting op schoenen, dus ik koop twee paar.
• B2: Er is korting op schoenen, maar ik wacht nog even, omdat de prijzen tijdens de uitverkoop meestal nog verder dalen.
Aanbieding – Special offer – عرض خاص
• A2: De melk is in de aanbieding.
• B1: De melk is in de aanbieding en kost nu maar 1 euro.
• B2: De melk is in de aanbieding, waardoor het voordeliger is om nu meerdere pakken te kopen en ze in de koelkast te bewaren.
Kassabon – Receipt – إيصال
• A2: Ik bewaar mijn kassabon.
• B1: Ik bewaar mijn kassabon voor als ik het product wil ruilen.
• B2: Ik bewaar mijn kassabon goed, omdat ik het product misschien moet retourneren als het niet aan mijn verwachtingen voldoet.
Terugbetaling – Refund – استرداد الأموال
• A2: Ik wil een terugbetaling.
• B1: Ik wil een terugbetaling, omdat het product kapot is.
• B2: Ik wil een terugbetaling aanvragen, omdat het product defect is en ik liever een ander model koop.
Ruilen – Exchange – تبديل
• A2: Ik ruil mijn broek.
• B1: Ik ruil mijn broek, want hij is te klein.
• B2: Ik ruil mijn broek voor een grotere maat, omdat deze niet comfortabel zit en ik een betere pasvorm nodig heb.
Retourneren – Return – إرجاع
• A2: Ik retourneer de jas.
• B1: Ik retourneer de jas, omdat hij niet past.
• B2: Ik retourneer de jas, omdat hij anders uitziet dan op de website en de stof niet prettig aanvoelt.
Online winkelen – Online shopping – التسوق عبر الإنترنت
• A2: Ik doe aan online winkelen.
• B1: Ik doe aan online winkelen, omdat het snel en makkelijk is.
• B2: Ik doe aan online winkelen, omdat ik prijzen kan vergelijken en producten kan bestellen zonder dat ik naar een fysieke winkel hoef te gaan.
Klacht – Complaint – شكوى
• A2: Ik heb een klacht.
• B1: Ik heb een klacht, want mijn bestelling is te laat.
• B2: Ik heb een klacht ingediend bij de klantenservice, omdat mijn bestelling niet alleen te laat was, maar ook beschadigd aankwam.
Garantie – Warranty – ضمان
• A2: Mijn telefoon heeft garantie.
• B1: Mijn telefoon heeft garantie, dus ik krijg gratis reparatie.
• B2: Mijn telefoon heeft garantie, wat betekent dat ik hem kosteloos kan laten repareren als er binnen twee jaar iets misgaat.
Tweedehands – Second-hand – مستعمل
• A2: Ik koop een tweedehands fiets.
• B1: Ik koop een tweedehands fiets, omdat die goedkoper is.
• B2: Ik koop een tweedehands fiets, omdat dit niet alleen voordeliger is, maar ook duurzamer dan het kopen van een nieuwe.
Bestelling – Order – طلب
• A2: Mijn bestelling is aangekomen.
• B1: Mijn bestelling is aangekomen, maar er ontbreekt een product.
• B2: Mijn bestelling is aangekomen, maar een van de producten is verkeerd geleverd, dus ik neem contact op met de klantenservice.
Verzendkosten – Shipping costs – تكاليف الشحن
• A2: De verzendkosten zijn hoog.
• B1: De verzendkosten zijn hoog, dus ik zoek een gratis optie.
• B2: De verzendkosten zijn hoog, waardoor het voordeliger is om meerdere producten tegelijk te bestellen en zo kosten te besparen.
Cadeaubon – Gift card – بطاقة هدية
• A2: Ik krijg een cadeaubon.
• B1: Ik krijg een cadeaubon voor mijn verjaardag en koop kleding.
• B2: Ik krijg een cadeaubon, waarmee ik zelf een cadeau kan uitkiezen, zodat ik zeker weet dat het iets is wat ik leuk vind.
Klantenservice – Customer service – خدمة العملاء
• A2: Ik bel de klantenservice.
• B1: Ik bel de klantenservice, want mijn product is kapot.
• B2: Ik bel de klantenservice om mijn probleem uit te leggen en te vragen of ik een vervangend product kan krijgen.
Winkelmandje – Shopping basket – سلة تسوق
• A2: Mijn winkelmandje is vol.
• B1: Mijn winkelmandje is vol met fruit en brood.
• B2: Mijn winkelmandje is vol, dus ik controleer of ik alles echt nodig heb voordat ik naar de kassa ga.
Betaalmethode – Payment method – طريقة الدفع
• A2: Ik kies een betaalmethode.
• B1: Ik kies een betaalmethode en betaal met mijn pinpas.
• B2: Ik kies een betaalmethode die veilig en betrouwbaar is, zodat ik zeker weet dat mijn transactie goed verloopt.
Rekening – Bank account – حساب بنكي
• A2: Mijn rekening is leeg.
• B1: Mijn rekening is leeg, dus ik moet geld sparen.
• B2: Mijn rekening is bijna leeg, omdat ik deze maand veel kosten had, dus ik moet beter op mijn uitgaven letten.
Bankautomaat – ATM – ماكينة الصراف الآلي
• A2: Ik haal geld uit de bankautomaat.
• B1: Ik haal geld uit de bankautomaat, want ik heb contant nodig.
• B2: Ik haal geld uit de bankautomaat, omdat sommige winkels in mijn buurt geen pinbetalingen accepteren.
Spaarrekening – Savings account – حساب توفير
• A2: Ik heb een spaarrekening.
• B1: Ik heb een spaarrekening voor noodgevallen.
• B2: Ik heb een spaarrekening waarop ik elke maand een vast bedrag stort, zodat ik in de toekomst een huis kan kopen.
Lening – Loan – قرض
• A2: Ik heb een lening.
• B1: Ik heb een lening voor mijn studie.
• B2: Ik heb een lening afgesloten bij de bank, zodat ik mijn studie kan financieren en mijn collegegeld op tijd kan betalen.
Tegoed – Credit balance – رصيد
• A2: Mijn tegoed is laag.
• B1: Mijn tegoed is laag, dus ik stort geld op mijn rekening.
• B2: Mijn tegoed is laag, daarom controleer ik eerst mijn uitgaven voordat ik iets nieuws koop.
Factuur – Invoice – فاتورة
• A2: Ik krijg een factuur.
• B1: Ik krijg een factuur voor mijn telefoonabonnement.
• B2: Ik krijg een factuur van de energieleverancier en controleer of het bedrag klopt voordat ik betaal.
Winkelcentrum – Shopping mall – مركز تسوق
• A2: Ik ga naar het winkelcentrum.
• B1: Ik ga naar het winkelcentrum om een nieuwe jas te kopen.
• B2: Ik ga naar het winkelcentrum, omdat daar veel verschillende winkels zijn en ik prijzen kan vergelijken voordat ik iets koop.
Kleding – Clothes – ملابس
• A2: Ik koop nieuwe kleding.
• B1: Ik koop nieuwe kleding, want het is winter.
• B2: Ik koop nieuwe kleding in de uitverkoop, zodat ik goede kwaliteit kan krijgen voor een lagere prijs.
Broek – Pants – سروال
• A2: Mijn broek is blauw.
• B1: Mijn broek is blauw en zit lekker.
• B2: Mijn broek is blauw en gemaakt van stevig materiaal, zodat hij lang meegaat.
Shirt – Shirt – قميص
• A2: Mijn shirt is wit.
• B1: Mijn shirt is wit en gemaakt van katoen.
• B2: Mijn shirt is wit, licht en ademend, waardoor het perfect is voor warme zomerdagen.
Schoenen – Shoes – أحذية
• A2: Mijn schoenen zijn nieuw.
• B1: Mijn schoenen zijn nieuw en heel comfortabel.
• B2: Mijn schoenen zijn nieuw, waterdicht en hebben een stevige zool, zodat ik ze lang kan dragen.
Jas – Coat – معطف
• A2: Mijn jas is warm.
• B1: Mijn jas is warm en waterdicht.
• B2: Mijn jas is warm, waterdicht en windbestendig, waardoor hij perfect is voor de winter.
Maat – Size – مقاس
• A2: Mijn maat is M.
• B1: Mijn maat is M, maar ik probeer ook L.
• B2: Mijn maat is M, maar in sommige winkels vallen de maten kleiner, dus ik pas altijd eerst de kleding.
Paskamer – Fitting room – غرفة القياس
• A2: De paskamer is bezet.
• B1: De paskamer is bezet, dus ik wacht even.
• B2: De paskamer is bezet, maar ik wacht, omdat ik zeker wil weten of de jas goed past voordat ik hem koop.
Winkelwagen – Shopping cart – عربة تسوق
• A2: Mijn winkelwagen is vol.
• B1: Mijn winkelwagen is vol met groente en fruit.
• B2: Mijn winkelwagen is vol, dus ik controleer of ik niet te veel onnodige dingen heb gepakt.
Klant – Customer – زبون
• A2: De klant betaalt bij de kassa.
• B1: De klant betaalt bij de kassa en vraagt om een tas.
• B2: De klant betaalt bij de kassa, maar vraagt eerst of hij het product mag ruilen als het niet past.
Verkoper – Salesperson – بائع
• A2: De verkoper helpt mij.
• B1: De verkoper helpt mij met het kiezen van een jas.
• B2: De verkoper helpt mij door advies te geven over de kwaliteit en pasvorm van de jas die ik wil kopen.
Etalage – Display window – واجهة المتجر
• A2: De etalage is mooi.
• B1: De etalage is mooi versierd voor de feestdagen.
• B2: De etalage is mooi versierd met verlichting en aantrekkelijke kortingen om klanten naar binnen te lokken.
Betaalmethode – Payment method – طريقة الدفع
• A2: Ik kies een betaalmethode.
• B1: Ik kies een betaalmethode en betaal met mijn pinpas.
• B2: Ik kies een betaalmethode die veilig en betrouwbaar is, zodat mijn betaling zonder problemen wordt verwerkt.
Kassamedewerker – Cashier – أمين الصندوق
• A2: De kassamedewerker is vriendelijk.
• B1: De kassamedewerker is vriendelijk en helpt me snel.
• B2: De kassamedewerker is vriendelijk en geeft mij extra informatie over de lopende aanbiedingen in de winkel.
Wisselgeld – Change (money) – فكة / نقود متبقية
• A2: Ik krijg wisselgeld terug.
• B1: Ik krijg wisselgeld terug, want ik betaalde met een groot biljet.
• B2: Ik krijg wisselgeld terug, maar ik controleer het altijd goed om te zien of het bedrag klopt.
GEZONDHEID
1. Dokter – Doctor – طبيب
• A2: Ik ga naar de dokter.
• B1: Ik ga naar de dokter, omdat ik al drie dagen ziek ben.
• B2: Ik ga naar de dokter, omdat mijn klachten niet verbeteren en ik advies nodig heb over verdere behandeling.
2. Huisarts – General practitioner – طبيب عام
• A2: Mijn huisarts is vriendelijk.
• B1: Mijn huisarts is vriendelijk en geeft me goed advies.
• B2: Mijn huisarts is vriendelijk en neemt de tijd om mijn klachten serieus te onderzoeken en mij goed te adviseren.
3. Ziekenhuis – Hospital – مستشفى
• A2: Mijn opa ligt in het ziekenhuis.
• B1: Mijn opa ligt in het ziekenhuis na een operatie.
• B2: Mijn opa ligt in het ziekenhuis na een operatie aan zijn hart en moet enkele weken herstellen voordat hij naar huis mag.
4. Apotheek – Pharmacy – صيدلية
• A2: Ik haal medicijnen bij de apotheek.
• B1: Ik haal medicijnen bij de apotheek, want de dokter heeft een recept gegeven.
• B2: Ik haal medicijnen bij de apotheek, waar de apotheker me uitleg geeft over hoe en wanneer ik ze moet innemen.
5. Recept – Prescription – وصفة طبية
• A2: De dokter geeft een recept.
• B1: De dokter geeft een recept voor pijnstillers.
• B2: De dokter geeft een recept voor pijnstillers, maar waarschuwt me dat ik ze niet te lang mag gebruiken vanwege mogelijke bijwerkingen.
6. Medicijn – Medicine – دواء
• A2: Ik neem mijn medicijn.
• B1: Ik neem mijn medicijn elke ochtend na het ontbijt.
• B2: Ik neem mijn medicijn elke ochtend na het ontbijt, zoals voorgeschreven, om te voorkomen dat mijn klachten terugkomen.
7. Pijn – Pain – ألم
• A2: Ik heb pijn in mijn rug.
• B1: Ik heb pijn in mijn rug, omdat ik zwaar heb getild.
• B2: Ik heb pijn in mijn rug, waarschijnlijk door een verkeerde houding, dus ik ga naar de fysiotherapeut voor oefeningen.
8. Hoofdpijn – Headache – صداع
• A2: Ik heb hoofdpijn.
• B1: Ik heb hoofdpijn, dus ik neem een paracetamol.
• B2: Ik heb hoofdpijn, waarschijnlijk door stress en te weinig slaap, dus ik probeer meer rust te nemen en voldoende water te drinken.
9. Koorts – Fever – حمى
• A2: Ik heb koorts.
• B1: Ik heb koorts en voel me zwak.
• B2: Ik heb koorts en voel me zwak, dus ik blijf in bed en drink veel water om sneller te herstellen.
10. Verkoudheid – Cold – نزلة برد
• A2: Ik heb een verkoudheid.
• B1: Ik heb een verkoudheid en moet veel thee drinken.
• B2: Ik heb een verkoudheid en moet veel thee drinken, maar ook uitrusten en mijn neus regelmatig spoelen om sneller beter te worden.
11. Griep – Flu – إنفلونزا
• A2: Ik heb griep.
• B1: Ik heb griep en blijf in bed.
• B2: Ik heb griep en blijf in bed, omdat mijn lichaam rust nodig heeft om de infectie te bestrijden.
12. Keelpijn – Sore throat – التهاب الحلق
• A2: Mijn keel doet pijn.
• B1: Mijn keel doet pijn, dus ik drink warme thee.
• B2: Mijn keel doet pijn en ik probeer het te verzachten met warme thee, honing en gorgelen met zout water.
13. Buikpijn – Stomachache – ألم المعدة
• A2: Ik heb buikpijn.
• B1: Ik heb buikpijn, misschien door iets wat ik gegeten heb.
• B2: Ik heb buikpijn, misschien door iets wat ik gegeten heb, dus ik let op mijn voeding en drink kamillethee om mijn maag te kalmeren.
14. Oorpijn – Earache – ألم الأذن
• A2: Mijn oor doet pijn.
• B1: Mijn oor doet pijn en ik hoor slecht.
• B2: Mijn oor doet pijn en ik hoor slecht, dus ik maak een afspraak bij de huisarts om een oorontsteking uit te sluiten.
15. Allergie – Allergy – حساسية
• A2: Ik heb een allergie.
• B1: Ik heb een allergie voor noten, dus ik mag ze niet eten.
• B2: Ik heb een allergie voor noten, dus ik lees altijd de ingrediënten op verpakkingen om te voorkomen dat ik een allergische reactie krijg.
16. Misselijk – Nauseous – غثيان
• A2: Ik voel me misselijk.
• B1: Ik voel me misselijk, misschien door het eten.
• B2: Ik voel me misselijk, waarschijnlijk door iets verkeerds dat ik gegeten heb, dus ik drink water en rust uit.
17. Braken – Vomit – تقيؤ
• A2: Ik moet braken.
• B1: Ik moet braken, want ik voel me heel ziek.
• B2: Ik moet braken en voel me erg zwak, dus ik probeer kleine slokjes water te drinken om niet uit te drogen.
18. Wond – Wound – جرح
• A2: Mijn vinger heeft een wond.
• B1: Mijn vinger heeft een wond, dus ik doe er een pleister op.
• B2: Mijn vinger heeft een wond, dus ik ontsmet hem eerst met desinfectiemiddel voordat ik er een pleister op doe.
19. Bloeddruk – Blood pressure – ضغط الدم
• A2: Mijn bloeddruk is goed.
• B1: Mijn bloeddruk is te hoog, dus ik moet gezonder eten.
• B2: Mijn bloeddruk is te hoog, dus ik moet mijn zoutinname verminderen en regelmatig sporten.
20. Hartslag – Heart rate – نبض القلب
• A2: Mijn hartslag is snel.
• B1: Mijn hartslag is snel na het sporten.
• B2: Mijn hartslag is snel na het sporten, maar het is belangrijk om mijn ademhaling te reguleren en goed te hydrateren.
21. Spoedeisende hulp – Emergency room – الطوارئ
• A2: Ik ga naar de spoedeisende hulp.
• B1: Ik ga naar de spoedeisende hulp, omdat ik mijn arm heb gebroken.
• B2: Ik ga naar de spoedeisende hulp, omdat mijn arm gebroken is en ik meteen medische hulp nodig heb.
22. Ambulance – Ambulance – سيارة إسعاف
• A2: De ambulance komt snel.
• B1: De ambulance komt snel om de gewonde man te helpen.
• B2: De ambulance komt snel en de hulpverleners controleren of de man stabiel is voordat ze hem naar het ziekenhuis brengen.
23. Eerste hulp – First aid – إسعافات أولية
• A2: Ik leer eerste hulp.
• B1: Ik leer eerste hulp om mensen te helpen bij ongelukken.
• B2: Ik leer eerste hulp, zodat ik weet hoe ik iemand kan reanimeren of een wond goed kan verbinden.
24. Pleister – Bandage – ضمادة
• A2: Ik plak een pleister op mijn vinger.
• B1: Ik plak een pleister op mijn vinger, omdat ik me gesneden heb.
• B2: Ik plak een pleister op mijn vinger, maar eerst reinig ik de wond om een infectie te voorkomen.
25. Gips – Cast – جبيرة
• A2: Mijn arm zit in het gips.
• B1: Mijn arm zit in het gips, omdat ik hem gebroken heb.
• B2: Mijn arm zit in het gips en ik moet zes weken wachten voordat ik weer normaal kan bewegen.
26. Rust nemen – Rest – أخذ راحة
• A2: Ik neem rust.
• B1: Ik neem rust, zodat ik sneller beter word.
• B2: Ik neem rust en luister naar mijn lichaam om te voorkomen dat mijn klachten erger worden.
27. Dieet – Diet – حمية غذائية
• A2: Ik volg een dieet.
• B1: Ik volg een dieet om gezonder te leven.
• B2: Ik volg een dieet op advies van mijn huisarts om mijn cholesterol te verlagen.
28. Oogarts – Eye doctor – طبيب عيون
• A2: Ik ga naar de oogarts.
• B1: Ik ga naar de oogarts, omdat ik slecht zie.
• B2: Ik ga naar de oogarts voor een controle, omdat mijn zicht de laatste tijd achteruit is gegaan.
29. Tandarts – Dentist – طبيب أسنان
• A2: Ik ga naar de tandarts.
• B1: Ik ga naar de tandarts voor controle.
• B2: Ik ga naar de tandarts voor controle, zodat gaatjes op tijd ontdekt kunnen worden.
30. Fysiotherapie – Physiotherapy – علاج طبيعي
• A2: Ik heb fysiotherapie.
• B1: Ik heb fysiotherapie om mijn rug te verbeteren.
• B2: Ik heb fysiotherapie, omdat ik na een blessure mijn spieren opnieuw moet trainen.
31. Chronische ziekte – Chronic illness – مرض مزمن
• A2: Hij heeft een chronische ziekte.
• B1: Hij heeft een chronische ziekte en gebruikt medicijnen.
• B2: Hij heeft een chronische ziekte en moet regelmatig op controle bij de specialist om zijn gezondheid te monitoren.
32. Operatie – Surgery – عملية جراحية
• A2: Mijn moeder heeft een operatie.
• B1: Mijn moeder heeft een operatie aan haar knie.
• B2: Mijn moeder heeft een operatie aan haar knie ondergaan en moet nu een revalidatieprogramma volgen.
33. Röntgenfoto – X-ray – أشعة سينية
• A2: De dokter maakt een röntgenfoto.
• B1: De dokter maakt een röntgenfoto van mijn gebroken arm.
• B2: De dokter maakt een röntgenfoto om te controleren of mijn bot goed geneest.
34. Slapen – Sleep – نوم
• A2: Ik slaap acht uur per nacht.
• B1: Ik slaap acht uur per nacht om gezond te blijven.
• B2: Ik slaap acht uur per nacht, omdat slaap essentieel is voor mijn immuunsysteem en mentale gezondheid.
35. Ademhaling – Breathing – تنفس
• A2: Mijn ademhaling is snel.
• B1: Mijn ademhaling is snel na het rennen.
• B2: Mijn ademhaling is snel na het rennen, maar na een paar minuten wordt hij weer normaal.
36. Hygiëne – Hygiene – النظافة
• A2: Hygiëne is belangrijk.
• B1: Hygiëne is belangrijk om ziekten te voorkomen.
• B2: Hygiëne is belangrijk, vooral bij het bereiden van voedsel en in de zorg om infecties te vermijden.
37. Besmettelijk – Contagious – معدي
• A2: Griep is besmettelijk.
• B1: Griep is besmettelijk, dus blijf thuis als je ziek bent.
• B2: Griep is besmettelijk en verspreidt zich snel via hoesten, niezen en contact met besmette oppervlakken.
38. Genezing – Recovery – شفاء
• A2: Mijn genezing gaat goed.
• B1: Mijn genezing gaat goed, maar ik moet nog rusten.
• B2: Mijn genezing gaat goed, maar de dokter adviseert me om het rustig aan te doen en voldoende te slapen.
Sport en hobby’s
Sport – Sport – رياضة
• A2: Ik doe aan sport in het weekend.
• B1: Sporten helpt me om fit en gezond te blijven.
• B2: Sporten helpt me niet alleen om fit te blijven, maar ook om mijn stressniveau te verlagen en sociale contacten te onderhouden.
1. Sport – Sport – رياضة
• A2: Ik doe aan sport in het weekend.
• B1: Sporten helpt me om fit en gezond te blijven.
• B2: Sporten helpt me om fit en gezond te blijven en geeft me energie voor de rest van de dag.
2. Voetbal – Football – كرة القدم
• A2: Mijn broer speelt graag voetbal.
• B1: Elke zondag speel ik met mijn vrienden een voetbalwedstrijd.
• B2: Elke zondag speel ik met mijn vrienden een voetbalwedstrijd en proberen we onze technieken te verbeteren.
3. Zwemmen – Swimming – السباحة
• A2: In de zomer ga ik vaak zwemmen.
• B1: Zwemmen is een goede manier om je spieren te trainen.
• B2: Zwemmen is een goede manier om je spieren te trainen en helpt bij het verbeteren van je ademhaling.
4. Hardlopen – Running – الجري
• A2: Ik hardloop elke ochtend.
• B1: Hardlopen helpt me om stress te verminderen.
• B2: Hardlopen helpt me om stress te verminderen en mijn conditie te verbeteren.
5. Fietsen – Cycling – ركوب الدراجات
• A2: Wij fietsen naar school.
• B1: Ik houd van fietsen in de natuur.
• B2: Ik houd van fietsen in de natuur, vooral in de bergen en bossen.
6. Dansen – Dancing – الرقص
• A2: Zij danst graag op muziek.
• B1: Dansen is een leuke manier om fit te blijven.
• B2: Dansen is een leuke manier om fit te blijven en expressie te geven aan muziek.
7. Schaken – Chess – الشطرنج
• A2: Mijn opa speelt graag schaken.
• B1: Schaken helpt om je logisch denken te verbeteren.
• B2: Schaken helpt om je logisch denken te verbeteren en strategisch vooruit te plannen.
8. Tennis – Tennis – التنس
• A2: Mijn zus speelt tennis op school.
• B1: Tennis vereist snelheid en een goede techniek.
• B2: Tennis vereist snelheid, een goede techniek en een sterk reactievermogen.
9. Basketbal – Basketball – كرة السلة
• A2: Mijn vriend speelt basketbal.
• B1: Basketbal is een snelle sport.
• B2: Basketbal is een snelle sport waarbij teamwork heel belangrijk is.
10. Hockey – Hockey – الهوكي
• A2: Wij spelen hockey op het veld.
• B1: Hockey vereist snelheid en behendigheid.
• B2: Hockey vereist snelheid, behendigheid en een goede coördinatie.
11. Boksen – Boxing – الملاكمة
• A2: Hij doet aan boksen.
• B1: Boksen is goed voor kracht en conditie.
• B2: Boksen is goed voor kracht, conditie en mentale discipline.
12. Judo – Judo – الجودو
• A2: Mijn neefje doet aan judo.
• B1: Judo helpt je om balans en techniek te ontwikkelen.
• B2: Judo helpt je om balans en techniek te ontwikkelen en geeft je zelfvertrouwen.
13. Karate – Karate – الكاراتيه
• A2: Ik leer karate.
• B1: Karate vraagt veel discipline en training.
• B2: Karate vraagt veel discipline, training en zelfbeheersing.
14. Gewichtheffen – Weightlifting – رفع الأثقال
• A2: Hij traint met gewichten.
• B1: Gewichtheffen maakt je sterker.
• B2: Gewichtheffen maakt je sterker en verbetert je spiermassa.
15. Yoga – Yoga – اليوغا
• A2: Ik doe yoga in de ochtend.
• B1: Yoga helpt om te ontspannen.
• B2: Yoga helpt om te ontspannen en verbetert de flexibiliteit.
16. Paardrijden – Horse riding – ركوب الخيل
• A2: Zij rijdt paard.
• B1: Paardrijden vraagt veel concentratie.
• B2: Paardrijden vraagt veel concentratie en een sterke band met het dier.
17. Schaatsen – Ice skating – التزلج على الجليد
• A2: Ik schaats in de winter.
• B1: Schaatsen vraagt een goede balans.
• B2: Schaatsen vraagt een goede balans en sterke benen.
18. Klimmen – Climbing – التسلق
• A2: Ik klim op een muur.
• B1: Klimmen is spannend en uitdagend.
• B2: Klimmen is spannend en uitdagend en vereist een goede techniek.
19. Roeien – Rowing – التجديف
• A2: Wij roeien op de rivier.
• B1: Roeien is goed voor je armen en conditie.
• B2: Roeien is goed voor je armen en conditie en vraagt veel samenwerking.
20. Badminton – Badminton – كرة الريشة
• A2: Wij spelen badminton in de tuin.
• B1: Badminton is een snelle sport.
• B2: Badminton is een snelle sport met veel korte bewegingen.
21. Golf – Golf – الجولف
• A2: Mijn vader speelt golf.
• B1: Golf vereist geduld en precisie.
• B2: Golf vereist geduld, precisie en een goed gevoel voor afstand.
22. Turnen – Gymnastics – الجمباز
• A2: Mijn zusje doet aan turnen.
• B1: Turnen vraagt kracht en lenigheid.
• B2: Turnen vraagt kracht, lenigheid en een goede techniek.
23. Waterpolo – Water polo – كرة الماء
• A2: Ik speel waterpolo in het zwembad.
• B1: Waterpolo is een intensieve sport.
• B2: Waterpolo is een intensieve sport met veel teamwork.
24. Skiën – Skiing – التزلج
• A2: Ik ga skiën in de bergen.
• B1: Skiën vraagt balans en techniek.
• B2: Skiën vraagt balans, techniek en snelheid.
25. Zeilen – Sailing – الإبحار
• A2: Wij zeilen op zee.
• B1: Zeilen is leuk maar vereist kennis van de wind.
• B2: Zeilen is leuk maar vereist kennis van de wind en techniek.
26. Darten – Darts – رمي السهام
• A2: Wij gooien darts.
• B1: Darten vraagt concentratie.
• B2: Darten vraagt concentratie en een vaste hand.
27. Vechtsport – Martial arts – فنون القتال
• A2: Hij leert een vechtsport.
• B1: Vechtsport helpt bij discipline en conditie.
• B2: Vechtsport helpt bij discipline, conditie en zelfverdediging.
Koken – Cooking – الطبخ
• A2: Ik kook spaghetti voor het avondeten.
• B1: In mijn vrije tijd probeer ik graag nieuwe recepten uit.
• B2: In mijn vrije tijd probeer ik graag nieuwe recepten uit, omdat ik koken zie als een creatieve en ontspannende bezigheid.
Tekenen – Drawing – الرسم
• A2: Mijn dochter tekent een mooie bloem.
• B1: Tekenen helpt mij om mijn creativiteit te uiten.
• B2: Tekenen helpt mij om mijn creativiteit te uiten en mijn emoties op een visuele manier te verwerken.
12. Lezen – Reading – القراءة
• A2: Ik lees een boek.
• B1: Lezen helpt om je woordenschat te vergroten.
• B2: Lezen helpt om je woordenschat te vergroten en stimuleert je verbeeldingskracht en kritisch denken.
13. Schilderen – Painting – الرسم بالفرشاة
• A2: Zij schildert een mooi landschap.
• B1: Schilderen is een creatieve hobby.
• B2: Schilderen is een creatieve hobby waarmee je emoties kunt uitdrukken en verschillende technieken kunt ontdekken.
14. Fotografie – Photography – التصوير
• A2: Ik maak een foto van de bloemen.
• B1: Fotografie helpt om bijzondere momenten vast te leggen.
• B2: Fotografie helpt om bijzondere momenten vast te leggen en vraagt om een goed oog voor compositie en licht.
15. Muziek luisteren – Listening to music – الاستماع إلى الموسيقى
• A2: Ik luister graag naar muziek.
• B1: Muziek luisteren helpt me ontspannen.
• B2: Muziek luisteren helpt me ontspannen en kan mijn stemming en concentratie beïnvloeden.
16. Puzzelen – Solving puzzles – حل الألغاز
• A2: Ik maak een puzzel van 1000 stukjes.
• B1: Puzzelen traint je hersenen.
• B2: Puzzelen traint je hersenen en verbetert je probleemoplossend vermogen en geduld.
17. Tuinieren – Gardening – البستنة
• A2: Mijn oma werkt in de tuin.
• B1: Tuinieren helpt om te ontspannen.
• B2: Tuinieren helpt om te ontspannen en geeft voldoening als je bloemen en groenten ziet groeien.
18. Zingen – Singing – الغناء
• A2: Ik zing een lied.
• B1: Zingen maakt me vrolijk.
• B2: Zingen maakt me vrolijk en helpt om mijn ademhaling en stemcontrole te verbeteren.
19. Instrument bespelen – Playing an instrument – العزف على آلة موسيقية
• A2: Ik speel gitaar.
• B1: Het bespelen van een instrument vraagt oefening.
• B2: Het bespelen van een instrument vraagt oefening en helpt bij het ontwikkelen van discipline en muzikaliteit.
20. Videospellen – Video games – ألعاب الفيديو
• A2: Ik speel een videospel.
• B1: Videospellen kunnen ontspannend zijn.
• B2: Videospellen kunnen ontspannend zijn, maar sommige games helpen ook bij het verbeteren van reactievermogen en probleemoplossend denken.
1. Breien – Knitting – الحياكة
• A2: Mijn oma breit een trui.
• B1: Breien is een rustgevende hobby.
• B2: Breien is een rustgevende hobby waarmee je mooie en unieke kledingstukken kunt maken.
2. Haken – Crocheting – الكروشيه
• A2: Ik haak een deken.
• B1: Haken is een creatieve manier om decoraties te maken.
• B2: Haken is een creatieve manier om decoraties te maken en vereist geduld en precisie.
3. Origami – Origami – الأوريغامي
• A2: Ik vouw een kraanvogel van papier.
• B1: Origami helpt bij het verbeteren van de fijne motoriek.
• B2: Origami helpt bij het verbeteren van de fijne motoriek en stimuleert creatief denken.
4. Boetseren – Sculpting – النحت
• A2: Ik maak een beeldje van klei.
• B1: Boetseren geeft mij de vrijheid om kunst te maken.
• B2: Boetseren geeft mij de vrijheid om kunst te maken en mijn emoties uit te drukken.
5. Borduren – Embroidery – التطريز
• A2: Mijn moeder borduurt een bloem.
• B1: Borduren vraagt veel precisie.
• B2: Borduren vraagt veel precisie en is een traditionele manier om stoffen te versieren.
6. Handlettering – Hand lettering – فن الخط
• A2: Ik oefen handlettering in mijn notitieboek.
• B1: Handlettering maakt teksten mooier en creatiever.
• B2: Handlettering maakt teksten mooier en creatiever, vooral bij het maken van kaarten en posters.
7. Postzegels verzamelen – Stamp collecting – جمع الطوابع
• A2: Ik verzamel oude postzegels.
• B1: Postzegels verzamelen is een hobby die geduld vraagt.
• B2: Postzegels verzamelen is een hobby die geduld vraagt en veel kan leren over geschiedenis en cultuur.
8. Scrapbooking – Scrapbooking – تجميع الصور التذكارية
• A2: Ik maak een scrapbook van mijn vakantie.
• B1: Scrapbooking helpt om herinneringen creatief te bewaren.
• B2: Scrapbooking helpt om herinneringen creatief te bewaren en te combineren met kunst en handlettering.
9. Modelleren – Model building – بناء النماذج
• A2: Ik bouw een vliegtuigmodel.
• B1: Modelleren vraagt veel concentratie en precisie.
• B2: Modelleren vraagt veel concentratie en precisie, vooral bij het maken van miniatuurversies van auto’s en gebouwen.
10. Kaarten maken – Card making – صنع البطاقات
• A2: Ik maak een verjaardagskaart.
• B1: Kaarten maken is een persoonlijke en creatieve hobby.
• B2: Kaarten maken is een persoonlijke en creatieve hobby waarbij je verschillende technieken en materialen kunt gebruiken.
11. Striptekenen – Comic drawing – رسم الكوميكس
• A2: Ik teken een grappige strip.
• B1: Striptekenen combineert tekenen en verhalen maken.
• B2: Striptekenen combineert tekenen en verhalen maken en helpt bij het ontwikkelen van een unieke tekenstijl.
12. Mozaïek maken – Making mosaics – صنع الفسيفساء
• A2: Ik plak steentjes voor mijn mozaïek.
• B1: Mozaïek maken is een gedetailleerd en kleurrijk werk.
• B2: Mozaïek maken is een gedetailleerd en kleurrijk werk dat geduld en creativiteit vereist.
13. Bloemschikken – Flower arranging – تنسيق الزهور
• A2: Ik maak een mooi boeket.
• B1: Bloemschikken geeft kleur aan het huis.
• B2: Bloemschikken geeft kleur aan het huis en laat je spelen met vormen en kleuren.
14. Calligrafie – Calligraphy – فن الخط
• A2: Ik schrijf mooie letters.
• B1: Calligrafie vraagt veel oefening.
• B2: Calligrafie vraagt veel oefening en wordt gebruikt in kunst, brieven en versieringen.
15. Astrofotografie – Astrophotography – تصوير الفلك
• A2: Ik maak foto’s van de sterren.
• B1: Astrofotografie vereist een goede camera en geduld.
• B2: Astrofotografie vereist een goede camera, geduld en kennis over de sterrenhemel.
16. Vogelspotten – Bird watching – مراقبة الطيور
• A2: Ik kijk naar vogels in het park.
• B1: Vogelspotten is een rustige hobby in de natuur.
• B2: Vogelspotten is een rustige hobby in de natuur waarbij je leert over verschillende vogelsoorten.
17. Houtbewerking – Woodworking – النجارة
• A2: Ik maak een houten stoel.
• B1: Houtbewerking vraagt vaardigheid en precisie.
• B2: Houtbewerking vraagt vaardigheid, precisie en kennis van gereedschappen en materialen.
18. Bierbrouwen – Brewing beer – تخمير البيرة
• A2: Mijn vader brouwt zijn eigen bier.
• B1: Bierbrouwen is een hobby waarbij je smaken kunt experimenteren.
• B2: Bierbrouwen is een hobby waarbij je smaken kunt experimenteren en het brouwproces leert begrijpen.
19. Aquarium houden – Keeping an aquarium – تربية الأسماك
• A2: Ik heb een aquarium met vissen.
• B1: Een aquarium houden vraagt verzorging en kennis.
• B2: Een aquarium houden vraagt verzorging, kennis van waterkwaliteit en een goed begrip van de behoeften van verschillende vissen.
20. Houtbranden – Pyrography – الحفر على الخشب
• A2: Ik brand een patroon in hout.
• B1: Houtbranden vereist een vaste hand en concentratie.
• B2: Houtbranden vereist een vaste hand, concentratie en artistiek inzicht om gedetailleerde patronen te maken.
1. Kerstmis – Christmas – عيد الميلاد
• A2: Met Kerstmis versieren we de boom.
• B1: Kerstmis is een tijd om samen te zijn met familie en vrienden.
• B2: Tijdens Kerstmis genieten we van een feestelijk diner en geven we cadeaus aan elkaar.
2. Pasen – Easter – عيد الفصح
• A2: Met Pasen zoeken we eieren.
• B1: Tijdens Pasen eten we vaak chocolade-eieren.
• B2: Met Pasen gaan we naar de kerk en genieten we van een uitgebreide paasbrunch.
3. Verjaardag – Birthday – عيد الميلاد
• A2: Mijn verjaardag is in juli.
• B1: Op mijn verjaardag geef ik een feest met vrienden.
• B2: Voor mijn verjaardag organiseer ik een groot feest met muziek, eten en gezelligheid.
4. Kermis – Fair – المهرجان
• A2: De kermis komt naar de stad.
• B1: Op de kermis zijn veel leuke attracties en spellen.
• B2: De kermis biedt een mix van traditionele en moderne attracties die zowel kinderen als volwassenen aanspreken.
5. Vakantie – Holiday – عطلة
• A2: In de zomer heb ik vakantie.
• B1: We gaan op vakantie naar Spanje deze zomer.
• B2: Tijdens mijn vakantie ontdek ik graag nieuwe culturen, proef ik lokale gerechten en bezoek ik historische plaatsen.
6. Museum – Museum – المتحف
• A2: Ik bezoek een museum met school.
• B1: In het museum leer ik veel over kunst en geschiedenis.
• B2: Sommige musea bieden interactieve tentoonstellingen, waardoor je op een speelse manier veel kunt leren.
7. Bioscoop – Cinema – السينما
• A2: Wij gaan naar de bioscoop vanavond.
• B1: Ik kijk graag actiefilms in de bioscoop.
• B2: De bioscoopervaring is compleet met een groot scherm, surround sound en een bakje verse popcorn.
8. Picknick – Picnic – نزهة
• A2: Wij maken een picknick in het park.
• B1: Een picknick is een leuke manier om buiten te eten.
• B2: Tijdens een picknick geniet ik van de natuur, ontspannende muziek en gezelligheid met vrienden.
9. Concert – Concert – حفلة موسيقية
• A2: Ik ga naar een concert van mijn favoriete zanger.
• B1: Live concerten hebben een geweldige sfeer.
• B2: Concerten zijn een unieke ervaring waarin je de energie van de artiest en het publiek voelt samensmelten.
10. Pretpark – Amusement park – مدينة الملاهي
• A2: Het pretpark heeft veel achtbanen.
• B1: In het pretpark beleef je veel avontuur en plezier.
• B2: Moderne pretparken combineren spannende attracties met indrukwekkende technologie en shows.
11. Oud en Nieuw – New Year’s Eve – ليلة رأس السنة
• A2: Met Oud en Nieuw kijken we naar vuurwerk.
• B1: Oud en Nieuw vieren we met oliebollen en champagne.
• B2: Tijdens Oud en Nieuw reflecteer ik op het afgelopen jaar en maak ik plannen voor het nieuwe jaar.
12. Sinterklaas – Sinterklaas – القديس نيكولاس
• A2: Sinterklaas brengt cadeautjes in december.
• B1: Met Sinterklaas zingen we liedjes en eten we pepernoten.
• B2: Het Sinterklaasfeest is een eeuwenoude traditie waarin cadeaus en gedichten een grote rol spelen.
13. Carnaval – Carnival – الكرنفال
• A2: Tijdens carnaval dragen we verkleedkleren.
• B1: Carnaval is een groot feest met optochten en muziek.
• B2: Carnaval is een cultureel evenement waarbij mensen zich verkleden en tradities in ere houden.
14. Bruiloft – Wedding – زفاف
• A2: Mijn neef trouwt vandaag.
• B1: Op een bruiloft dansen we en eten we lekker.
• B2: Een bruiloft is een ceremonie waarin liefde en verbondenheid tussen twee mensen wordt gevierd.
15. Barbecue – Barbecue – شواء
• A2: In de zomer houden we een barbecue.
• B1: Een barbecue is gezellig met familie en vrienden.
• B2: Een barbecue biedt een ontspannen sfeer waarin mensen samenkomen en genieten van gegrild eten.
16. Dagje strand – Beach day – يوم على الشاطئ
• A2: Wij gaan vandaag naar het strand.
• B1: Een dagje strand is heerlijk om te ontspannen en te zwemmen.
• B2: Op het strand geniet ik van de zon, een verfrissende duik en een goed boek.
17. Dierentuin – Zoo – حديقة الحيوانات
• A2: Wij bezoeken de dierentuin.
• B1: In de dierentuin zie ik exotische dieren zoals leeuwen en giraffen.
• B2: Moderne dierentuinen zetten zich steeds meer in voor natuurbehoud en educatie.
18. Kerstmarkt – Christmas market – سوق عيد الميلاد
• A2: Op de kerstmarkt kopen we cadeautjes.
• B1: De kerstmarkt heeft gezellige kraampjes met eten en drinken.
• B2: De kerstsfeer op een kerstmarkt wordt versterkt door sfeervolle verlichting en livemuziek.
19. Boottocht – Boat trip – رحلة بالقارب
• A2: Wij maken een boottocht op de rivier.
• B1: Een boottocht is een ontspannen manier om de stad te bekijken.
• B2: Tijdens een boottocht krijg je een uniek perspectief op de omgeving en kun je genieten van rust op het water.
20. Kampvuur – Campfire – نار المخيم
• A2: Wij maken een kampvuur op de camping.
• B1: Rond het kampvuur vertellen we verhalen en roosteren we marshmallows.
• B2: Een kampvuur brengt mensen samen en creëert een gezellige en warme sfeer in de natuur.
21. Ramadan – Ramadan – رمضان
• A2: Tijdens Ramadan vasten we overdag.
• B1: Tijdens Ramadan eten we pas na zonsondergang en bidden we vaker.
• B2: Ramadan is een maand van bezinning, waarin mensen vasten, liefdadigheid beoefenen en tijd met familie doorbrengen.
22. Eid al-Fitr – Suikerfeest – عيد الفطر
• A2: Op Eid al-Fitr eten we lekkere gerechten.
• B1: Tijdens Eid al-Fitr bezoeken we familie en geven we cadeautjes.
• B2: Eid al-Fitr markeert het einde van de Ramadan en wordt gevierd met feestmaaltijden, nieuwe kleding en donaties aan de armen.
23. Eid al-Adha – Offerfeest – عيد الأضحى
• A2: Met Eid al-Adha delen we vlees met anderen.
• B1: Tijdens Eid al-Adha herdenken we het verhaal van Ibrahim door een dier te offeren en voedsel te delen.
• B2: Dit feest draait om opoffering, naastenliefde en het versterken van familiebanden.
24. Divali – Diwali – ديوالي
• A2: Met Divali branden we lichtjes.
• B1: Tijdens Divali versieren we ons huis en geven we cadeaus.
• B2: Divali is het Hindoeïstische feest van het licht, waarbij men bidt voor voorspoed en het goede overwint op het kwade.
25. Holi – Holi – هولي
• A2: Met Holi gooien we gekleurd poeder.
• B1: Tijdens Holi vieren we de komst van de lente met dans en muziek.
• B2: Holi is een feest van vreugde, waarbij mensen elkaar kleurrijk poeder gooien en vijandigheid wordt vergeten.
26. Chinees Nieuwjaar – Chinese New Year – رأس السنة الصينية
• A2: Tijdens Chinees Nieuwjaar eten we met de familie.
• B1: Met Chinees Nieuwjaar geven ouders rode enveloppen met geld aan hun kinderen.
• B2: Chinees Nieuwjaar wordt gevierd met drakendansen, vuurwerk en uitgebreide maaltijden als symbool voor geluk en voorspoed.
27. Hanukkah – Chanoeka – هانوكا
• A2: Tijdens Hanukkah branden we kaarsen.
• B1: Hanukkah duurt acht dagen en elke dag steken we een kaars aan.
• B2: Hanukkah herdenkt het wonder van de olie en wordt gevierd met spelletjes, cadeaus en traditionele gerechten zoals latkes.
28. Día de los Muertos – Dag van de Doden – يوم الموتى
• A2: Op Día de los Muertos herdenken we onze dierbaren.
• B1: Tijdens Día de los Muertos maken we altaren en versieren we graven.
• B2: Dit Mexicaanse feest is een kleurrijke viering van het leven, waarbij families samenkomen om overleden geliefden te eren.
29. Thanksgiving – Thanksgiving – عيد الشكر
• A2: Met Thanksgiving eten we kalkoen.
• B1: Op Thanksgiving danken we voor alles wat we hebben.
• B2: Thanksgiving is een Amerikaanse feestdag waarbij families samenkomen om dankbaarheid te tonen en een feestmaaltijd te delen.
30. Nowruz – Perzisch Nieuwjaar – نوروز
• A2: Met Nowruz begint het nieuwe jaar.
• B1: Tijdens Nowruz eten we speciale gerechten en bezoeken we familie.
• B2: Nowruz is een eeuwenoude Perzische traditie die de komst van de lente viert met muziek, dans en vreugdevuren.
31. Oktoberfest – Oktoberfest – مهرجان أكتوبر
• A2: Op het Oktoberfest dragen we traditionele kleding.
• B1: Tijdens Oktoberfest drinken mensen bier en eten ze pretzels.
• B2: Dit Duitse festival trekt miljoenen bezoekers die samen genieten van muziek, traditionele gerechten en een feestelijke sfeer.
32. Midsommar – Midzomerfeest – عيد منتصف الصيف
• A2: In Zweden vieren we Midsommar met bloemenkransen.
• B1: Tijdens Midsommar dansen we rond de meiboom en eten we haring.
• B2: Midsommar is een van de belangrijkste Zweedse tradities, waarbij men de langste dag van het jaar viert met feesten en familie.
33. Loy Krathong – Loy Krathong – عيد الأضواء التايلاندي
• A2: Met Loy Krathong laten we lampionnen op het water drijven.
• B1: Loy Krathong is een feest waarbij we het water bedanken en vergeving vragen.
• B2: Dit Thaise festival staat symbool voor een nieuw begin, waarbij mensen drijvende kaarsen laten wegvaren op rivieren en meren.
34. Songkran – Thais Nieuwjaar – السنة التايلاندية الجديدة
• A2: Tijdens Songkran gooien we water.
• B1: Songkran is een groot waterfestival om het Thaise nieuwjaar te vieren.
• B2: Songkran is een feest waarbij mensen elkaar met water besprenkelen als symbool voor reiniging en vernieuwing.
35. Vesak – Boeddhadag – عيد فيساك
• A2: Met Vesak herdenken we de geboorte van Boeddha.
• B1: Tijdens Vesak bezoeken mensen tempels en doen ze goede daden.
• B2: Vesak is de belangrijkste feestdag in het boeddhisme, waarbij men mediteert en lichtjes laat branden als teken van wijsheid.
36. Navratri – Navratri – نافراتري
• A2: Tijdens Navratri dansen we op traditionele muziek.
• B1: Navratri is een hindoeïstisch festival ter ere van godin Durga.
• B2: Dit negen dagen durende feest wordt gevierd met gebeden, vasten en traditionele dansen zoals Garba en Dandiya.
37. Kwanzaa – Kwanzaa – كوانزا
• A2: Met Kwanzaa steken we kaarsen aan.
• B1: Kwanzaa is een feest dat de Afrikaanse cultuur en gemeenschap viert.
• B2: Tijdens Kwanzaa reflecteren mensen op hun erfgoed, versterken ze hun gemeenschap en uiten ze hun creativiteit.
38. St. Patrick’s Day – St. Patrick’s Day – يوم القديس باتريك
• A2: Op St. Patrick’s Day dragen we groene kleding.
• B1: St. Patrick’s Day wordt gevierd met parades en Ierse muziek.
• B2: Dit feest, oorspronkelijk Iers, wordt wereldwijd gevierd met groene kleding, klavertjes en traditionele dansen.
39. Inti Raymi – Inti Raymi – عيد الشمس
• A2: Inti Raymi is het zonnewendefeest in Peru.
• B1: Tijdens Inti Raymi herdenken mensen oude Inca-tradities.
• B2: Dit feest, dat in Cusco wordt gevierd, is een eerbetoon aan de zonnegod en een heropleving van de Inca-cultuur.
40. Poerim – Purim – عيد الفوريم
• A2: Met Poerim eten we zoete koekjes.
• B1: Tijdens Poerim dragen kinderen verkleedkleren en vieren we feest.
• B2: Poerim is een Joods feest vol vreugde, waarbij men maskers draagt, verhalen vertelt en liefdadigheid beoefent.
Uitnodigen
1. Uitnodiging – Invitation – دعوة
• A2: Ik krijg een uitnodiging voor een feestje.
• B1: Ik accepteer de uitnodiging voor het huwelijk van mijn vriend.
• B2: De uitnodiging bevat alle details over het feest, inclusief de locatie, tijd en dresscode, zodat ik me goed kan voorbereiden.
2. Feest – Party – حفلة
• A2: Wij geven een feest voor mijn verjaardag.
• B1: Het feest begint om acht uur en duurt tot middernacht.
• B2: Het feest heeft een thema, en iedereen wordt gevraagd zich in passende kleding te kleden om de sfeer compleet te maken.
3. Kom je? – Are you coming? – هل ستأتي؟
• A2: Kom je naar mijn huis?
• B1: Kom je morgen naar mijn verjaardagsfeest?
• B2: Ik hoop dat je komt, want het wordt een bijzondere avond met muziek, lekker eten en een verrassingsactiviteit.
4. Ik kom graag – I’d love to come – أحب أن آتي
• A2: Ik kom graag naar je huis.
• B1: Ik kom graag naar het etentje volgende week.
• B2: Ik kom graag en kijk ernaar uit om nieuwe mensen te ontmoeten en samen een gezellige tijd door te brengen.
5. Sorry, ik kan niet – Sorry, I can’t – آسف، لا أستطيع
• A2: Sorry, ik kan niet naar het feest.
• B1: Sorry, ik kan niet komen omdat ik een andere afspraak heb.
• B2: Helaas kan ik niet aanwezig zijn vanwege andere verplichtingen, maar ik hoop dat we snel iets anders kunnen plannen.
6. Misschien – Maybe – ربما
• A2: Misschien kom ik morgen.
• B1: Misschien ga ik naar het festival als ik tijd heb.
• B2: Ik moet nog even kijken of het lukt, want mijn planning is druk, maar ik zou graag langskomen als het uitkomt.
7. Bedankt voor de uitnodiging – Thanks for the invitation – شكراً على الدعوة
• A2: Bedankt voor de uitnodiging, ik kom graag.
• B1: Bedankt voor de uitnodiging, maar ik ben dat weekend weg.
• B2: Ik waardeer je uitnodiging enorm en vind het fijn dat je aan me gedacht hebt, maar ik kan er helaas niet bij zijn.
8. Waar is het? – Where is it? – أين هو؟
• A2: Waar is het feest?
• B1: Waar is het concert dat je mij hebt uitgenodigd?
• B2: Kun je me het exacte adres en de routebeschrijving geven, zodat ik zeker weet dat ik niet verdwaal?
9. Hoe laat? – What time? – في أي وقت؟
• A2: Hoe laat begint het feest?
• B1: Hoe laat moeten we in het restaurant zijn?
• B2: Ik wil op tijd komen, dus laat me weten of ik eerder moet zijn voor eventuele voorbereidingen of verrassingen.
10. Gezellig – Cozy/fun – ممتع
• A2: De avond was gezellig.
• B1: Het was een gezellige bijeenkomst met vrienden en familie.
• B2: De sfeer was warm en ontspannen, en de gesprekken waren zo boeiend dat de tijd voorbijvloog.
11. Trakteren – To treat – يعزم
• A2: Hij trakteert op taart.
• B1: Ik zal je trakteren op koffie als dank voor je hulp.
• B2: Omdat jij me zo geholpen hebt, wil ik je graag trakteren op een uitgebreid diner om mijn waardering te tonen.
12. Afspraak maken – Make an appointment – تحديد موعد
• A2: We maken een afspraak om samen te eten.
• B1: We moeten een afspraak maken om het museum te bezoeken.
• B2: Laten we een datum en tijd afspreken die voor iedereen uitkomt, zodat we samen van de activiteit kunnen genieten.
13. Meebrengen – Bring along – إحضار
• A2: Breng je je hond mee?
• B1: Ik breng een cadeau mee voor de gastvrouw.
• B2: Ik zal wat hapjes en drankjes meebrengen, zodat we een gezellige en smakelijke avond hebben.
14. Druk – Busy – مشغول
• A2: Ik ben druk met school.
• B1: Sorry, ik ben dit weekend te druk om te komen.
• B2: Mijn agenda zit helemaal vol, maar ik zal kijken of ik tijd kan vrijmaken om toch even langs te komen.
15. Cadeau – Gift – هدية
• A2: Ik geef een cadeau aan mijn vriend.
• B1: Een persoonlijk cadeau maakt een verjaardag specialer.
• B2: Ik heb lang nagedacht over het perfecte cadeau, omdat ik iets bijzonders wilde geven dat echt bij je past.
16. Dansfeest – Dance party – حفلة رقص
• A2: Het dansfeest is leuk.
• B1: Op het dansfeest draaide de DJ goede muziek.
• B2: De sfeer was geweldig, iedereen danste en de muziekkeuze zorgde ervoor dat niemand stil kon blijven staan.
17. Bijeenkomst – Gathering – تجمع
• A2: De familie heeft een bijeenkomst.
• B1: De bijeenkomst was informatief en gezellig.
• B2: Het was fijn om iedereen weer te zien en samen herinneringen op te halen aan vroeger.
18. Afscheid – Farewell – وداع
• A2: Wij nemen afscheid van oma.
• B1: Het afscheid was emotioneel, maar vol mooie herinneringen.
• B2: Hoewel afscheid nemen moeilijk is, geeft het troost om te weten dat we mooie momenten hebben gedeeld.
19. Samenkomst – Meeting – اجتماع
• A2: De samenkomst is in het café.
• B1: De samenkomst van oud-studenten was erg leuk.
• B2: Het was inspirerend om bij te praten en te zien hoe iedereen zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld.
20. Lachen – Laughing – الضحك
• A2: Wij lachen om de grap.
• B1: Lachen maakt elke bijeenkomst leuker.
• B2: De avond was gevuld met zoveel gelach dat het voelde alsof we weer jong waren en geen zorgen hadden.
21. Bruiloft – Wedding – زفاف
• A2: Wij gaan naar een bruiloft.
• B1: De bruiloft vindt plaats in een mooi kasteel.
• B2: De ceremonie was prachtig en de speeches waren ontroerend, waardoor het een onvergetelijke dag werd.
22. Nieuwjaarsfeest – New Year’s party – حفلة رأس السنة
• A2: Wij vieren Oud en Nieuw.
• B1: Op het nieuwjaarsfeest steken we vuurwerk af.
• B2: De overgang naar het nieuwe jaar werd gevierd met champagne, vuurwerk en goede voornemens.
23. Barbecue – Barbecue – شواء
• A2: Wij hebben een barbecue in de tuin.
• B1: De barbecue was gezellig en het eten was heerlijk.
• B2: De geur van gegrild vlees en groenten vulde de lucht, terwijl we samen genoten van een zwoele zomeravond.
24. Housewarming – Housewarming – حفلة الانتقال إلى منزل جديد
• A2: Mijn vriend geeft een housewarming.
• B1: Bij een housewarming neem je een cadeautje mee.
• B2: Het nieuwe huis was prachtig ingericht, en de gastheer gaf ons een rondleiding terwijl we genoten van hapjes en drankjes.
25. Reünie – Reunion – لم الشمل
• A2: Wij hebben een reünie van de klas.
• B1: Tijdens de reünie halen we herinneringen op.
• B2: Het was bijzonder om iedereen na zoveel jaar weer te zien en verhalen uit onze jeugd te delen.
26. High tea – High tea – شاي الظهيرة
• A2: Wij gaan samen een high tea doen.
• B1: Een high tea heeft veel lekkere hapjes.
• B2: De combinatie van hartige en zoete lekkernijen, samen met een goede kop thee, maakte de middag compleet.
27. Verrassing – Surprise – مفاجأة
• A2: Ik heb een verrassing voor jou.
• B1: Mijn vrienden organiseren een verrassingsfeest.
• B2: De verrassing was perfect geregeld, en de reactie van de jarige was onbetaalbaar.
28. Festival – Festival – مهرجان
• A2: Wij gaan naar een muziekfestival.
• B1: Het festival heeft veel verschillende artiesten.
• B2: De sfeer op het festival was fantastisch, met livemuziek, dans en een divers publiek dat samen genoot van de optredens.
29. Diner – Dinner – عشاء
• A2: Wij hebben een diner met familie.
• B1: Het diner bestaat uit drie gangen.
• B2: De tafel was prachtig gedekt en het eten was verfijnd, waardoor het een avond werd om niet te vergeten.
30. Verloving – Engagement – خطوبة
• A2: Mijn zus heeft haar verloving gevierd.
• B1: Tijdens de verloving wisselen ze ringen uit.
• B2: De verlovingsceremonie was intiem en emotioneel, en de liefde tussen het paar was duidelijk zichtbaar voor iedereen.
31. Afzeggen – Cancel – إلغاء
• A2: Ik moet mijn afspraak afzeggen.
• B1: Hij heeft het etentje op het laatste moment afgezegd.
• B2: Het spijt me dat ik moet afzeggen, maar ik probeer een nieuwe datum voor te stellen zodat we alsnog kunnen afspreken.
32. Toast – Toast – نخب
• A2: Wij brengen een toost uit.
• B1: Op het feest hield hij een toost voor de jarige.
• B2: Tijdens de toost sprak de gastheer mooie woorden over vriendschap en dankbaarheid, wat de avond extra bijzonder maakte.
33. Dresscode – Dress code – قواعد اللباس
• A2: De dresscode is zwart en wit.
• B1: Voor het gala is een chique dresscode verplicht.
• B2: De dresscode gaf het feest een elegante uitstraling, en iedereen had zich volledig aan het thema aangepast.
34. Gastheer/gastvrouw – Host/Hostess – المضيف/المضيفة
• A2: De gastheer verwelkomt ons.
• B1: De gastvrouw zorgde ervoor dat iedereen zich welkom voelde.
• B2: De gastheer had alles tot in de puntjes geregeld, van de decoratie tot de culinaire hoogstandjes.
35. Hapjes – Snacks – مقبلات
• A2: Wij eten hapjes op het feest.
• B1: De hapjes waren heerlijk en gevarieerd.
• B2: De zorgvuldig bereide hapjes pasten perfect bij de drankjes en zorgden voor een culinaire beleving.
36. Speeches – Speeches – خطابات
• A2: Er worden speeches gehouden op de bruiloft.
• B1: De speech van de bruidegom was emotioneel en mooi.
• B2: De speeches waren goed voorbereid en wisten zowel een lach als een traan bij het publiek teweeg te brengen.
38. Succes wensen – Wishing success – تمني النجاح
• A2: Ik wens je succes met je examen.
• B1: Wij wensen de bruid en bruidegom veel geluk samen.
• B2: Het is altijd fijn om iemand succes te wensen, omdat een klein gebaar veel kan betekenen.
39. Afterparty – Afterparty – حفلة ما بعد الحفلة
• A2: Wij gaan naar de afterparty.
• B1: De afterparty is in een club in de stad.
• B2: De afterparty zorgde ervoor dat het feest nog uren doorging met energieke muziek en dans.
40. Jubileum – Anniversary – ذكرى سنوية
• A2: Mijn ouders vieren hun jubileum.
• B1: Voor hun jubileum organiseren ze een groot diner.
• B2: Een jubileum is een prachtig moment om terug te kijken op de mooie herinneringen en de toekomst te vieren.
Openbaar vervoer (trein, bus, taxi)
1. Trein – Train – قطار
- A2: Ik neem de trein naar mijn werk.
- B1: De trein is vaak sneller dan de auto in de stad.
- B2: Door de hogesnelheidstrein is de reistijd tussen de twee steden aanzienlijk verkort, wat het een aantrekkelijk alternatief maakt voor vliegen.
2. Bus – Bus – حافلة
- A2: De bus komt om acht uur.
- B1: In de spits kan de bus erg druk zijn.
- B2: Dankzij de nieuwe busbaan kunnen bussen de verkeersdrukte omzeilen, wat zorgt voor een betrouwbaardere dienstregeling.
3. Tram – Tram – ترام
- A2: De tram stopt bij het station.
- B1: De tram is een handig vervoermiddel in grote steden.
- B2: Met de uitbreiding van het tramnetwerk worden voorsteden beter verbonden met het stadscentrum, wat het woon-werkverkeer vergemakkelijkt.
4. Metro – Subway – مترو
- A2: Wij nemen de metro naar het centrum.
- B1: De metro is de snelste manier om door de stad te reizen.
- B2: De moderne metrostellen zijn uitgerust met wifi en airconditioning, wat het comfort voor de reizigers aanzienlijk verhoogt.
5. Taxi – Taxi – سيارة أجرة
- A2: Wij nemen een taxi naar het hotel.
- B1: Taxi’s zijn duurder dan de bus, maar sneller.
- B2: Met de opkomst van ritdeelapps is het boeken van een taxi eenvoudiger en vaak goedkoper geworden, wat de toegankelijkheid vergroot.
6. Bushalte – Bus stop – موقف الحافلات
- A2: De bushalte is om de hoek.
- B1: De bushalte heeft een digitaal bord met de vertrektijden.
- B2: Bij de nieuwe bushalte is rekening gehouden met toegankelijkheid, waardoor rolstoelgebruikers gemakkelijk kunnen in- en uitstappen.
7. Treinstation – Train station – محطة القطار
- A2: Ik wacht op het treinstation.
- B1: Het treinstation heeft veel winkels en restaurants.
- B2: Het gerenoveerde treinstation dient nu als een belangrijk knooppunt, met verbeterde overstapmogelijkheden tussen verschillende vervoersmiddelen.
8. Dienstregeling – Timetable – جدول المواعيد
- A2: Ik bekijk de dienstregeling van de bus.
- B1: De dienstregeling helpt mij om mijn reis goed te plannen.
- B2: Met de introductie van real-time updates in de dienstregeling kunnen reizigers direct inspelen op eventuele vertragingen of wijzigingen.
9. Instappen – Board – الصعود
- A2: Ik stap in de trein.
- B1: Je moet snel instappen, want de deuren sluiten snel.
- B2: Het instapproces verloopt efficiënter door de duidelijke markeringen op het perron, waardoor reizigers weten waar ze moeten wachten.
10. Uitstappen – Disembark – النزول
- A2: Wij stappen uit bij de laatste halte.
- B1: Ik moet op tijd uitstappen om mijn overstap te halen.
- B2: Dankzij de aankondigingen in meerdere talen weten internationale reizigers precies wanneer ze moeten uitstappen bij hun bestemming.
1. Reis – Trip – رحلة
- A2: Ik maak een reis naar Amsterdam.
- B1: Onze reis naar Parijs duurde drie uur met de trein.
- B2: Tijdens mijn reis door Europa heb ik verschillende culturen leren kennen.
2. Route – Route – طريق
- A2: De bus volgt een vaste route.
- B1: Deze route leidt langs alle toeristische attracties van de stad.
- B2: De gekozen route vermijdt drukke wegen en bespaart tijd.
3. Reistijd – Travel time – وقت السفر
- A2: De reistijd is één uur.
- B1: De gemiddelde reistijd met de trein is 45 minuten.
- B2: Door files kan de reistijd aanzienlijk toenemen.
4. Reiskosten – Travel expenses – تكاليف السفر
- A2: De reiskosten zijn vijf euro.
- B1: Mijn werkgever vergoedt de reiskosten voor woon-werkverkeer.
- B2: Het vergelijken van verschillende vervoersmiddelen kan helpen om reiskosten te besparen.
5. Halte – Stop – موقف
- A2: De bus stopt bij elke halte.
- B1: Bij deze halte kun je overstappen op de tram.
- B2: Sommige haltes zijn uitgerust met digitale informatieborden voor actuele vertrektijden.
6. Dienstregeling – Timetable – جدول المواعيد
- A2: Ik bekijk de dienstregeling van de trein.
- B1: De dienstregeling is aangepast vanwege werkzaamheden op het spoor.
- B2: Een betrouwbare dienstregeling is essentieel voor een efficiënt openbaar vervoerssysteem.
7. Abonnement – Subscription – اشتراك
- A2: Ik heb een abonnement voor de bus.
- B1: Met een maandabonnement reis ik onbeperkt binnen de stad.
- B2: Een jaarabonnement biedt vaak extra voordelen en kortingen.
8. Overstappen – Transfer – تغيير القطار/الحافلة
- A2: Ik stap over op een andere bus.
- B1: We moeten in Utrecht overstappen op de intercity naar Maastricht.
- B2: Een soepele overstap vereist een goede coördinatie tussen verschillende vervoerders.
9. Vertrek – Departure – مغادرة
- A2: Het vertrek is om tien uur.
- B1: Het vertrek van de trein is vertraagd door technische problemen.
- B2: Een punctueel vertrek is cruciaal voor het vertrouwen van reizigers in het openbaar vervoer.
10. Aankomst – Arrival – وصول
- A2: De aankomst is om twaalf uur.
- B1: Onze aankomst in Berlijn was precies op schema.
- B2: Een tijdige aankomst is essentieel voor reizigers met strakke planningen.
11. Vertraging – Delay – تأخير
- A2: De trein heeft vertraging.
- B1: Door een sein-storing is er een vertraging van 20 minuten.
- B2: Frequent voorkomende vertragingen kunnen leiden tot een afname van het aantal reizigers.
12. Enkele reis – One-way trip – رحلة باتجاه واحد
- A2: Ik koop een kaartje voor een enkele reis.
- B1: Een enkele reis naar Rotterdam kost €10.
- B2: Voor sommige bestemmingen is een enkele reis voordeliger dan een retour.
13. Retour – Return ticket – تذكرة ذهاب وإياب
- A2: Ik heb een retour naar Utrecht.
- B1: Met een retourticket kun je dezelfde dag terugreizen.
- B2: Een flexibel retour biedt de mogelijkheid om op een andere dag terug te keren.
14. Conducteur – Conductor – مفتش التذاكر
- A2: De conducteur controleert mijn kaartje.
- B1: De conducteur informeerde de reizigers over de vertraging.
- B2: Een vriendelijke conducteur draagt bij aan een positieve reiservaring.
15. Chauffeur – Driver – سائق
- A2: De chauffeur rijdt de bus.
- B1: De chauffeur hield een korte pauze bij het eindpunt.
- B2: Een ervaren chauffeur kan veilig en efficiënt door druk stadsverkeer navigeren.
16. Perron – Platform – رصيف
- A2: De trein vertrekt van perron 3.
- B1: Op het perron staan borden met de vertrektijden.
- B2: Een overvol perron kan leiden tot gevaarlijke situaties, vooral wanneer roltrappen blijven doorlopen en mensen geen kant op kunnen.
Recentelijk is er een incident geweest in het station Gent-Sint-Pieters, waar een video viraal ging die een overvol perron toonde. Op de beelden is te zien hoe een roltrap naar een bomvol perron leidt, wat resulteerde in een chaotische opstopping. Dit benadrukt het belang van crowd management en veiligheidsmaatregelen op stations om dergelijke situaties te voorkomen.
1. Navigatiesysteem – Navigation system – نظام الملاحة
- A2: Mijn auto heeft een navigatiesysteem.
- B1: Het navigatiesysteem helpt ons de juiste route te vinden.
- B2: Een up-to-date navigatiesysteem voorkomt onnodige omwegen en vertragingen.
2. Afstand – Distance – مسافة
- A2: De afstand naar school is twee kilometer.
- B1: We moeten de afstand tot onze bestemming controleren voordat we vertrekken.
- B2: Het is belangrijk om de afstand en reistijd te overwegen bij het plannen van een route.
3. Bestemming – Destination – وجهة
- A2: Onze bestemming is het strand.
- B1: We bereiken onze bestemming over ongeveer een uur.
- B2: Het kiezen van een geschikte bestemming is cruciaal voor een geslaagde reis.
4. Snelweg – Highway – طريق سريع
- A2: We rijden op de snelweg.
- B1: De snelweg is de snelste route naar de stad.
- B2: Bij druk verkeer kan het vermijden van de snelweg tijd besparen.
5. Afslag – Exit – مخرج
- A2: Neem de eerste afslag rechts.
- B1: Mis de afslag niet, anders moeten we omkeren.
- B2: Het missen van de juiste afslag kan leiden tot aanzienlijke vertragingen.
6. Rijbaan – Lane – مسار
- A2: Blijf op de rechter rijbaan.
- B1: De linker rijbaan is voor inhalen.
- B2: Het correct wisselen van rijbaan is essentieel voor de verkeersveiligheid.
7. Verkeerslichten – Traffic lights – إشارات المرور
- A2: Stop bij de verkeerslichten.
- B1: De verkeerslichten werken niet, dus we moeten extra voorzichtig zijn.
- B2: Defecte verkeerslichten kunnen leiden tot gevaarlijke situaties en vereisen oplettendheid van bestuurders.
8. Richtingaanwijzer – Turn signal – إشارة الانعطاف
- A2: Zet je richtingaanwijzer aan bij het afslaan.
- B1: Het gebruik van de richtingaanwijzer is verplicht bij elke afslag.
- B2: Het niet gebruiken van de richtingaanwijzer kan verwarring en ongelukken veroorzaken.
9. Wegomleiding – Road diversion – تحويلة
- A2: Er is een wegomleiding door werkzaamheden.
- B1: De wegomleiding staat aangegeven met borden.
- B2: Een onverwachte wegomleiding kan de reistijd aanzienlijk verlengen.
10. Eindbestemming – Final destination – الوجهة النهائية
- A2: We zijn bij onze eindbestemming.
- B1: Onze eindbestemming is het hotel in het centrum.
- B2: Het plannen van pauzes onderweg maakt de reis naar de eindbestemming aangenamer.
11. Tussenstop – Stopover – توقف مؤقت
- A2: We maken een tussenstop bij het tankstation.
- B1: Een tussenstop kan helpen om even uit te rusten tijdens lange reizen.
- B2: Strategische tussenstops plannen kan vermoeidheid verminderen en de alertheid van de bestuurder verhogen.
12. Rijrichting – Driving direction – اتجاه القيادة
- A2: Let op de borden voor de juiste rijrichting.
- B1: Verkeerde rijrichting kan tot gevaarlijke situaties leiden.
- B2: Het negeren van de aangegeven rijrichting is een overtreding en kan bestraft worden.
13. Kilometerpaal – Milestone – علامة الكيلومتر
- A2: De kilometerpaal geeft aan hoe ver we zijn.
- B1: Kilometerpalen helpen bij het bepalen van de locatie op de snelweg.
- B2: In geval van pech is de locatie van de dichtstbijzijnde kilometerpaal nuttig voor hulpdiensten.
14. Routeplanner – Route planner – مخطط الطريق
- A2: Ik gebruik een routeplanner om de weg te vinden.
- B1: Een routeplanner kan alternatieve routes voorstellen bij files.
- B2: Geavanceerde routeplanners houden rekening met real-time verkeersinformatie
Navigeren – Navigate – التنقل
- A2: Ik gebruik mijn telefoon om te navigeren.
- B1: Met een GPS-systeem kun je gemakkelijk door onbekende steden navigeren.
- B2: Professionele chauffeurs moeten feilloos kunnen navigeren zonder technologische hulpmiddelen.
Oriënteren – Orientate – توجيه
- A2: Ik oriënteer me met een kaart.
- B1: Tijdens het wandelen in het bos is het belangrijk om je goed te oriënteren.
- B2: Nieuwe studenten moeten zich snel oriënteren op de universiteitscampus.
Landkaart – Map – خريطة
- A2: Ik kijk op de landkaart waar we zijn.
- B1: Een gedetailleerde landkaart is essentieel voor lange reizen.
- B2: Historische landkaarten tonen hoe grenzen in de loop der tijd zijn veranderd.
Stadsplattegrond – City map – خريطة المدينة
- A2: Met een stadsplattegrond vind ik de weg.
- B1: Toeristen gebruiken vaak een stadsplattegrond om bezienswaardigheden te vinden.
- B2: Een interactieve stadsplattegrond kan real-time verkeersinformatie tonen.
Afstand – Distance – مسافة
- A2: De afstand naar school is twee kilometer.
- B1: De afstand tussen beide steden is ongeveer 100 kilometer.
- B2: Lange afstanden kunnen het beste per trein of vliegtuig worden afgelegd.
Bestemming – Destination – وجهة
- A2: Mijn bestemming is het museum.
- B1: We bereiken onze bestemming binnen een uur.
- B2: Populaire vakantiebestemmingen trekken jaarlijks miljoenen toeristen.
Kruising – Crossing – تقاطع
- A2: Bij de kruising ga ik rechtdoor.
- B1: Let op bij de kruising; het verkeer komt van beide kanten.
- B2: Complexe kruisingen in steden vereisen duidelijke verkeersborden voor de veiligheid.
Verkeerslichten – Traffic lights – إشارات المرور
- A2: We stoppen bij de verkeerslichten.
- B1: De verkeerslichten werken niet; we moeten extra voorzichtig zijn.
- B2: Geavanceerde verkeerslichtsystemen kunnen de verkeersstroom optimaliseren.
Snelweg – Highway – طريق سريع
- A2: We rijden op de snelweg naar huis.
- B1: De snelweg is ’s nachts rustiger dan overdag.
- B2: Uitbreiding van het snelwegennetwerk kan economische groei stimuleren.
Rijstrook – Lane – مسار
- A2: Blijf op de rechter rijstrook.
- B1: Bij drukte wordt de linker rijstrook opengesteld.
- B2: Het negeren van rijstrookmarkeringen kan tot gevaarlijke situaties leiden.
Wegwerkzaamheden – Roadworks – أعمال الطرق
- A2: Door wegwerkzaamheden is er file.
- B1: Wegwerkzaamheden kunnen voor vertraging zorgen tijdens de spits.
- B2: Goed geplande wegwerkzaamheden minimaliseren hinder voor weggebruikers.
Omleiding – Detour – تحويلة
- A2: We volgen de omleiding naar het centrum.
- B1: Door een ongeval is er een omleiding ingesteld.
- B2: Effectieve communicatie over omleidingen voorkomt verkeersopstoppingen.
Routeplanner – Route planner – مخطط الطريق
- A2: Ik gebruik een routeplanner voor mijn reis.
- B1: Een online routeplanner helpt bij het kiezen van de snelste weg.
- B2: Geavanceerde routeplanners houden rekening met real-time verkeersinformatie.
Verkeersinformatie – Traffic information – معلومات المرور
- A2: De radio geeft verkeersinformatie.
- B1: Actuele verkeersinformatie kan files helpen vermijden.
- B2: Verkeersinformatie in real-time is essentieel voor logistieke planning.
Post en e-mails schrijven
1. Brief – Letter – رسالة
- A2: Ik schrijf een brief aan mijn oma.
- B1: Een formele brief moet een aanhef en afsluiting hebben.
- B2: Het schrijven van een overtuigende sollicitatiebrief vereist een zorgvuldige structuur en toon.
2. E-mail – Email – بريد إلكتروني
- A2: Ik stuur een e-mail naar mijn leraar.
- B1: In een zakelijke e-mail moet je beleefd en duidelijk zijn.
- B2: Effectieve e-mailcommunicatie vraagt om een bondige en relevante boodschap.
3. Adres – Address – عنوان
- A2: Mijn adres staat op de envelop.
- B1: Zorg ervoor dat je het juiste adres op de kaart schrijft.
- B2: Een onjuist adressering kan leiden tot vertraging of verlies van poststukken.
4. Postzegel – Stamp – طابع بريدي
- A2: Je plakt een postzegel op de brief.
- B1: Zonder postzegel wordt een brief niet bezorgd.
- B2: Het verzamelen van zeldzame postzegels is een hobby voor filatelisten wereldwijd.
5. Afzender – Sender – المرسل
- A2: De afzender schrijft zijn naam op de brief.
- B1: In een e-mail staat de naam van de afzender bovenaan.
- B2: De betrouwbaarheid van de afzender beïnvloedt de geloofwaardigheid van de boodschap.
6. Geadresseerde – Addressee – المرسل إليه
- A2: De geadresseerde is mijn vriend.
- B1: Een correcte adressering helpt bij een snelle bezorging.
- B2: Het personaliseren van de aanhef naar de geadresseerde verhoogt de betrokkenheid.
7. Onderwerp – Subject – موضوع
- A2: Ik schrijf het onderwerp in mijn e-mail.
- B1: Een duidelijk onderwerp maakt een e-mail overzichtelijk.
- B2: Een pakkende onderwerpregel verhoogt de kans dat de e-mail wordt geopend.
8. Bijlage – Attachment – مرفق
- A2: Ik stuur een foto als bijlage.
- B1: Vergeet niet de bijlage toe te voegen voordat je de e-mail verstuurt.
- B2: Grote bijlagen kunnen problemen veroorzaken bij het verzenden van e-mails.
9. Handtekening – Signature – توقيع
- A2: Mijn naam staat in mijn handtekening.
- B1: Een digitale handtekening maakt een e-mail persoonlijker.
- B2: Een professionele handtekening bevat contactgegevens en een bedrijfslogo.
10. Postbode – Mailman – ساعي البريد
- A2: De postbode bezorgt de brieven.
- B1: De postbode werkt elke dag, ook als het regent.
- B2: Met de opkomst van e-mail is de rol van de postbode veranderd.
11. Verzenden – Send – إرسال
- A2: Ik verzend de brief vandaag.
- B1: Het is belangrijk om de e-mail op tijd te verzenden.
- B2: Het verzenden van vertrouwelijke informatie vereist extra beveiligingsmaatregelen.
12. Ontvangen – Receive – استلام
- A2: Ik ontvang een kaart van mijn vriend.
- B1: Ik heb je e-mail gisteren ontvangen.
- B2: Het tijdig ontvangen van documenten is cruciaal voor het project.
13. Concept – Draft – مسودة
- A2: Ik maak een concept van mijn brief.
- B1: Het is verstandig om eerst een concept te schrijven.
- B2: Een goed concept vormt de basis voor een overtuigende uiteindelijke tekst.
14. Verzending – Shipment – الشحن
- A2: De verzending van het pakket is vandaag.
- B1: De verzending van brieven gebeurt dagelijks.
- B2: Internationale verzending kan enkele dagen duren.
15. Ontvangstbevestiging – Acknowledgment of receipt – تأكيد الاستلام
- A2: Ik stuur een ontvangstbevestiging.
- B1: Een ontvangstbevestiging laat weten dat de e-mail is aangekomen.
- B2: Het vragen om een ontvangstbevestiging is gebruikelijk bij belangrijke documenten.
16. Postvak IN – Inbox – صندوق الوارد
- A2: Mijn postvak IN is vol.
- B1: Ik controleer dagelijks mijn postvak IN.
- B2: Een overvolle postvak IN kan leiden tot gemiste berichten.
Afspraak – Appointment – موعد
- A2: Ik heb een afspraak bij de tandarts.
- B1: Mijn afspraak met de tandarts is om 10 uur.
- B2: Wegens een dubbele boeking moest ik mijn afspraak verzetten.
Bevestigen – Confirm – تأكيد
- A2: Ik bevestig mijn komst naar het feest.
- B1: Kunt u de reservering per e-mail bevestigen?
- B2: Het onderzoek bevestigt de eerdere bevindingen van de wetenschappers.
Discussie – Discussion – نقاش
- A2: We hebben een discussie over de film.
- B1: Tijdens de vergadering ontstond een levendige discussie.
- B2: De discussie over klimaatverandering is complex en veelzijdig.
Ervaring – Experience – تجربة
- A2: Ik heb ervaring met computers.
- B1: Mijn werkervaring heeft me veel geleerd.
- B2: Zijn jarenlange ervaring in de industrie maakt hem een expert.
Gebeurtenis – Event – حدث
- A2: De bruiloft was een mooie gebeurtenis.
- B1: De gebeurtenis trok veel media-aandacht.
- B2: Deze historische gebeurtenis heeft de loop van de geschiedenis veranderd.
Herinneren – Remember – تذكر
- A2: Ik herinner me mijn eerste schooldag.
- B1: Kun je me herinneren aan onze afspraak morgen?
- B2: Het is belangrijk om te herinneren waar we vandaan komen.
Invloed – Influence – تأثير
- A2: Mijn ouders hebben veel invloed op mij.
- B1: De media hebben invloed op onze mening.
- B2: Zijn invloed op het beleid was aanzienlijk en langdurig.
Keuze – Choice – اختيار
- A2: Ik heb de keuze gemaakt om te studeren.
- B1: Er is een ruime keuze aan gerechten in dit restaurant.
- B2: De keuze tussen carrière en gezin kan moeilijk zijn.
Mening – Opinion – رأي
- A2: Mijn mening over het boek is positief.
- B1: Iedereen heeft recht op zijn eigen mening.
- B2: Zijn mening werd gevormd door jarenlange ervaring.
Onderzoek – Research – بحث
- A2: Het onderzoek naar de ziekte is begonnen.
- B1: Wetenschappelijk onderzoek levert nieuwe inzichten op.
- B2: Het onderzoek toont aan dat de maatregelen effectief zijn.
Probleem – Problem – مشكلة
- A2: Er is een probleem met mijn computer.
- B1: We moeten dit probleem snel oplossen.
- B2: Het probleem vereist een strategische aanpak.
Resultaat – Result – نتيجة
- A2: Het resultaat van de test is goed.
- B1: Het resultaat van onze inspanningen is zichtbaar.
- B2: Het experiment leverde onverwachte resultaten op.
Situatie – Situation – حالة
- A2: De situatie op het werk is druk.
- B1: In deze situatie is voorzichtigheid geboden.
- B2: De politieke situatie in het land is instabiel.
Toekomst – Future – مستقبل
- A2: Ik denk aan mijn toekomst.
- B1: De toekomst van het bedrijf ziet er rooskleurig uit.
- B2: Technologische ontwikkelingen bepalen de toekomst van onze samenleving.
Uitdaging – Challenge – تحدي
- A2: Deze puzzel is een uitdaging.
- B1: Het project vormt een grote uitdaging voor ons team.
- B2: Het aangaan van deze uitdaging vereist moed en doorzettingsvermogen.
Verantwoordelijkheid – Responsibility – مسؤولية
- A2: Ik draag verantwoordelijkheid voor mijn huiswerk.
- B1: Als teamleider heb je veel verantwoordelijkheden.
- B2: Verantwoordelijkheid nemen is essentieel voor persoonlijke groei.
Verklaring – Explanation – تفسير
- A2: De leraar geeft een verklaring voor het antwoord.
- B1: Zijn verklaring over het incident was duidelijk.
- B2: De wetenschappelijke verklaring voor het fenomeen is complex.
Weerbericht begrijpen
- Weer – Weather – الطقس
- A2: Het weer is vandaag mooi.
- B1: Ik kijk naar het weerbericht voordat ik naar buiten ga.
- Temperatuur – Temperature – درجة الحرارة
- A2: De temperatuur is tien graden.
- B1: Bij een lage temperatuur draag ik warme kleding.
- Regen – Rain – المطر
- A2: Het regent buiten.
- B1: Volgens het weerbericht gaat het de hele dag regenen.
- Zon – Sun – الشمس
- A2: De zon schijnt vandaag.
- B1: In de zomer is de zon erg sterk en moet je zonnebrandcrème gebruiken.
- Bewolkt – Cloudy – غائم
- A2: De lucht is bewolkt.
- B1: Het wordt vandaag bewolkt, maar het blijft droog.
- Wind – Wind – الرياح
- A2: Er is veel wind.
- B1: Sterke wind kan gevaarlijk zijn voor fietsers.
- Storm – Storm – عاصفة
- A2: Er komt een storm aan.
- B1: Door de storm zijn veel treinen vertraagd.
- Sneeuw – Snow – الثلج
- A2: In de winter sneeuwt het soms.
- B1: Sneeuw kan zorgen voor gladde wegen en verkeersproblemen.
- Mist – Fog – الضباب
- A2: Door de mist zie ik weinig.
- B1: In dichte mist moet je je snelheid verlagen.
- Donder en bliksem – Thunder and lightning – الرعد والبرق
- A2: Ik hoor donder en zie bliksem.
- B1: Tijdens onweer blijf ik liever binnen.
- Droog – Dry – جاف
- A2: Het weer is droog vandaag.
- B1: In een droge periode moet je je planten water geven.
- Vochtig – Humid – رطب
- A2: Het is vochtig in de zomer.
- B1: Een hoge luchtvochtigheid maakt het benauwd.
- Weersvoorspelling – Weather forecast – توقعات الطقس
- A2: De weersvoorspelling zegt dat het gaat regenen.
- B1: De weersvoorspelling helpt mij bij het plannen van activiteiten.
- Hittegolf – Heatwave – موجة حر
- A2: Tijdens een hittegolf is het heel warm.
- B1: Tijdens een hittegolf is het belangrijk om veel water te drinken.
- IJzel – Black ice – الجليد الأسود
- A2: De weg is glad door ijzel.
- B1: Bij ijzel moet je voorzichtig rijden om ongelukken te voorkomen.
Basisnieuws volgen
- Nieuws – News – الأخبار
- A2: Ik kijk naar het nieuws op tv.
- B1: Het nieuws informeert ons over wat er in de wereld gebeurt.
- Krantenkop – Headline – عنوان رئيسي
- A2: De krantenkop is groot.
- B1: De krantenkop vertelt het belangrijkste nieuws in één zin.
- Journaal – News broadcast – نشرة الأخبار
- A2: Het journaal begint om acht uur.
- B1: In het journaal worden belangrijke gebeurtenissen besproken.
- Radio – Radio – راديو
- A2: Ik luister naar het nieuws op de radio.
- B1: Op de radio hoor je snel het laatste nieuws.
- Verslaggever – Reporter – مراسل
- A2: De verslaggever praat over het nieuws.
- B1: Een verslaggever reist vaak naar verschillende landen voor nieuws.
- Politiek – Politics – السياسة
- A2: Ik lees over politiek in de krant.
- B1: Politiek bepaalt de regels in een land.
- Verkiezingen – Elections – الانتخابات
- A2: De verkiezingen zijn volgende maand.
- B1: Tijdens de verkiezingen kiezen mensen een nieuwe regering.
- Reclame – Advertisement – إعلان
- A2: Er is reclame op tv.
- B1: Reclames proberen mensen te overtuigen iets te kopen.
- Interview – Interview – مقابلة
- A2: De journalist doet een interview.
- B1: In een interview stelt de journalist vragen aan een beroemd persoon.
- Opinie – Opinion – رأي
- A2: Iedereen heeft een eigen opinie.
- B1: Een opinieartikel geeft een mening over een actueel onderwerp.
- Artikel – Article – مقال
- A2: Ik lees een artikel in de krant.
- B1: Een goed artikel geeft duidelijke informatie en voorbeelden.
- Sociale media – Social media – وسائل التواصل الاجتماعي
- A2: Ik kijk naar nieuws op sociale media.
- B1: Op sociale media verspreidt nieuws zich snel.
- Live-uitzending – Live broadcast – بث مباشر
- A2: De wedstrijd is een live-uitzending.
- B1: Een live-uitzending laat gebeurtenissen direct zien.
- Breaking news – Breaking news – أخبار عاجلة
- A2: Er is breaking news op tv.
- B1: Breaking news gaat over iets belangrijks dat net is gebeurd.
- Weerbericht – Weather report – نشرة الطقس
- A2: Ik kijk naar het weerbericht.
- B1: Het weerbericht vertelt hoe het weer morgen wordt.
Nieuws en kranten
- Nieuws – News – الأخبار
- A2: Ik lees het nieuws elke dag.
- B1: Het nieuws houdt mij op de hoogte van de wereld.
- Krantenkop – Headline – عنوان رئيسي
- A2: De krantenkop is groot en duidelijk.
- B1: Een opvallende krantenkop trekt de aandacht van lezers.
- Artikel – Article – مقال
- A2: Ik lees een artikel over sport.
- B1: Een goed artikel bevat feiten en meningen.
- Verslaggever – Reporter – مراسل
- A2: De verslaggever werkt voor de krant.
- B1: Een verslaggever reist vaak om nieuws te verzamelen.
- Redactie – Editorial team – هيئة التحرير
- A2: De redactie schrijft artikelen voor de krant.
- B1: De redactie controleert alle artikelen voordat ze worden gepubliceerd.
- Opinie – Opinion – رأي
- A2: Iedereen heeft een eigen opinie.
- B1: Een opinieartikel geeft een mening over een belangrijk onderwerp.
- Bron – Source – مصدر
- A2: Dit nieuws komt uit een goede bron.
- B1: Betrouwbare bronnen zijn belangrijk voor journalistiek.
- Oplage – Circulation – عدد النسخ
- A2: Deze krant heeft een grote oplage.
- B1: De oplage van de krant daalt door digitale media.
- Rubriek – Section – قسم
- A2: Ik lees de sport-rubriek.
- B1: Elke krant heeft verschillende rubrieken, zoals politiek en cultuur.
- Digitale krant – Digital newspaper – صحيفة رقمية
- A2: Ik lees de digitale krant op mijn telefoon.
- B1: Digitale kranten worden steeds populairder.
Politiek en verkiezingen
- Politiek – Politics – السياسة
- A2: Politiek gaat over het besturen van een land.
- B1: Politiek heeft invloed op ons dagelijks leven.
- Regering – Government – الحكومة
- A2: De regering maakt nieuwe wetten.
- B1: Een regering bestaat uit ministers en de premier.
- Minister – Minister – وزير
- A2: De minister werkt in de regering.
- B1: Elke minister heeft een eigen verantwoordelijkheid, zoals onderwijs of economie.
- Stemmen – Voting – التصويت
- A2: Mensen stemmen bij de verkiezingen.
- B1: Stemmen is een recht en een plicht in een democratie.
- Verkiezingen – Elections – الانتخابات
- A2: De verkiezingen zijn elke vier jaar.
- B1: Verkiezingen bepalen wie de nieuwe leiders worden.
- Democratie – Democracy – ديمقراطية
- A2: Nederland is een democratie.
- B1: In een democratie mogen mensen hun leiders kiezen.
- Politieke partij – Political party – حزب سياسي
- A2: Er zijn veel politieke partijen in Nederland.
- B1: Elke politieke partij heeft eigen ideeën en plannen.
- Parlement – Parliament – البرلمان
- A2: Het parlement beslist over wetten.
- B1: Het parlement controleert de regering.
- Wetsvoorstel – Bill (law) – مشروع قانون
- A2: Het wetsvoorstel wordt besproken in de Kamer.
- B1: Een wetsvoorstel moet goedgekeurd worden voordat het een wet wordt.
- Coalitie – Coalition – ائتلاف
- A2: De coalitie bestaat uit meerdere partijen.
- B1: Een sterke coalitie zorgt voor een stabiele regering.
- Oppositie – Opposition – المعارضة
- A2: De oppositie is tegen de regering.
- B1: De oppositie controleert en bekritiseert de regering.
- Premier – Prime Minister – رئيس الوزراء
- A2: De premier leidt de regering.
- B1: De premier heeft veel verantwoordelijkheden in het land.
- Referendum – Referendum – استفتاء
- A2: Een referendum is een volksstemming.
- B1: Bij een referendum mogen mensen direct over een onderwerp stemmen.
- Kabinet – Cabinet – مجلس الوزراء
- A2: Het kabinet bestaat uit ministers.
- B1: Het kabinet bepaalt het beleid van de regering.
- Debat – Debate – مناظرة
- A2: In een debat praten mensen over politiek.
- B1: Tijdens een debat verdedigen politici hun standpunten.
Feestdagen en tradities
- Feestdag – Holiday – يوم عطلة
- A2: Kerstmis is een feestdag.
- B1: Op een feestdag hebben de meeste mensen vrij.
- Traditie – Tradition – تقليد
- A2: Sinterklaas is een Nederlandse traditie.
- B1: Tradities verschillen per land en cultuur.
- Kerstmis – Christmas – عيد الميلاد
- A2: Met Kerstmis versieren we de boom.
- B1: Kerstmis is een tijd van samenzijn en cadeaus.
- Pasen – Easter – عيد الفصح
- A2: Met Pasen zoeken kinderen paaseieren.
- B1: Pasen wordt gevierd met familie en een speciale maaltijd.
- Koningsdag – King’s Day – يوم الملك
- A2: Op Koningsdag dragen mensen oranje.
- B1: Koningsdag is een nationale feestdag in Nederland.
- Oud en Nieuw – New Year’s Eve – رأس السنة
- A2: Met Oud en Nieuw kijken we naar vuurwerk.
- B1: Op Oudejaarsavond maken mensen goede voornemens.
- Suikerfeest – Eid al-Fitr – عيد الفطر
- A2: Suikerfeest is na de Ramadan.
- B1: Tijdens het Suikerfeest eten mensen samen en geven cadeaus.
- Offerfeest – Eid al-Adha – عيد الأضحى
- A2: Het Offerfeest is een belangrijke islamitische feestdag.
- B1: Tijdens het Offerfeest worden dieren geofferd en maaltijden gedeeld.
- Halloween – Halloween – هالوين
- A2: Met Halloween dragen kinderen kostuums.
- B1: Op Halloween gaan kinderen langs de deuren voor snoep.
- Carnaval – Carnival – كرنفال
- A2: Met carnaval dragen mensen gekke kostuums.
- B1: Carnaval is een feest met optochten en muziek.
- Huwelijk – Wedding – زفاف
- A2: Een huwelijk is een groot feest.
- B1: In sommige culturen duren huwelijksfeesten meerdere dagen.
- Verjaardag – Birthday – عيد ميلاد
- A2: Mijn verjaardag is in juli.
- B1: Op een verjaardag krijgt de jarige cadeaus en taart.
- Lichtjesfeest – Festival of Lights – مهرجان الأضواء
- A2: Het Lichtjesfeest is in de winter.
- B1: Lichtjesfeesten worden in verschillende landen gevierd.
- Ritueel – Ritual – طقس
- A2: Dit ritueel hoort bij de bruiloft.
- B1: Religieuze rituelen spelen een belangrijke rol in sommige culturen.
- Herdenking – Remembrance – ذكرى
- A2: We hebben een herdenking voor de oorlog.
- B1: Op 4 mei is er een nationale herdenking in Nederland.
Politiek en verkiezingen
- Politiek – Politics – السياسة
- A2: Politiek gaat over regels en wetten.
- B1: Politiek beïnvloedt hoe een land bestuurd wordt.
- Regering – Government – الحكومة
- A2: De regering maakt wetten.
- B1: De regering bestaat uit ministers en een premier.
- Democratie – Democracy – ديمقراطية
- A2: Nederland is een democratie.
- B1: In een democratie mogen burgers stemmen op hun leiders.
- Verkiezingen – Elections – الانتخابات
- A2: Tijdens de verkiezingen kiezen mensen een leider.
- B1: Verkiezingen bepalen wie in de regering komt.
- Stemmen – Voting – التصويت
- A2: Ik stem op een partij.
- B1: Stemmen is een recht in een democratisch land.
- Stembureau – Polling station – مركز الاقتراع
- A2: Ik ga naar het stembureau om te stemmen.
- B1: Stembureaus openen vroeg in de ochtend.
- Stemrecht – Voting rights – حق التصويت
- A2: Iedereen boven de 18 heeft stemrecht.
- B1: In sommige landen is het stemrecht beperkt.
- Kieslijst – Electoral list – قائمة الانتخابات
- A2: Mijn naam staat op de kieslijst.
- B1: Partijen moeten zich aanmelden voor de kieslijst.
- Politieke partij – Political party – حزب سياسي
- A2: Er zijn veel politieke partijen.
- B1: Elke politieke partij heeft eigen ideeën en plannen.
- Premier – Prime Minister – رئيس الوزراء
- A2: De premier is de baas van de regering.
- B1: De premier vertegenwoordigt het land internationaal.
- Minister – Minister – وزير
- A2: De minister werkt voor de regering.
- B1: Ministers hebben elk een eigen taak, zoals onderwijs of economie.
- Kabinet – Cabinet – مجلس الوزراء
- A2: Het kabinet bestaat uit ministers.
- B1: Het kabinet maakt plannen voor het land.
- Parlement – Parliament – البرلمان
- A2: Het parlement beslist over wetten.
- B1: Het parlement controleert de regering.
- Tweede Kamer – House of Representatives – مجلس النواب
- A2: De Tweede Kamer bespreekt nieuwe regels.
- B1: In de Tweede Kamer zitten gekozen volksvertegenwoordigers.
- Eerste Kamer – Senate – مجلس الشيوخ
- A2: De Eerste Kamer keurt wetten goed.
- B1: De Eerste Kamer controleert de besluiten van de Tweede Kamer.
- Coalitie – Coalition – ائتلاف
- A2: De coalitie bestaat uit meerdere partijen.
- B1: Een sterke coalitie zorgt voor een stabiele regering.
- Oppositie – Opposition – المعارضة
- A2: De oppositie is tegen de regering.
- B1: De oppositie controleert en bekritiseert de regering.
- Wetsvoorstel – Bill (law) – مشروع قانون
- A2: Het wetsvoorstel wordt besproken.
- B1: Een wetsvoorstel moet goedgekeurd worden door het parlement.
- Grondwet – Constitution – الدستور
- A2: De grondwet bevat de belangrijkste wetten.
- B1: De grondwet beschermt de rechten van burgers.
- Referendum – Referendum – استفتاء
- A2: Een referendum is een volksstemming.
- B1: Bij een referendum mogen mensen direct over een onderwerp stemmen.
- Burgemeester – Mayor – عمدة
- A2: De burgemeester werkt in de stad.
- B1: De burgemeester zorgt voor orde en veiligheid in de gemeente.
- Gouverneur – Governor – حاكم
- A2: De gouverneur leidt een provincie.
- B1: Een gouverneur heeft veel verantwoordelijkheid binnen zijn regio.
- Staatssecretaris – State Secretary – وكيل الوزارة
- A2: De staatssecretaris helpt de minister.
- B1: De staatssecretaris heeft een eigen portefeuille binnen het ministerie.
- Fractie – Faction – فصيل سياسي
- A2: Elke partij heeft een fractie in de Kamer.
- B1: Een fractie vertegenwoordigt de partij in het parlement.
- Lobbyen – Lobbying – ممارسة الضغط
- A2: Bedrijven lobbyen voor hun belangen.
- B1: Lobbyen beïnvloedt politieke beslissingen.
- Minderheidsregering – Minority government – حكومة أقلية
- A2: Een minderheidsregering heeft niet genoeg stemmen.
- B1: Een minderheidsregering heeft steun van andere partijen nodig.
- Motie – Motion – اقتراح
- A2: Een motie is een voorstel in het parlement.
- B1: Een motie kan een minister dwingen tot actie.
- Compromis – Compromise – حل وسط
- A2: Politici sluiten een compromis.
- B1: Een compromis is nodig om conflicten op te lossen.
- Senaat – Senate – مجلس الشيوخ
- A2: De senaat controleert wetten.
- B1: De senaat heeft een belangrijke rol in de wetgeving.
- Amendement – Amendment – تعديل
- A2: Een amendement verandert een wet.
- B1: Een amendement kan een wetsvoorstel verbeteren.
- Debat – Debate – مناظرة
- A2: In een debat praten mensen over politiek.
- B1: Tijdens een debat verdedigen politici hun standpunten.
- Stemmen tellen – Vote counting – فرز الأصوات
- A2: Na de verkiezingen worden stemmen geteld.
- B1: Stemmen tellen moet eerlijk en transparant gebeuren.
- Populisme – Populism – شعبوية
- A2: Populisme is populair bij sommige mensen.
- B1: Populistische partijen richten zich op de gevoelens van het volk.
- Corruptie – Corruption – فساد
- A2: Corruptie is slecht voor een land.
- B1: Corruptie kan het vertrouwen in de politiek schaden.
- Rechtsstaat – Rule of law – دولة القانون
- A2: In een rechtsstaat gelden regels voor iedereen.
- B1: Een rechtsstaat beschermt burgers tegen machtsmisbruik.
- Dictatuur – Dictatorship – دكتاتورية
- A2: Een dictatuur heeft één leider.
- B1: In een dictatuur hebben burgers weinig vrijheid.
- Vrijheid van meningsuiting – Freedom of speech – حرية التعبير
- A2: In Nederland is er vrijheid van meningsuiting.
- B1: Vrijheid van meningsuiting betekent dat je mag zeggen wat je denkt.
- Burgerinitiatief – Citizens’ initiative – مبادرة المواطنين
- A2: Een burgerinitiatief is een voorstel van burgers.
- B1: Burgers kunnen een initiatief starten om een wetsvoorstel te maken.
- Stemfraude – Voter fraud – تزوير الانتخابات
- A2: Stemfraude is verboden.
- B1: Stemfraude bedreigt de eerlijkheid van verkiezingen.
- Internationale politiek – International politics – السياسة الدولية
- A2: Internationale politiek gaat over landen.
- B1: Internationale politiek beïnvloedt handel en diplomatie.
Webshops en retourzendingen
- Webshop – Online store – متجر إلكتروني
- A2: Ik koop een boek in de webshop.
- B1: Veel mensen bestellen kleding via een webshop.
- Bestelling – Order – طلب
- A2: Mijn bestelling komt morgen.
- B1: Je kunt de status van je bestelling online volgen.
- Levering – Delivery – توصيل
- A2: De levering is gratis.
- B1: De levering duurt meestal twee tot drie dagen.
- Bezorgkosten – Shipping costs – تكاليف الشحن
- A2: De bezorgkosten zijn 5 euro.
- B1: Sommige webshops rekenen geen bezorgkosten bij grote bestellingen.
- Retourneren – To return – إرجاع
- A2: Ik retourneer mijn schoenen.
- B1: Je kunt een product binnen 14 dagen retourneren.
- Retourlabel – Return label – ملصق الإرجاع
- A2: Ik plak het retourlabel op de doos.
- B1: Zonder retourlabel kun je het pakket niet terugsturen.
- Terugbetaling – Refund – استرداد
- A2: Ik krijg mijn geld terug.
- B1: De terugbetaling duurt meestal een paar dagen.
- Klantenservice – Customer service – خدمة العملاء
- A2: Ik bel de klantenservice.
- B1: De klantenservice helpt bij vragen en problemen.
- Kortingscode – Discount code – رمز الخصم
- A2: Ik gebruik een kortingscode.
- B1: Met een kortingscode krijg je korting op je bestelling.
- Account – Account – حساب
- A2: Ik maak een account aan.
- B1: Met een account kun je je bestelgeschiedenis bekijken.
- Beoordeling – Review – مراجعة
- A2: Ik geef een goede beoordeling.
- B1: Een webshop met goede beoordelingen is betrouwbaar.
- Winkelmandje – Shopping cart – سلة التسوق
- A2: Mijn winkelmandje is vol.
- B1: Je kunt producten in je winkelmandje bewaren voor later.
- Betaalmethode – Payment method – طريقة الدفع
- A2: Ik kies een betaalmethode.
- B1: Veel webshops accepteren meerdere betaalmethoden, zoals creditcard en iDEAL.
- Voorraad – Stock – مخزون
- A2: Dit product is op voorraad.
- B1: Als een product niet op voorraad is, moet je langer wachten.
- Klachtenprocedure – Complaint procedure – إجراءات الشكوى
- A2: De klachtenprocedure staat op de website.
- B1: Je kunt een klacht indienen via de klachtenprocedure.
- Factuur – Invoice – فاتورة
- A2: Ik ontvang een factuur per e-mail.
- B1: De factuur bevat alle kosten van de bestelling.
- Verzendadres – Shipping address – عنوان الشحن
- A2: Ik vul mijn verzendadres in.
- B1: Het verzendadres moet correct zijn om fouten te voorkomen.
- Garantie – Warranty – ضمان
- A2: Mijn telefoon heeft garantie.
- B1: Garantie betekent dat een product gratis gerepareerd wordt bij een defect.
- Schadevergoeding – Compensation – تعويض
- A2: Ik krijg schadevergoeding voor mijn kapotte laptop.
- B1: Als een product kapot aankomt, kun je schadevergoeding vragen.
- Abonnement – Subscription – اشتراك
- A2: Mijn abonnement is maandelijks.
- B1: Sommige webshops bieden een abonnement voor gratis verzending.
Banken en verzekeringen
- Bankrekening – Bank account – حساب مصرفي
- A2: Ik open een bankrekening.
- B1: Een bankrekening is nodig om geld te ontvangen en te betalen.
- Pinpas – Debit card – بطاقة خصم
- A2: Ik betaal met mijn pinpas.
- B1: Een pinpas is handig voor betalingen in winkels.
- Creditcard – Credit card – بطاقة ائتمان
- A2: Mijn creditcard is geblokkeerd.
- B1: Met een creditcard kun je wereldwijd betalen.
- Internetbankieren – Online banking – الخدمات المصرفية عبر الإنترنت
- A2: Ik gebruik internetbankieren.
- B1: Met internetbankieren kun je je saldo en transacties bekijken.
- Geld opnemen – Withdraw money – سحب المال
- A2: Ik neem geld op bij de bank.
- B1: Geld opnemen kan bij een geldautomaat.
- Overboeking – Bank transfer – تحويل بنكي
- A2: Ik maak een overboeking.
- B1: Een internationale overboeking duurt soms langer.
- Rente – Interest – فائدة
- A2: Ik krijg rente op mijn spaargeld.
- B1: De rente op leningen is vaak hoog.
- Hypotheek – Mortgage – رهن عقاري
- A2: Mijn hypotheek is voor 30 jaar.
- B1: Een hypotheek helpt bij het kopen van een huis.
- Verzekering – Insurance – تأمين
- A2: Ik heb een autoverzekering.
- B1: Een verzekering beschermt tegen financiële schade.
- Premie – Premium – قسط التأمين
- A2: Ik betaal mijn premie elke maand.
- B1: De premie hangt af van het risico en de dekking.
- Eigen risico – Deductible – التحمل الذاتي
- A2: Mijn eigen risico is 385 euro.
- B1: Hoe hoger je eigen risico, hoe lager de premie.
- Schade – Damage – ضرر
- A2: Mijn fiets heeft schade.
- B1: De verzekering betaalt bij schade door een ongeluk.
- Aansprakelijkheidsverzekering – Liability insurance – تأمين المسؤولية
- A2: Ik heb een aansprakelijkheidsverzekering.
- B1: Deze verzekering dekt schade aan anderen.
- Reisverzekering – Travel insurance – تأمين السفر
- A2: Mijn reisverzekering is voor een jaar.
- B1: Een reisverzekering beschermt tegen onverwachte kosten op vakantie.
- Autoverzekering – Car insurance – تأمين السيارة
- A2: Mijn auto moet verzekerd zijn.
- B1: Een autoverzekering is verplicht in Nederland.
- Gezondheidsverzekering – Health insurance – تأمين صحي
- A2: Een zorgverzekering is verplicht.
- B1: Een goede gezondheidsverzekering dekt ziekenhuisbezoeken.
- Uitkering – Allowance – إعانة
- A2: Hij krijgt een uitkering.
- B1: Een uitkering helpt mensen zonder werk.
- Pensioen – Pension – تقاعد
- A2: Mijn opa krijgt pensioen.
- B1: Een goed pensioen zorgt voor een comfortabel leven na het werk.
- Fraude – Fraud – احتيال
- A2: Fraude is verboden.
- B1: Banken controleren op fraude om klanten te beschermen.
- Investeren – Invest – استثمار
- A2: Ik investeer in aandelen.
- B1: Investeren kan winst opleveren, maar ook risico’s hebben.
Banken en verzekeringen (25 woorden)
- Bankrekening – Bank account – حساب مصرفي
- A2: Ik open een bankrekening.
- B1: Een bankrekening is nodig om geld te ontvangen en te betalen.
- Pinpas – Debit card – بطاقة خصم
- A2: Ik betaal met mijn pinpas.
- B1: Een pinpas is handig voor betalingen in winkels.
- Creditcard – Credit card – بطاقة ائتمان
- A2: Mijn creditcard is geblokkeerd.
- B1: Met een creditcard kun je wereldwijd betalen.
- Internetbankieren – Online banking – الخدمات المصرفية عبر الإنترنت
- A2: Ik gebruik internetbankieren.
- B1: Met internetbankieren kun je je saldo en transacties bekijken.
- Geld opnemen – Withdraw money – سحب المال
- A2: Ik neem geld op bij de bank.
- B1: Geld opnemen kan bij een geldautomaat.
- Overboeking – Bank transfer – تحويل بنكي
- A2: Ik maak een overboeking.
- B1: Een internationale overboeking duurt soms langer.
- Rente – Interest – فائدة
- A2: Ik krijg rente op mijn spaargeld.
- B1: De rente op leningen is vaak hoog.
- Hypotheek – Mortgage – رهن عقاري
- A2: Mijn hypotheek is voor 30 jaar.
- B1: Een hypotheek helpt bij het kopen van een huis.
- Verzekering – Insurance – تأمين
- A2: Ik heb een autoverzekering.
- B1: Een verzekering beschermt tegen financiële schade.
- Pensioen – Pension – تقاعد
- A2: Mijn opa krijgt pensioen.
- B1: Een goed pensioen zorgt voor een comfortabel leven na het werk.
Dit zijn 50 woorden met een sterke focus op de dienstensector! 

Laat het weten als je nog iets wilt aanpassen! 
4o
Je zei:
Graag aanvullen tot 50
ChatGPT zei:
Hier zijn de laatste 15 woorden om het totaal op 50 woorden te brengen!
Banken en verzekeringen (vervolg)
- Spaarrekening – Savings account – حساب توفير
- A2: Ik zet geld op mijn spaarrekening.
- B1: Een spaarrekening helpt om geld opzij te zetten voor later.
- Lening – Loan – قرض
- A2: Ik vraag een lening aan.
- B1: Een lening moet je met rente terugbetalen.
- Dekking – Coverage – تغطية
- A2: Mijn verzekering heeft een goede dekking.
- B1: De dekking bepaalt welke kosten de verzekering betaalt.
- Opnamekosten – Withdrawal fees – رسوم السحب
- A2: Er zijn opnamekosten bij de bank.
- B1: Sommige banken rekenen opnamekosten bij buitenlandse geldautomaten.
- Betaalverzoek – Payment request – طلب دفع
- A2: Ik stuur een betaalverzoek.
- B1: Met een betaalverzoek kun je gemakkelijk geld vragen aan iemand.
- Beleggingsrekening – Investment account – حساب استثماري
- A2: Ik open een beleggingsrekening.
- B1: Een beleggingsrekening is voor het kopen en verkopen van aandelen.
- Schulden – Debts – ديون
- A2: Ik heb schulden bij de bank.
- B1: Schulden kunnen een probleem worden als je niet kunt betalen.
- Vergoedingen – Fees – رسوم
- A2: Mijn verzekering heeft lage vergoedingen.
- B1: Sommige banken rekenen extra vergoedingen voor bepaalde diensten.
- Fraudebescherming – Fraud protection – حماية من الاحتيال
- A2: Mijn bank biedt fraudebescherming.
- B1: Fraudebescherming helpt om je geld veilig te houden.
- Zorgverzekering – Health insurance – تأمين صحي
- A2: Ik betaal mijn zorgverzekering elke maand.
- B1: Een zorgverzekering dekt medische kosten zoals doktersbezoeken.
- Schadeclaim – Damage claim – مطالبة بالتعويض
- A2: Ik dien een schadeclaim in.
- B1: Een schadeclaim kan helpen als je auto beschadigd is.
- Incasseren – To collect – تحصيل
- A2: De bank incasseert het geld.
- B1: Een bedrijf kan een bedrag automatisch incasseren van je rekening.
- Beleggingsfonds – Investment fund – صندوق استثماري
- A2: Ik beleg in een beleggingsfonds.
- B1: Een beleggingsfonds spreidt risico’s door in meerdere bedrijven te investeren.
- Pensioenfonds – Pension fund – صندوق التقاعد
- A2: Mijn pensioenfonds groeit elk jaar.
- B1: Een pensioenfonds beheert het geld voor later als je stopt met werken.
- Verzekeringspolis – Insurance policy – بوليصة التأمين
- A2: Mijn verzekeringspolis ligt thuis.
- B1: De verzekeringspolis beschrijft de voorwaarden van je verzekering.
Openbaar vervoer en routes (25 woorden)
- Dienstregeling – Timetable – جدول المواعيد
- A2: De dienstregeling hangt bij de halte.
- B1: De dienstregeling laat zien hoe laat alles vertrekt.
- Overstappen – Transfer – تبديل
- A2: Ik stap over op een andere lijn.
- B1: Overstappen is nodig als er geen directe verbinding is.
- Bestemming – Destination – وجهة
- A2: Mijn bestemming is dichtbij.
- B1: Controleer altijd of je de juiste bestemming hebt.
- Vertraging – Delay – تأخير
- A2: Er is tien minuten vertraging.
- B1: Door drukte en weer kan er vertraging zijn.
- Route – Route – طريق
- A2: Ik kies de kortste route.
- B1: De routeplanner helpt bij het vinden van de snelste weg.
- Navigatie – Navigation – ملاحة
- A2: De navigatie toont de weg.
- B1: Goede navigatie voorkomt verdwalen.
- Plattegrond – Map – خريطة
- A2: Ik kijk op de plattegrond.
- B1: De plattegrond helpt om de route te begrijpen.
- Reisadvies – Travel advice – نصيحة سفر
- A2: Ik vraag reisadvies aan de balie.
- B1: Het reisadvies helpt om vertraging te vermijden.
- Pechhulp – Road assistance – مساعدة على الطريق
- A2: Ik bel de pechhulp.
- B1: Pechhulp helpt als je stil komt te staan.
- Verkeersinformatie – Traffic information – معلومات المرور
- A2: Ik luister naar de verkeersinformatie.
- B1: Verkeersinformatie waarschuwt voor files en wegwerkzaamheden.
- Omleiding – Detour – تحويلة
- A2: Er is een omleiding.
- B1: Door een omleiding duurt de reis langer.
- Werkzaamheden – Roadworks – أعمال طرق
- A2: De werkzaamheden zorgen voor vertraging.
- B1: Tijdens werkzaamheden worden wegen soms afgesloten.
- Routebeschrijving – Directions – وصف الطريق
- A2: Ik geef een routebeschrijving.
- B1: Een duidelijke routebeschrijving voorkomt misverstanden.
- File – Traffic jam – ازدحام مروري
- A2: Er staat een file.
- B1: Tijdens de spits zijn de files langer.
- Spitsuur – Rush hour – ساعة الذروة
- A2: In het spitsuur is het druk.
- B1: Tijdens het spitsuur kun je beter op tijd vertrekken.
- Tarief – Fare – تعريفة
- A2: Het tarief is laag.
- B1: De tarieven verschillen per regio.
- Zone – Zone – منطقة
- A2: Ik reis in de groene zone.
- B1: De prijs hangt af van de zone waarin je reist.
- Uitgang – Exit – مخرج
- A2: Ik loop naar de uitgang.
- B1: De uitgang staat aangegeven op borden.
- Automaat – Ticket machine – ماكينة التذاكر
- A2: Ik koop een kaartje bij de automaat.
- B1: De automaat geeft ook informatie over de vertrektijden.
- Abonnement – Subscription – اشتراك
- A2: Ik heb een abonnement.
- B1: Een abonnement maakt reizen goedkoper.
- Balie – Counter – شباك الخدمة
- A2: Ik vraag iets bij de balie.
- B1: Bij de balie kun je informatie en tickets krijgen.
- Vertrektijd – Departure time – وقت المغادرة
- A2: De vertrektijd is om 10 uur.
- B1: Controleer altijd je vertrektijd om op tijd te zijn.
- Aankomsttijd – Arrival time – وقت الوصول
- A2: De aankomsttijd is om 12 uur.
- B1: Door vertraging kan de aankomsttijd veranderen.
- Voorwaarden – Conditions – شروط
- A2: De voorwaarden staan op het ticket.
- B1: Lees de voorwaarden goed voordat je een ticket koopt.
- Lijn – Line – خط
- A2: Ik neem lijn 5.
- B1: Elke lijn heeft een eigen route en haltes.
Verkeersregels en rijbewijs (25 woorden)
- Rijbewijs – Driver’s license – رخصة قيادة
- A2: Ik haal mijn rijbewijs.
- B1: Zonder rijbewijs mag je niet rijden.
- Verkeersregels – Traffic rules – قواعد المرور
- A2: Ik leer de verkeersregels.
- B1: Verkeersregels zorgen voor veiligheid op de weg.
- Voorrang – Right of way – أولوية المرور
- A2: Jij hebt voorrang.
- B1: Voorrang geven voorkomt ongelukken.
- Boete – Fine – غرامة
- A2: Ik krijg een boete.
- B1: Boetes zijn hoog als je te hard rijdt.
- Controle – Check – تفتيش
- A2: Er is een controle.
- B1: Bij een controle moet je je papieren tonen.
- Gordel – Seatbelt – حزام الأمان
- A2: Ik draag mijn gordel.
- B1: De gordel vermindert de kans op letsel.
- Maximumsnelheid – Speed limit – الحد الأقصى للسرعة
- A2: De maximumsnelheid is 50.
- B1: De maximumsnelheid is anders in de stad en op de snelweg.
- Verkeerslicht – Traffic light – إشارة المرور
- A2: Het verkeerslicht is rood.
- B1: Een verkeerslicht regelt het verkeer op kruispunten.
- Verkeersbord – Traffic sign – لافتة المرور
- A2: Ik zie een verkeersbord.
- B1: Verkeersborden geven belangrijke informatie.
- Richtingaanwijzer – Indicator – إشارة الانعطاف
- A2: Ik zet mijn richtingaanwijzer aan.
- B1: De richtingaanwijzer laat zien waar je heen wilt.
- Inhalen – Overtake – تجاوز
- A2: Ik haal iemand in.
- B1: Inhalen mag alleen als het veilig is.
- Stoppen – Stop – توقف
- A2: Ik moet stoppen.
- B1: Stoppen is verplicht bij een stopbord.
- Ongeluk – Accident – حادث
- A2: Er is een ongeluk gebeurd.
- B1: Na een ongeluk bel je 112.
- Uitrit – Driveway – مخرج
- A2: Let op de uitrit.
- B1: Een uitrit moet vrij blijven.
- Alcoholcontrole – Alcohol check – فحص الكحول
- A2: Er is een alcoholcontrole.
- B1: Bij een alcoholcontrole wordt je getest op alcoholgebruik.
- Verzekering – Insurance – تأمين
- A2: Ik heb een verzekering nodig.
- B1: Een verzekering dekt schade bij ongelukken.
- Rijexamen – Driving test – اختبار القيادة
- A2: Ik doe mijn rijexamen.
- B1: Het rijexamen bestaat uit theorie en praktijk.
- Voetganger – Pedestrian – مُشاة
- A2: De voetganger wacht bij het zebrapad.
- B1: Voetgangers hebben voorrang bij een zebrapad.
- Overtreding – Violation – مخالفة
- A2: Hard rijden is een overtreding.
- B1: Voor een overtreding kun je een boete krijgen.
- Kruispunt – Intersection – تقاطع
- A2: Ik stop bij het kruispunt.
- B1: Op een kruispunt gelden verschillende voorrangsregels.
- Tolweg – Toll road – طريق برسوم
- A2: Dit is een tolweg.
- B1: Op een tolweg moet je betalen om te rijden.
- Parkeerverbod – No parking – ممنوع الوقوف
- A2: Hier geldt een parkeerverbod.
- B1: Een parkeerverbod voorkomt overlast en ongelukken.
- Gevaar – Danger – خطر
- A2: Pas op voor gevaar.
- B1: Verkeersborden waarschuwen voor gevaarlijke situaties.
- Rijstrook – Lane – مسار
- A2: Ik blijf op mijn rijstrook.
- B1: Wissel van rijstrook als dat veilig is.
- Verkeersagent – Traffic officer – شرطي المرور
- A2: De verkeersagent wijst de weg.
- B1: Een verkeersagent regelt het verkeer bij drukke wegen.
Hobby’s en sport (15 woorden)
- Ambacht – Craft – حرفة
- A2: Zij maakt ambachten van hout.
- B1: Ambachten zoals pottenbakken vereisen geduld en techniek.
- Competitie – Competition – مسابقة
- A2: Hij speelt in een competitie.
- B1: Een competitie helpt sporters om beter te worden.
- Strategie – Strategy – استراتيجية
- A2: Schaken heeft een strategie.
- B1: Een goede strategie kan een wedstrijd winnen.
- Concentratie – Concentration – تركيز
- A2: Ik heb concentratie nodig.
- B1: Concentratie is belangrijk bij precisiesporten.
- Uithoudingsvermogen – Endurance – قدرة التحمل
- A2: Hardlopen vraagt uithoudingsvermogen.
- B1: Zonder uithoudingsvermogen kun je geen marathon lopen.
- Inspanning – Effort – جهد
- A2: Sport kost inspanning.
- B1: Zonder inspanning bereik je geen sportieve doelen.
- Scheidsrechter – Referee – حكم
- A2: De scheidsrechter fluit.
- B1: De scheidsrechter moet neutraal blijven tijdens de wedstrijd.
- Acrobatiek – Acrobatics – ألعاب بهلوانية
- A2: Zij doet aan acrobatiek.
- B1: Acrobatiek vereist kracht en flexibiliteit.
- Duurzaamheid – Sustainability – استدامة
- A2: Mijn hobby is duurzaamheid.
- B1: Duurzaamheid in sport betekent milieuvriendelijke materialen gebruiken.
- Improvisatie – Improvisation – ارتجال
- A2: Ik doe improvisatie in dans.
- B1: Improvisatie maakt creatieve hobby’s interessanter.
- Tactiek – Tactic – تكتيك
- A2: Ik bedenk een tactiek.
- B1: In teamsporten is tactiek net zo belangrijk als snelheid.
- Choreografie – Choreography – تصميم الرقصات
- A2: De choreografie is moeilijk.
- B1: In dans is een choreografie een reeks geplande bewegingen.
- Evenwicht – Balance – توازن
- A2: Evenwicht helpt bij yoga.
- B1: Zonder evenwicht kun je geen moeilijke turnbewegingen doen.
- Spanning – Tension – توتر
- A2: De wedstrijd heeft spanning.
- B1: Spanning maakt sportwedstrijden interessanter.
- Beheersing – Control – تحكم
- A2: Ik heb beheersing nodig.
- B1: Goede beheersing van technieken voorkomt blessures.
Vakantie en reizen (15 woorden)
- Wildernis – Wilderness – برية
- A2: Ik wandel in de wildernis.
- B1: De wildernis biedt avontuurlijke vakantie-ervaringen.
- Ritueel – Ritual – طقس
- A2: Dit is een reisritueel.
- B1: Sommige culturen hebben rituelen voor vertrek op reis.
- Panorama – Panorama – منظر شامل
- A2: Het panorama is mooi.
- B1: Een bergtop biedt een indrukwekkend panorama.
- Authenticiteit – Authenticity – أصالة
- A2: Dit dorp heeft authenticiteit.
- B1: Reizigers zoeken vaak authenticiteit in hun vakantiebestemming.
- Seizoensgebonden – Seasonal – موسمي
- A2: Dit hotel is seizoensgebonden.
- B1: Seizoensgebonden toerisme beïnvloedt lokale economieën.
- Cultuurschok – Culture shock – صدمة ثقافية
- A2: Ik heb een cultuurschok.
- B1: Een cultuurschok ervaren is normaal bij verre reizen.
- Reisgids – Travel guide – دليل السفر
- A2: Ik koop een reisgids.
- B1: Een reisgids helpt je om verborgen plekken te ontdekken.
- Schilderachtig – Picturesque – خلاب
- A2: Dit dorp is schilderachtig.
- B1: Schilderachtige dorpjes zijn populair bij fotografen.
- Tijdsverschil – Time difference – فرق التوقيت
- A2: Er is tijdsverschil.
- B1: Tijdsverschil kan zorgen voor een jetlag.
- Avontuurlijk – Adventurous – مغامر
- A2: Mijn reis is avontuurlijk.
- B1: Avontuurlijke reizigers kiezen voor extreme sporten.
- Onderdak – Accommodation – مَأْوَى
- A2: Ik zoek onderdak.
- B1: Goed onderdak maakt een reis aangenamer.
- Verkenning – Exploration – استكشاف
- A2: Ik houd van verkenning.
- B1: Verkenning van onbekende gebieden maakt reizen spannend.
- Reservering – Reservation – حجز
- A2: Ik maak een reservering.
- B1: Zonder reservering kan een hotel volgeboekt zijn.
- Lokale keuken – Local cuisine – المطبخ المحلي
- A2: Ik probeer de lokale keuken.
- B1: De lokale keuken vertelt veel over een cultuur.
- Reisbudget – Travel budget – ميزانية السفر
- A2: Mijn reisbudget is klein.
- B1: Een reisbudget helpt om kosten onder controle te houden.
Musea, films en muziek (20 woorden)
- Expositie – Exhibition – معرض
- A2: Ik bezoek een expositie.
- B1: Een expositie toont kunstwerken van verschillende stijlen.
- Restauratie – Restoration – ترميم
- A2: De restauratie duurt lang.
- B1: Restauratie van schilderijen helpt om kunst te bewaren.
- Abstract – Abstract – تجريدي
- A2: Dit kunstwerk is abstract.
- B1: Abstracte kunst laat ruimte voor interpretatie.
- Script – Script – نص سيناريو
- A2: De film heeft een script.
- B1: Een goed script maakt een film interessant.
- Soundtrack – Soundtrack – موسيقى تصويرية
- A2: Ik houd van deze soundtrack.
- B1: Een sterke soundtrack versterkt de sfeer van een film.
- Lichtinval – Lighting – إضاءة
- A2: De lichtinval is mooi.
- B1: Lichtinval speelt een belangrijke rol in fotografie.
- Compositie – Composition – تكوين
- A2: De compositie is perfect.
- B1: Een goede compositie maakt een schilderij boeiend.
- Expressie – Expression – تعبير
- A2: Zijn gezicht toont expressie.
- B1: Expressie in muziek laat emoties horen.
- Première – Premiere – العرض الأول
- A2: De première is vandaag.
- B1: Een film krijgt veel aandacht bij de première.
- Authentiek – Authentic – أصيل
- A2: Deze muziek is authentiek.
- B1: Authentieke kunst weerspiegelt een cultuur.
- Beeldhouwwerk – Sculpture – نحت
- A2: Dit museum heeft beeldhouwwerk.
- B1: Beeldhouwwerk kan van steen, hout of metaal gemaakt zijn.
- Coulissen – Backstage – خلف الكواليس
- A2: Ik kijk achter de coulissen.
- B1: Achter de coulissen werken veel mensen aan een voorstelling.
- Folklore – Folklore – تراث شعبي
- A2: Dit dansfeest hoort bij de folklore.
- B1: Folklore vertelt veel over de geschiedenis van een land.
- Interpretatie – Interpretation – تفسير
- A2: Mijn interpretatie van het schilderij is anders.
- B1: Kunst laat ruimte voor persoonlijke interpretatie.
- Meeslepend – Immersive – مثير
- A2: Deze film is meeslepend.
- B1: Een meeslepend verhaal houdt de aandacht vast.
- Recensie – Review – مراجعة
- A2: Ik lees een recensie van de film.
- B1: Een goede recensie kan meer mensen naar de bioscoop trekken.
- Aquarel – Watercolor – ألوان مائية
- A2: Dit schilderij is met aquarel gemaakt.
- B1: Aquareltechnieken vragen precisie en controle.
- Stijlrichting – Artistic movement – حركة فنية
- A2: Dit museum toont verschillende stijlrichtingen.
- B1: Elke stijlrichting heeft unieke kenmerken en technieken.
- Vertolking – Performance – أداء
- A2: Zijn vertolking van de rol was goed.
- B1: Een sterke vertolking kan een film of theaterstuk bijzonder maken.
- Tempo – Tempo – إيقاع
- A2: De muziek heeft een snel tempo.
- B1: Het tempo bepaalt de energie van een muziekstuk.
Aanvulling Vrije Tijd en Cultuur
- Avant-garde – Avant-garde – الطليعة
- A2: Dit is avant-garde kunst.
- B1: Avant-garde kunst doorbreekt traditionele regels en stijlen.
- Decorum – Decorum – لياقة
- A2: In het museum is decorum belangrijk.
- B1: Tijdens klassieke concerten geldt een bepaald decorum.
- Vertolking – Interpretation – تفسير
- A2: Zijn vertolking is mooi.
- B1: Een acteur kan een rol op verschillende manieren vertolken.
- Verwondering – Amazement – دهشة
- A2: Dit schilderij geeft mij verwondering.
- B1: Verwondering maakt kunstbeleving intenser.
- Repertoire – Repertoire – ذخيرة فنية
- A2: De zanger heeft een breed repertoire.
- B1: Een repertoire toont de veelzijdigheid van een artiest.
- Kunststroming – Art movement – حركة فنية
- A2: Ik leer over een kunststroming.
- B1: Het impressionisme is een bekende kunststroming.
- Patronen – Patterns – أنماط
- A2: Ik zie patronen in de muziek.
- B1: Patronen in schilderijen kunnen culturele betekenissen hebben.
- Aquarel – Watercolor – ألوان مائية
- A2: Ik schilder met aquarel.
- B1: Aquareltechnieken geven een zacht effect aan schilderijen.
- Kritiek – Criticism – نقد
- A2: Hij geeft kritiek op de film.
- B1: Constructieve kritiek helpt kunstenaars om hun werk te verbeteren.
- Coulissen – Backstage – خلف الكواليس
- A2: Achter de coulissen is het druk.
- B1: In de coulissen bereiden acteurs zich voor op hun optreden.
Aanvulling Vrije Tijd en Cultuur
- Beeldhouwwerk – Sculpture – نحت
- A2: Dit museum heeft beeldhouwwerk.
- B1: Beeldhouwwerk kan van steen, hout of metaal gemaakt zijn.
- Coulissen – Backstage – خلف الكواليس
- A2: Ik kijk achter de coulissen.
- B1: Achter de coulissen werken veel mensen aan een voorstelling.
- Folklore – Folklore – تراث شعبي
- A2: Dit dansfeest hoort bij de folklore.
- B1: Folklore vertelt veel over de geschiedenis van een land.
- Interpretatie – Interpretation – تفسير
- A2: Mijn interpretatie van het schilderij is anders.
- B1: Kunst laat ruimte voor persoonlijke interpretatie.
- Meeslepend – Immersive – مثير
- A2: Deze film is meeslepend.
- B1: Een meeslepend verhaal houdt de aandacht vast.
- Recensie – Review – مراجعة
- A2: Ik lees een recensie van de film.
- B1: Een goede recensie kan meer mensen naar de bioscoop trekken.
- Aquarel – Watercolor – ألوان مائية
- A2: Dit schilderij is met aquarel gemaakt.
- B1: Aquareltechnieken vragen precisie en controle.
- Stijlrichting – Artistic movement – حركة فنية
- A2: Dit museum toont verschillende stijlrichtingen.
- B1: Elke stijlrichting heeft unieke kenmerken en technieken.
- Vertolking – Performance – أداء
- A2: Zijn vertolking van de rol was goed.
- B1: Een sterke vertolking kan een film of theaterstuk bijzonder maken.
- Tempo – Tempo – إيقاع
- A2: De muziek heeft een snel tempo.
- B1: Het tempo bepaalt de energie van een muziekstuk.
Dokter, tandarts en ziekenhuis (15 woorden)
- Consult – Consultation – استشارة
- A2: Ik heb een consult bij de dokter.
- B1: Tijdens een consult bespreekt de arts de symptomen.
- Verdoving – Anesthesia – تخدير
- A2: De tandarts geeft een verdoving.
- B1: Verdoving helpt om pijn tijdens een behandeling te verminderen.
- Wachtlijst – Waiting list – قائمة الانتظار
- A2: Ik sta op de wachtlijst.
- B1: Voor sommige operaties is de wachtlijst erg lang.
- Spoedeisend – Urgent – عاجل
- A2: Dit is spoedeisend.
- B1: Spoedeisende zorg is nodig bij ernstige verwondingen.
- Bloeddruk – Blood pressure – ضغط الدم
- A2: De dokter meet mijn bloeddruk.
- B1: Hoge bloeddruk kan gevaarlijk zijn voor de gezondheid.
- Röntgenfoto – X-ray – صورة أشعة
- A2: Ik krijg een röntgenfoto.
- B1: Een röntgenfoto helpt om botbreuken te zien.
- Fysiotherapie – Physiotherapy – علاج طبيعي
- A2: Ik ga naar fysiotherapie.
- B1: Fysiotherapie helpt bij herstel na een blessure.
- Desinfectie – Disinfection – تعقيم
- A2: Desinfectie doodt bacteriën.
- B1: In ziekenhuizen is desinfectie erg belangrijk om infecties te voorkomen.
- Infuus – IV drip – مغذي وريدي
- A2: De patiënt krijgt een infuus.
- B1: Een infuus geeft vocht en medicijnen direct in het bloed.
- Second opinion – Second opinion – رأي طبي آخر
- A2: Ik vraag een second opinion.
- B1: Een second opinion kan helpen bij moeilijke medische beslissingen.
- Hechtingen – Stitches – غرز
- A2: De dokter zet hechtingen.
- B1: Hechtingen helpen een diepe wond goed te genezen.
- Verlamming – Paralysis – شلل
- A2: Verlamming betekent dat ik niet kan bewegen.
- B1: Verlamming kan tijdelijk of blijvend zijn.
- Hartritme – Heart rate – معدل ضربات القلب
- A2: De dokter controleert mijn hartritme.
- B1: Een onregelmatig hartritme kan gevaarlijk zijn.
- Slaaptekort – Sleep deprivation – قلة النوم
- A2: Ik heb slaaptekort.
- B1: Slaaptekort kan leiden tot concentratieproblemen.
- Zorgverzekering – Health insurance – تأمين صحي
- A2: Ik heb een zorgverzekering.
- B1: Zonder zorgverzekering kunnen doktersbezoeken duur zijn.
Ziekte en medicijnen (15 woorden)
- Bijwerking – Side effect – تأثير جانبي
- A2: Dit medicijn heeft een bijwerking.
- B1: Sommige medicijnen hebben ernstige bijwerkingen.
- Resistentie – Resistance – مقاومة
- A2: Bacteriën krijgen resistentie.
- B1: Antibiotica-resistentie maakt sommige infecties moeilijk te behandelen.
- Allergie – Allergy – حساسية
- A2: Ik heb een allergie voor pollen.
- B1: Allergieën kunnen huiduitslag of ademhalingsproblemen veroorzaken.
- Ontsteking – Inflammation – التهاب
- A2: Mijn keel heeft een ontsteking.
- B1: Ontstekingen kunnen door virussen of bacteriën ontstaan.
- Chronisch – Chronic – مزمن
- A2: Ik heb een chronische ziekte.
- B1: Chronische ziekten vereisen langdurige behandeling.
- Dosering – Dosage – جرعة
- A2: De dosering is één pil per dag.
- B1: Een verkeerde dosering kan gevaarlijk zijn.
- Bloedtest – Blood test – تحليل الدم
- A2: Ik krijg een bloedtest.
- B1: Een bloedtest kan tekorten en ziektes opsporen.
- Koortsremmer – Fever reducer – خافض للحرارة
- A2: Ik neem een koortsremmer.
- B1: Een koortsremmer helpt bij hoge temperaturen.
- Revalidatie – Rehabilitation – إعادة تأهيل
- A2: Na de operatie komt revalidatie.
- B1: Revalidatie kan maanden duren na een ongeluk.
- Injectie – Injection – حقنة
- A2: De dokter geeft een injectie.
- B1: Een injectie werkt sneller dan een pil.
- Vaccinatie – Vaccination – تطعيم
- A2: Ik krijg een vaccinatie.
- B1: Vaccinatie beschermt tegen besmettelijke ziektes.
- Diarree – Diarrhea – إسهال
- A2: Diarree is vervelend.
- B1: Diarree kan door besmet voedsel ontstaan.
- Migraine – Migraine – صداع نصفي
- A2: Ik heb migraine.
- B1: Migraine veroorzaakt hoofdpijn en misselijkheid.
- Oorontsteking – Ear infection – التهاب الأذن
- A2: Mijn kind heeft een oorontsteking.
- B1: Oorontstekingen komen vaak voor bij jonge kinderen.
- Patiëntenrechten – Patient rights – حقوق المرضى
- A2: Patiënten hebben rechten.
- B1: Patiëntenrechten zorgen voor goede medische zorg.
Gezond leven en voeding (20 woorden)
- Vitaminen – Vitamins – فيتامينات
- A2: Vitaminen zijn gezond.
- B1: Vitaminen helpen het lichaam sterk te blijven.
- Eiwitten – Proteins – بروتينات
- A2: Eiwitten zijn goed voor spieren.
- B1: Sporters eten extra eiwitten voor spierherstel.
- Metabolisme – Metabolism – الأيض
- A2: Mijn metabolisme is snel.
- B1: Een traag metabolisme kan gewichtstoename veroorzaken.
- Suikergehalte – Sugar level – مستوى السكر
- A2: Mijn suikergehalte is laag.
- B1: Suikergehalte is belangrijk voor diabetici.
- Superfoods – Superfoods – أطعمة خارقة
- A2: Blauwe bessen zijn superfoods.
- B1: Superfoods bevatten veel gezonde stoffen.
- Hydratatie – Hydration – ترطيب
- A2: Water zorgt voor hydratatie.
- B1: Goede hydratatie voorkomt uitdroging.
- Onverzadigd vet – Unsaturated fat – دهون غير مشبعة
- A2: Onverzadigd vet is gezond.
- B1: Onverzadigde vetten zitten in noten en vis.
- Bloedsuikerspiegel – Blood sugar level – نسبة السكر في الدم
- A2: Mijn bloedsuikerspiegel is laag.
- B1: Een stabiele bloedsuikerspiegel voorkomt energieproblemen.
- Glutenintolerantie – Gluten intolerance – حساسية الغلوتين
- A2: Hij heeft glutenintolerantie.
- B1: Mensen met glutenintolerantie eten geen tarweproducten.
- Darmflora – Gut flora – بكتيريا الأمعاء
- A2: Gezonde darmflora is belangrijk.
- B1: Darmflora beïnvloedt de spijsvertering en het immuunsysteem.
- Kraamzorg – Maternity care – رعاية الأمومة
- A2: Na de geboorte krijgt de moeder kraamzorg.
- B1: Kraamzorg helpt moeders en baby’s in de eerste dagen na de bevalling.
- Preventie – Prevention – الوقاية
- A2: Gezond eten helpt bij ziektepreventie.
- B1: Preventie is beter dan genezen, vooral bij chronische ziekten.
- Wondverzorging – Wound care – العناية بالجروح
- A2: Ik doe een pleister voor wondverzorging.
- B1: Goede wondverzorging voorkomt infecties en versnelt genezing.
- Mentale gezondheid – Mental health – الصحة النفسية
- A2: Mentale gezondheid is belangrijk.
- B1: Stress en slaaptekort kunnen de mentale gezondheid beïnvloeden.
- Voedselallergie – Food allergy – حساسية الطعام
- A2: Mijn broer heeft een voedselallergie.
- B1: Mensen met een voedselallergie moeten goed letten op wat ze eten.
- Hartstilstand – Cardiac arrest – توقف القلب
- A2: Een hartstilstand is gevaarlijk.
- B1: Bij een hartstilstand is reanimatie direct nodig.
- Verstikking – Choking – الاختناق
- A2: Kleine kinderen kunnen snel verstikken.
- B1: Verstikking door voedsel kan levensgevaarlijk zijn.
- Nierfunctie – Kidney function – وظائف الكلى
- A2: De dokter controleert mijn nierfunctie.
- B1: Slechte nierfunctie kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen.
- Koolhydraten – Carbohydrates – الكربوهيدرات
- A2: Brood bevat veel koolhydraten.
- B1: Koolhydraten geven energie, maar te veel kan ongezond zijn.
- Stofwisseling – Metabolism – التمثيل الغذائي
- A2: Mijn stofwisseling is langzaam.
- B1: Beweging en voeding beïnvloeden de snelheid van de stofwisseling.
Huisvesting en huurcontracten (15 woorden)
- Huurwaarborg – Rental deposit – وديعة الإيجار
- A2: Ik betaal een huurwaarborg.
- B1: De huurwaarborg wordt terugbetaald als er geen schade is.
- Opzegtermijn – Notice period – فترة الإشعار
- A2: De opzegtermijn is een maand.
- B1: Je moet op tijd opzeggen om problemen met de verhuurder te voorkomen.
- Makelaarskosten – Brokerage fees – رسوم الوكالة العقارية
- A2: Ik betaal makelaarskosten voor het nieuwe huis.
- B1: Makelaarskosten verschillen per stad en per makelaar.
- Onderhuur – Subletting – تأجير فرعي
- A2: Dit huis is in onderhuur.
- B1: Onderhuur is niet altijd toegestaan volgens het huurcontract.
- Kadastrale gegevens – Land registry data – بيانات السجل العقاري
- A2: De kadastrale gegevens tonen wie de eigenaar is.
- B1: Kadastrale gegevens zijn nodig bij de koop van een woning.
- Huurindexering – Rent indexation – تعديل الإيجار
- A2: Mijn huur wordt elk jaar verhoogd door huurindexering.
- B1: Huurindexering zorgt ervoor dat de huur stijgt met de inflatie.
- Eigendomsakte – Deed of ownership – سند الملكية
- A2: De eigendomsakte bewijst wie de eigenaar is.
- B1: Zonder een eigendomsakte kun je geen huis verkopen.
- Huurbescherming – Tenant protection – حماية المستأجر
- A2: Dankzij huurbescherming kan ik niet zomaar uit huis gezet worden.
- B1: De wet regelt huurbescherming om huurders te beschermen.
- Servicekosten – Service charges – تكاليف الخدمات
- A2: Mijn servicekosten zijn €50 per maand.
- B1: Servicekosten betalen voor onderhoud van het gebouw en schoonmaak.
- Erfpacht – Leasehold – حق الانتفاع
- A2: Dit huis staat op erfpachtgrond.
- B1: Bij erfpacht blijft de grond eigendom van de gemeente.
- Voorschot – Advance payment – دفعة مقدمة
- A2: Ik betaal een voorschot voor mijn energiekosten.
- B1: Een te hoog voorschot kan zorgen voor een teruggave aan het einde van het jaar.
- Opstalverzekering – Building insurance – تأمين المبنى
- A2: Mijn opstalverzekering dekt brandschade.
- B1: Verplichte opstalverzekering voorkomt grote financiële risico’s.
- Bezitterslasten – Ownership costs – تكاليف الملكية
- A2: Als huiseigenaar heb ik bezitterslasten.
- B1: Onroerendgoedbelasting is een van de bezitterslasten.
- Huurcommissie – Rent tribunal – لجنة الإيجارات
- A2: De huurcommissie controleert of de huur eerlijk is.
- B1: Je kunt naar de huurcommissie stappen bij een huurconflict.
- Zonwering – Sunshade – واقي من الشمس
- A2: Ik installeer zonwering voor mijn raam.
- B1: Zonwering helpt om het huis koel te houden in de zomer.
Woonwijken en buren (15 woorden)
- Buurtpreventie – Neighborhood watch – مراقبة الحي
- A2: Onze straat heeft buurtpreventie.
- B1: Buurtpreventie helpt om inbraken te voorkomen.
- Gemeenschappelijke tuin – Shared garden – حديقة مشتركة
- A2: Wij hebben een gemeenschappelijke tuin.
- B1: Een gemeenschappelijke tuin wordt door alle bewoners onderhouden.
- Leefbaarheid – Livability – جودة الحياة
- A2: De leefbaarheid in onze wijk is goed.
- B1: Hoge leefbaarheid betekent schone straten en weinig overlast.
- Geluidsoverlast – Noise nuisance – إزعاج الضوضاء
- A2: Mijn buren maken geluidsoverlast.
- B1: Geluidsoverlast kan een reden zijn om naar de gemeente te gaan.
- Wijkvereniging – Neighborhood association – جمعية الحي
- A2: Ik ben lid van de wijkvereniging.
- B1: De wijkvereniging organiseert activiteiten voor bewoners.
- Huurdersoverleg – Tenant meeting – اجتماع المستأجرين
- A2: Er is huurdersoverleg in mijn flat.
- B1: Tijdens huurdersoverleg bespreken we klachten over de verhuurder.
- Sociale cohesie – Social cohesion – التماسك الاجتماعي
- A2: Goede buren zorgen voor sociale cohesie.
- B1: Sociale cohesie versterkt de band tussen mensen in een wijk.
- Gentrificatie – Gentrification – تجميل الأحياء
- A2: De buurt verandert door gentrificatie.
- B1: Gentrificatie kan zowel voordelen als nadelen hebben voor bewoners.
- Verpaupering – Urban decay – تدهور حضري
- A2: Deze wijk heeft last van verpaupering.
- B1: Verpaupering ontstaat als huizen en straten slecht onderhouden worden.
- Burenruzie – Neighbor dispute – نزاع الجيران
- A2: Ik heb een burenruzie over geluid.
- B1: Een burenruzie kan opgelost worden met bemiddeling.
- Omgevingsvergunning – Environmental permit – تصريح بيئي
- A2: Ik heb een omgevingsvergunning nodig.
- B1: Een omgevingsvergunning is verplicht bij grote verbouwingen.
- Groenvoorziening – Green space – المساحات الخضراء
- A2: De groenvoorziening in mijn wijk is goed.
- B1: Meer groenvoorziening verbetert de luchtkwaliteit in steden.
- Speeltuinbeleid – Playground policy – سياسة الملاعب
- A2: De gemeente heeft nieuw speeltuinbeleid.
- B1: Speeltuinbeleid bepaalt waar speelplekken voor kinderen komen.
- Buurtbemiddeling – Neighborhood mediation – وساطة الحي
- A2: Ik vraag buurtbemiddeling bij ruzie.
- B1: Buurtbemiddeling helpt bij conflicten tussen buren.
- Hangjongeren – Loitering youth – الشباب المتسكع
- A2: Er zijn hangjongeren in het park.
- B1: De gemeente zoekt een oplossing voor hangjongeren in de wijk.
Gemeente en regels (20 woorden)
- Huisvestingsvergunning – Housing permit – تصريح السكن
- A2: Je hebt een huisvestingsvergunning nodig om hier te wonen. (You need a housing permit to live here. – تحتاج إلى تصريح سكن للعيش هنا.)
- B1: In sommige steden is een huisvestingsvergunning verplicht om woningtekorten te beheersen. (In some cities, a housing permit is required to control housing shortages. – في بعض المدن، يكون تصريح السكن إلزاميًا للتحكم في نقص المساكن.)
- Afvalscheiding – Waste separation – فصل النفايات
- A2: Wij gooien plastic en papier apart weg. (We throw away plastic and paper separately. – نحن نرمي البلاستيك والورق بشكل منفصل.)
- B1: Afvalscheiding helpt bij het recyclen en vermindert de hoeveelheid restafval. (Waste separation helps with recycling and reduces residual waste. – فصل النفايات يساعد في إعادة التدوير ويقلل من النفايات المتبقية.)
- Welstandseisen – Aesthetic requirements – متطلبات جمالية
- A2: Het huis moet mooi passen in de straat. (The house must look nice in the street. – يجب أن يتناسب المنزل بشكل جميل مع الشارع.)
- B1: De gemeente stelt welstandseisen om de uitstraling van de wijk te bewaken. (The municipality sets aesthetic requirements to maintain the appearance of the neighborhood. – تضع البلدية متطلبات جمالية للحفاظ على مظهر الحي.)
- Grondwaterpeil – Groundwater level – مستوى المياه الجوفية
- A2: Het grondwaterpeil is laag na een droge zomer. (The groundwater level is low after a dry summer. – مستوى المياه الجوفية منخفض بعد صيف جاف.)
- B1: Door klimaatverandering schommelt het grondwaterpeil steeds vaker. (Due to climate change, the groundwater level fluctuates more often. – بسبب تغير المناخ، يتغير مستوى المياه الجوفية بشكل متكرر.)
- Loodvervuiling – Lead pollution – تلوث الرصاص
- A2: Lood in de grond is slecht voor je gezondheid. (Lead in the soil is bad for your health. – الرصاص في التربة ضار بصحتك.)
- B1: Oude waterleidingen kunnen zorgen voor loodvervuiling in drinkwater. (Old water pipes can cause lead pollution in drinking water. – يمكن أن تتسبب أنابيب المياه القديمة في تلوث الرصاص في مياه الشرب.)
- Bestemmingsplan – Zoning plan – مخطط تقسيم المناطق
- A2: In het bestemmingsplan staat wat hier gebouwd mag worden. (The zoning plan states what can be built here. – يحدد مخطط تقسيم المناطق ما يمكن بناؤه هنا.)
- B1: Het bestemmingsplan bepaalt of een stuk grond voor wonen of werken gebruikt mag worden. (The zoning plan determines whether land can be used for housing or work. – يحدد مخطط تقسيم المناطق ما إذا كانت الأرض مخصصة للسكن أو العمل.)
- Onderhoudsplicht – Maintenance obligation – التزام الصيانة
- A2: De eigenaar moet het huis goed onderhouden. (The owner must maintain the house well. – يجب على المالك صيانة المنزل جيدًا.)
- B1: Een verhuurder heeft een onderhoudsplicht om het huis veilig en leefbaar te houden. (A landlord has a maintenance obligation to keep the house safe and livable. – يجب على المؤجر الالتزام بالصيانة للحفاظ على المنزل آمنًا وصالحًا للعيش.)
- Omgevingsgeluid – Environmental noise – الضوضاء البيئية
- A2: Het verkeer maakt veel lawaai in de stad. (Traffic makes a lot of noise in the city. – حركة المرور تصدر الكثير من الضوضاء في المدينة.)
- B1: Hoge omgevingsgeluiden kunnen zorgen voor stress en slaaptekort. (High environmental noise levels can cause stress and sleep deprivation. – يمكن أن تؤدي الضوضاء البيئية العالية إلى التوتر وقلة النوم.)
- Energielabel – Energy label – ملصق الطاقة
- A2: Mijn huis heeft energielabel A, dat is zuinig. (My house has energy label A, which is efficient. – منزلي يحمل ملصق الطاقة A، وهو اقتصادي.)
- B1: Een goed energielabel verlaagt de stookkosten en verhoogt de woningwaarde. (A good energy label lowers heating costs and increases home value. – ملصق الطاقة الجيد يقلل من تكاليف التدفئة ويزيد من قيمة المنزل.)
- Zelfbewoningsplicht – Owner-occupancy requirement – شرط السكن الذاتي
- A2: De koper moet zelf in het huis gaan wonen. (The buyer must live in the house himself. – يجب أن يسكن المشتري في المنزل بنفسه.)
- B1: Met een zelfbewoningsplicht wil de gemeente huisjesmelkers tegengaan. (With an owner-occupancy requirement, the municipality wants to prevent housing speculators. – تهدف البلدية بشرط السكن الذاتي إلى منع المضاربين في العقارات.)
- Bodemonderzoek – Soil research – فحص التربة
- A2: Eerst wordt de grond onderzocht voordat er gebouwd wordt. (The soil is examined before building starts. – يتم فحص التربة أولاً قبل البدء في البناء.)
- B1: Een bodemonderzoek controleert of de grond schoon en veilig is voor gebruik. (A soil study checks if the ground is clean and safe for use. – يتحقق فحص التربة مما إذا كانت الأرض نظيفة وآمنة للاستخدام.)
- Slopen – Demolition – هدم
- A2: Het oude gebouw wordt gesloopt. (The old building is being demolished. – يتم هدم المبنى القديم.)
- B1: Soms is slopen goedkoper dan renoveren. (Sometimes, demolishing is cheaper than renovating. – في بعض الأحيان، يكون الهدم أرخص من التجديد.)
- Kabelrechten – Cable rights – حقوق الكابلات
- A2: De kabelrechten regelen wie de kabels mag gebruiken. (Cable rights determine who can use the cables. – تحدد حقوق الكابلات من يمكنه استخدامها.)
- B1: Zonder kabelrechten mag een bedrijf geen internet of tv aanbieden. (Without cable rights, a company cannot offer internet or TV services. – بدون حقوق الكابلات، لا يمكن للشركة تقديم خدمات الإنترنت أو التلفزيون.)
- Verduurzaming – Sustainability – الاستدامة
- A2: Het huis krijgt zonnepanelen voor verduurzaming. (The house gets solar panels for sustainability. – يحصل المنزل على ألواح شمسية من أجل الاستدامة.)
- B1: Subsidies helpen bij de verduurzaming van oude woningen. (Subsidies help make old homes more sustainable. – تساعد الإعانات في جعل المنازل القديمة أكثر استدامة.)
- Toegankelijkheidseisen – Accessibility requirements – متطلبات الوصول
- A2: De ingang moet breed genoeg zijn voor een rolstoel. (The entrance must be wide enough for a wheelchair. – يجب أن يكون المدخل واسعًا بما يكفي لكرسي متحرك.)
- B1: Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan strenge toegankelijkheidseisen. (New buildings must meet strict accessibility requirements. – يجب أن تلتزم المباني الجديدة بمتطلبات وصول صارمة.)
Verhuizing (15 woorden)
- Verhuisdoos – Moving box – صندوق النقل
- A2: Ik pak mijn boeken in een verhuisdoos.
- B1: Grote verhuisdozen maken het makkelijker om spullen te vervoeren.
- Inboedel – Household goods – الأثاث المنزلي
- A2: Mijn inboedel past in tien dozen.
- B1: Bij een verzekering moet je de waarde van je inboedel opgeven.
- Verhuisbedrijf – Moving company – شركة نقل
- A2: Wij huren een verhuisbedrijf voor de zware spullen.
- B1: Een verhuisbedrijf bespaart tijd en moeite bij een grote verhuizing.
- Adreswijziging – Address change – تغيير العنوان
- A2: Ik geef mijn adreswijziging door aan de bank.
- B1: Een adreswijziging moet je ook melden bij de gemeente en verzekeringen.
- Tijdelijke opslag – Temporary storage – تخزين مؤقت
- A2: Mijn meubels staan in tijdelijke opslag.
- B1: Tijdelijke opslag is handig als je huis nog niet klaar is.
- Verhuisstress – Moving stress – توتر الانتقال
- A2: Verhuizen geeft mij verhuisstress.
- B1: Een goede planning helpt om verhuisstress te verminderen.
- Sleuteloverdracht – Key transfer – تسليم المفتاح
- A2: Morgen is de sleuteloverdracht van mijn huis.
- B1: Bij de sleuteloverdracht controleert de huurder of alles in orde is.
- Woninginspectie – Home inspection – فحص المنزل
- A2: De woninginspectie is voor de verhuizing.
- B1: Een woninginspectie voorkomt problemen over schade na de verhuizing.
- Oplevering – Handover – تسليم
- A2: De oplevering van mijn oude huis is morgen.
- B1: Bij de oplevering controleert de eigenaar of alles netjes is achtergelaten.
- Verhuisvergoeding – Moving allowance – بدل النقل
- A2: Mijn werkgever betaalt een verhuisvergoeding.
- B1: Een verhuisvergoeding helpt bij de kosten van een zakelijke verhuizing.
- Verhuisschema – Moving schedule – جدول الانتقال
- A2: Mijn verhuisschema helpt met plannen.
- B1: Een goed verhuisschema voorkomt stress en tijdverlies.
- Huurcontract beëindigen – Terminate lease – إنهاء عقد الإيجار
- A2: Ik moet mijn huurcontract beëindigen.
- B1: Een huurcontract beëindigen moet op tijd gebeuren volgens de regels.
- Emigreren – Emigrate – الهجرة
- A2: Mijn zus emigreert naar Canada.
- B1: Emigreren vraagt om veel papierwerk en planning.
- Opstalrecht – Building rights – حق البناء
- A2: Dit huis heeft opstalrecht.
- B1: Bij opstalrecht is de grond niet van de eigenaar van het huis.
- Huurwaarborg – Rental deposit – وديعة الإيجار
- A2: Ik betaal een huurwaarborg van 500 euro.
- B1: De huurwaarborg wordt terugbetaald als er geen schade is aan de woning.
Migratie (15 woorden)
Asielprocedure
- A1: De asielprocedure is belangrijk.
- A2: De asielprocedure duurt lang.
- B1: Tijdens de asielprocedure moet je documenten en bewijsstukken indienen.
- B2: De asielprocedure omvat verschillende juridische stappen en kan per land verschillen.
Vluchtelingenstatus
- A1: Hij is een vluchteling.
- A2: Hij heeft vluchtelingenstatus gekregen.
- B1: Met een vluchtelingenstatus mag je in het land blijven en werken.
- B2: Een vluchtelingenstatus wordt toegekend aan mensen die aantoonbaar gevaar lopen in hun thuisland.
Verblijfsvergunning
- A1: Ik wil hier blijven.
- A2: Ik heb een verblijfsvergunning nodig.
- B1: Zonder verblijfsvergunning mag je niet werken in dit land.
- B2: Een verblijfsvergunning wordt meestal verleend op basis van asiel, werk of gezinshereniging.
Naturalisatie
- A1: Ik krijg een paspoort.
- A2: Naturalisatie betekent een nieuw paspoort krijgen.
- B1: Na vijf jaar verblijf kun je een aanvraag doen voor naturalisatie.
- B2: De naturalisatieprocedure vereist onder andere een taaltoets en inburgeringsexamen.
Gezinshereniging
- A1: Mijn familie komt hier.
- A2: Hij vraagt gezinshereniging aan.
- B1: Gezinshereniging is mogelijk als je genoeg geld verdient.
- B2: Gezinshereniging kan een lange en bureaucratische procedure zijn, afhankelijk van de wetgeving.
Illegaal verblijf
- A1: Hij mag hier niet wonen.
- A2: Illegaal verblijf is niet toegestaan.
- B1: Mensen met illegaal verblijf hebben vaak geen rechten op hulp.
- B2: Illegaal verblijf kan leiden tot uitzetting of een asielaanvraag.
Mensenhandel
- A1: Mensenhandel is slecht.
- A2: Mensenhandel is een groot probleem.
- B1: Mensenhandelaren verdienen geld door mensen illegaal te vervoeren.
- B2: Overheden bestrijden mensenhandel met strengere wetten en internationale samenwerking.
Migratiedienst
- A1: Ik ga naar een kantoor.
- A2: Ik ga naar de migratiedienst.
- B1: De migratiedienst helpt bij het aanvragen van een visum.
- B2: De migratiedienst beoordeelt aanvragen en controleert de naleving van immigratiewetten.
Internationale bescherming
- A1: Hij krijgt hulp.
- A2: Hij krijgt internationale bescherming.
- B1: Internationale bescherming geldt voor mensen die gevaar lopen in hun land.
- B2: Internationale bescherming kan worden verleend in de vorm van asiel of subsidiaire bescherming.
Oorlogsvluchteling
- A1: Hij vlucht voor oorlog.
- A2: Hij is een oorlogsvluchteling.
- B1: Oorlogsvluchtelingen krijgen vaak snel een verblijfsvergunning.
- B2: Oorlogsvluchtelingen hebben vaak traumatische ervaringen en behoefte aan psychologische hulp.
Inburgeringscursus
- A1: Ik leer Nederlands.
- A2: Ik volg een inburgeringscursus om Nederlands te leren.
- B1: Een inburgeringscursus helpt nieuwkomers om de taal en cultuur beter te begrijpen.
- B2: De inburgeringscursus is verplicht voor sommige migranten en omvat zowel taal als maatschappelijke oriëntatie.
Taalbarrière
- A1: Ik begrijp jou niet.
- A2: De taalbarrière maakt praten moeilijk.
- B1: Door de taalbarrière kunnen sommige mensen geen goede baan vinden.
- B2: Taalbarrières kunnen leiden tot miscommunicatie en sociale isolatie bij migranten.
Cultuurschok
- A1: Alles is hier anders.
- A2: In een nieuw land kun je een cultuurschok krijgen.
- B1: Een cultuurschok ontstaat als je moet wennen aan andere gewoontes en regels.
- B2: Cultuurschokken variëren per persoon en kunnen psychologische stress veroorzaken.
Integratiebeleid
- A1: De overheid helpt mensen.
- A2: De regering maakt een integratiebeleid voor nieuwkomers.
- B1: Een goed integratiebeleid helpt migranten sneller een plek in de samenleving te vinden.
- B2: Het integratiebeleid omvat maatregelen zoals taallessen, werktoeleiding en sociale begeleiding.
Discriminatie
- A1: Discriminatie is niet goed.
- A2: Discriminatie is niet eerlijk.
- B1: Discriminatie op de werkvloer is verboden volgens de wet.
- B2: Discriminatie kan op basis van ras, geslacht, religie of andere kenmerken plaatsvinden.
Werkvergunning
- A1: Ik wil werken.
- A2: Ik heb een werkvergunning nodig om te werken.
- B1: Zonder werkvergunning mogen buitenlanders niet in sommige landen werken.
- B2: Werkvergunningen zijn vaak gebonden aan specifieke sectoren en werkgevers.
Gemeentelijke ondersteuning
- A1: De gemeente helpt.
- A2: De gemeente geeft ondersteuning bij integratie.
- B1: Gemeentelijke ondersteuning kan bestaan uit taallessen, werktrajecten en sociale hulp.
- B2: Gemeentelijke ondersteuning speelt een cruciale rol in de succesvolle integratie van migranten.
Nieuwkomersloket
- A1: Dit loket helpt mensen.
- A2: Het nieuwkomersloket helpt mensen uit andere landen.
- B1: Bij het nieuwkomersloket kunnen migranten informatie krijgen over huisvesting en werk.
- B2: Het nieuwkomersloket fungeert als een centrale plek waar migranten hun integratieproces kunnen starten.
Arbeidsmigratie
- A1: Mensen verhuizen voor werk.
- A2: Arbeidsmigratie betekent verhuizen voor werk.
- B1: Arbeidsmigratie komt vaak voor in sectoren met veel vacatures.
- B2: Arbeidsmigratie heeft economische voordelen, maar kan ook leiden tot sociale spanningen.
Tolerantie
- A1: Ik respecteer jou.
- A2: Tolerantie betekent respect voor anderen.
- B1: In een diverse samenleving is tolerantie erg belangrijk.
- B2: Tolerantie bevordert sociale cohesie en vermindert conflicten tussen verschillende groepen.
Dubbele nationaliteit
- A1: Ik heb twee paspoorten.
- A2: Mijn neef heeft een dubbele nationaliteit.
- B1: Sommige landen staan geen dubbele nationaliteit toe.
- B2: Dubbele nationaliteit kan voordelen hebben, zoals bewegingsvrijheid en toegang tot sociale voorzieningen.
Interculturele communicatie
- A1: Wij praten samen.
- A2: Interculturele communicatie helpt mensen elkaar te begrijpen.
- B1: Goede interculturele communicatie voorkomt misverstanden tussen mensen uit verschillende landen.
- B2: Interculturele communicatie vereist kennis van non-verbale signalen en culturele verschillen.
Wederzijds begrip
- A1: Ik begrijp jou.
- A2: Wederzijds begrip helpt bij vriendschap.
- B1: In een multiculturele samenleving is wederzijds begrip essentieel.
- B2: Wederzijds begrip draagt bij aan inclusie en vermindert maatschappelijke spanningen.
Etnische diversiteit
- A1: Mijn klas heeft veel culturen.
- A2: Mijn klas heeft etnische diversiteit.
- B1: Etnische diversiteit in een stad zorgt voor veel verschillende culturen en tradities.
- B2: Etnische diversiteit verrijkt de samenleving, maar vraagt ook om effectieve inclusiebeleid.
Geloofsvrijheid
- A1: Ik kies mijn geloof.
- A2: Geloofsvrijheid betekent dat je je eigen godsdienst mag kiezen.
- B1: In sommige landen is geloofsvrijheid beperkt door de wet.
- B2: Geloofsvrijheid is een fundamenteel mensenrecht dat wereldwijd wordt beschermd.
Maatschappelijke participatie
- A1: Ik doe mee.
- A2: Maatschappelijke participatie betekent meedoen in de samenleving.
- B1: Vrijwilligerswerk is een vorm van maatschappelijke participatie.
- B2: Maatschappelijke participatie vergroot de betrokkenheid van burgers bij sociale en politieke processen.
Gelijke kansen
- A1: Iedereen krijgt een kans.
- A2: Iedereen verdient gelijke kansen.
- B1: Onderwijs speelt een belangrijke rol in het creëren van gelijke kansen.
- B2: Gelijke kansen bevorderen sociale mobiliteit en verminderen ongelijkheid.
Integratieproject
- A1: Mijn stad helpt mensen.
- A2: Mijn stad heeft een integratieproject voor nieuwkomers.
- B1: Een goed integratieproject helpt migranten sneller werk te vinden en contacten op te bouwen.
- B2: Integratieprojecten moeten gericht zijn op taal, werk en sociale verbindingen om effectief te zijn.
Gemeenschapsgevoel
- A1: Wij horen bij elkaar.
- A2: Een buurtfeest geeft gemeenschapsgevoel.
- B1: Gemeenschapsgevoel zorgt ervoor dat mensen zich veilig en welkom voelen.
- B2: Een sterk gemeenschapsgevoel kan bijdragen aan sociale stabiliteit en onderlinge steun.
Zelfredzaamheid
- A1: Ik kan het zelf.
- A2: Zelfredzaamheid betekent dat je voor jezelf kunt zorgen.
- B1: Zelfredzaamheid is belangrijk voor nieuwkomers om zelfstandig in de samenleving te functioneren.
- B2: Overheden stimuleren zelfredzaamheid door middel van onderwijs, werkgelegenheid en sociale programma’s.
School en opleidingen (15 woorden)
Onderwijs en studie
Studierichting
- A1: Ik leer op school.
- A2: Mijn studierichting is techniek.
- B1: Een goede studierichting kiezen helpt bij het vinden van werk.
- B2: Een brede studierichting biedt meer carrièremogelijkheden dan een heel specifieke richting.
Lesrooster
- A1: Ik heb les vandaag.
- A2: Mijn lesrooster is elke week hetzelfde.
- B1: Het lesrooster wordt aangepast bij feestdagen en examens.
- B2: Een flexibel lesrooster helpt studenten om werk en studie te combineren.
Cursusmateriaal
- A1: Ik heb een boek.
- A2: Ik koop cursusmateriaal in de boekwinkel.
- B1: Goed cursusmateriaal helpt bij het begrijpen van de stof.
- B2: Het juiste cursusmateriaal bevordert zelfstandig leren en kritisch denken.
Examencommissie
- A1: Ik maak een toets.
- A2: De examencommissie beslist over de examens.
- B1: Bij problemen met een examen kun je de examencommissie vragen om hulp.
- B2: De examencommissie bewaakt de kwaliteit en eerlijkheid van de toetsprocedures.
Taalvaardigheid
- A1: Ik leer Nederlands.
- A2: Ik verbeter mijn taalvaardigheid elke dag.
- B1: Goede taalvaardigheid is belangrijk bij internationale studies en werk.
- B2: Taalvaardigheid omvat spreken, schrijven, luisteren en lezen op een gevorderd niveau.
Studiestress
- A1: School is moeilijk.
- A2: Te veel huiswerk geeft studiestress.
- B1: Studiestress kun je verminderen door een goede planning te maken.
- B2: Langdurige studiestress kan leiden tot burn-out en concentratieproblemen.
Docentenoverleg
- A1: De leraren praten samen.
- A2: Het docentenoverleg is op donderdag.
- B1: Tijdens het docentenoverleg bespreken leraren de voortgang van leerlingen.
- B2: Het docentenoverleg richt zich op het verbeteren van onderwijsmethoden en leerlingbegeleiding.
Scholierenraad
- A1: De leerlingen praten samen.
- A2: De scholierenraad helpt de school beter te maken.
- B1: De scholierenraad geeft advies over regels en activiteiten op school.
- B2: De scholierenraad speelt een belangrijke rol in de participatie van leerlingen in schoolbeleid.
Bijscholing
- A1: Mijn leraar leert iets nieuws.
- A2: Mijn docent doet bijscholing.
- B1: Bijscholing helpt werknemers om nieuwe vaardigheden te leren.
- B2: Door bijscholing blijven professionals op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in hun vakgebied.
Zelfstudie
- A1: Ik leer thuis.
- A2: Ik doe zelfstudie voor mijn examen.
- B1: Zelfstudie is handig als je extra wilt oefenen buiten de lessen.
- B2: Effectieve zelfstudie vereist discipline, structuur en betrouwbare bronnen.
Eindpresentatie
- A1: Ik vertel iets in de klas.
- A2: Mijn eindpresentatie is volgende week.
- B1: Een goede eindpresentatie laat zien wat je hebt geleerd.
- B2: Een succesvolle eindpresentatie vereist zowel inhoudelijke kennis als presentatievaardigheden.
Studiereis
- A1: Wij gaan naar een ander land.
- A2: We maken een studiereis naar Frankrijk.
- B1: Tijdens een studiereis leer je veel over een ander land en cultuur.
- B2: Studiereizen bieden een unieke kans om academische kennis in de praktijk te brengen.
Schoolinspectie
- A1: De school krijgt bezoek.
- A2: De schoolinspectie controleert de lessen.
- B1: De schoolinspectie controleert of de kwaliteit van het onderwijs goed is.
- B2: De schoolinspectie geeft adviezen en aanbevelingen voor onderwijsverbetering.
Loopbaanoriëntatie
- A1: Ik denk aan mijn toekomst.
- A2: Loopbaanoriëntatie helpt bij studiekeuze.
- B1: Loopbaanoriëntatie laat studenten kennismaken met verschillende beroepen.
- B2: Een goed loopbaanoriëntatieprogramma helpt studenten om weloverwogen carrièrekeuzes te maken.
Herkansing
- A1: Ik maak de toets opnieuw.
- A2: Ik heb een herkansing voor wiskunde.
- B1: Als je een examen niet haalt, krijg je soms een herkansing.
- B2: Herkansingen bieden studenten de mogelijkheid om hun leerprestaties te verbeteren.
Beroepen en werkervaring
Stagevergoeding
- A1: Ik krijg geld voor mijn stage.
- A2: Mijn stagevergoeding is €300 per maand.
- B1: Een stagevergoeding helpt studenten om kosten voor studie en reizen te betalen.
- B2: De hoogte van de stagevergoeding hangt vaak af van het bedrijf en de sector.
Carrièremogelijkheden
- A1: Mijn baan heeft kansen.
- A2: Mijn baan heeft veel carrièremogelijkheden.
- B1: Goede carrièremogelijkheden maken een baan aantrekkelijker voor werkzoekenden.
- B2: Carrièremogelijkheden hangen af van factoren zoals opleiding, ervaring en netwerken.
Werkervaring opdoen
- A1: Ik leer werken.
- A2: Ik wil werkervaring opdoen in een winkel.
- B1: Werkervaring opdoen tijdens een stage helpt bij het vinden van een baan.
- B2: Het opdoen van werkervaring vergroot de kansen op de arbeidsmarkt en biedt waardevolle vaardigheden.
Loopbaanbegeleiding
- A1: Mijn leraar helpt mij met werk.
- A2: De school helpt met loopbaanbegeleiding.
- B1: Loopbaanbegeleiding helpt bij het maken van de juiste carrièrekeuzes.
- B2: Professionele loopbaanbegeleiding kan werknemers helpen bij het navigeren door complexe arbeidsmarkten.
Competenties
- A1: Ik kan goed rekenen.
- A2: Mijn competenties zijn rekenen en schrijven.
- B1: Competenties zoals teamwork en probleemoplossing zijn belangrijk op de werkvloer.
- B2: Een combinatie van harde en zachte competenties bepaalt het succes in een carrière.
Stage, Carrière en Werkervaring (5 woorden)
Stagevergoeding (Internship allowance – بدل التدريب)
- A1: Mijn stage geeft geld.
- A2: Mijn stagevergoeding is €300 per maand.
- B1: Een stagevergoeding helpt studenten om kosten voor studie en reizen te betalen.
- B2: Een eerlijke stagevergoeding motiveert studenten en maakt stages toegankelijker.
Carrièremogelijkheden (Career opportunities – فرص العمل)
- A1: Mijn werk is goed.
- A2: Mijn baan heeft veel carrièremogelijkheden.
- B1: Goede carrièremogelijkheden maken een baan aantrekkelijker voor werkzoekenden.
- B2: Carrièremogelijkheden binnen een bedrijf zorgen voor gemotiveerde en loyale medewerkers.
Werkervaring opdoen (Gaining work experience – اكتساب الخبرة العملية)
- A1: Ik leer op mijn werk.
- A2: Ik wil werkervaring opdoen in een winkel.
- B1: Werkervaring opdoen tijdens een stage helpt bij het vinden van een baan.
- B2: Werkervaring opdoen in verschillende sectoren vergroot je inzetbaarheid op de arbeidsmarkt.
Competenties (Competencies – الكفاءات)
- A1: Ik kan goed rekenen.
- A2: Mijn competenties zijn rekenen en schrijven.
- B1: Competenties zoals teamwork en probleemoplossing zijn belangrijk op de werkvloer.
- B2: Sterke competenties maken het makkelijker om door te groeien binnen een organisatie.
Loopbaanbegeleiding (Career guidance – الإرشاد المهني)
- A1: Mijn leraar helpt mij.
- A2: De school helpt met loopbaanbegeleiding.
- B1: Loopbaanbegeleiding helpt bij het maken van de juiste carrièrekeuzes.
- B2: Goede loopbaanbegeleiding helpt bij het vinden van een baan die past bij je talenten en ambities.
Beroepen en werkervaring (15 woorden)
Solliciteren en werk vinden
Vacaturebank (Job portal – موقع الوظائف)
- A1: Ik zoek werk.
- A2: Ik zoek een baan op een vacaturebank.
- B1: Een vacaturebank heeft veel verschillende banen in diverse sectoren.
- B2: Een vacaturebank biedt filters om banen te zoeken op locatie, sector en salaris.
Sollicitatiegesprek (Job interview – مقابلة العمل)
- A1: Ik heb een gesprek voor werk.
- A2: Mijn sollicitatiegesprek is morgen.
- B1: Een sollicitatiegesprek voorbereiden helpt bij een goede eerste indruk.
- B2: Tijdens een sollicitatiegesprek moet je je sterke punten en ervaring goed presenteren.
Motivatiebrief (Cover letter – خطاب الدافع)
- A1: Ik schrijf een brief voor werk.
- A2: Ik schrijf een motivatiebrief voor mijn sollicitatie.
- B1: Een motivatiebrief moet kort en duidelijk uitleggen waarom je de baan wilt.
- B2: Een overtuigende motivatiebrief bevat concrete voorbeelden van vaardigheden en prestaties.
Proeftijd (Probation period – فترة التجربة)
- A1: Ik begin met werken.
- A2: Mijn proeftijd duurt twee maanden.
- B1: In de proeftijd kan een werknemer zonder reden ontslagen worden.
- B2: De proeftijd is een kans voor zowel werkgever als werknemer om de samenwerking te evalueren.
Wervingsproces (Recruitment process – عملية التوظيف)
- A1: Het bedrijf zoekt nieuwe mensen.
- A2: Het wervingsproces duurt twee weken.
- B1: Een goed wervingsproces helpt bij het vinden van de juiste kandidaat.
- B2: Een efficiënt wervingsproces zorgt voor een snelle en soepele aanwerving van talent.
Arbeidsvoorwaarden (Employment conditions – شروط العمل)
- A1: Mijn werk is goed.
- A2: Mijn arbeidsvoorwaarden zijn goed.
- B1: Arbeidsvoorwaarden zoals salaris en vakantiedagen zijn belangrijk bij een nieuwe baan.
- B2: Goede arbeidsvoorwaarden zorgen voor tevreden medewerkers en minder verloop in een bedrijf.
Aanbeveling (Recommendation – توصية)
- A1: Mijn leraar helpt mij.
- A2: Mijn leraar gaf mij een aanbeveling.
- B1: Een aanbeveling van een oud-collega kan helpen bij een sollicitatie.
- B2: Een sterke aanbeveling kan doorslaggevend zijn bij een sollicitatieprocedure.
Open sollicitatie (Open application – طلب وظيفة عفوي)
- A1: Ik wil hier werken.
- A2: Ik stuur een open sollicitatie.
- B1: Bij een open sollicitatie laat je zien dat je interesse hebt in het bedrijf.
- B2: Een open sollicitatie kan een kans bieden op een baan, zelfs als er geen vacature is.
Functieomschrijving (Job description – وصف الوظيفة)
- A1: Ik lees over het werk.
- A2: De functieomschrijving is duidelijk.
- B1: In de functieomschrijving staat wat je taken en verantwoordelijkheden zijn.
- B2: Een gedetailleerde functieomschrijving helpt kandidaten bij het beoordelen van de geschiktheid van een baan.
Sollicitatietraining (Application training – تدريب التوظيف)
- A1: Ik oefen mijn gesprek.
- A2: Ik volg een sollicitatietraining.
- B1: Een sollicitatietraining helpt bij het oefenen van gesprekken en presentaties.
- B2: Door sollicitatietraining vergroot je je kansen op een succesvolle sollicitatie.
Netwerken (Networking – التواصل)
- A1: Ik praat met mensen.
- A2: Netwerken helpt bij het vinden van werk.
- B1: Door te netwerken kun je waardevolle contacten opdoen in je vakgebied.
- B2: Een sterk professioneel netwerk kan deuren openen naar nieuwe carrièremogelijkheden.
Werkethiek (Work ethic – أخلاقيات العمل)
- A1: Ik werk hard.
- A2: Een goede werkethiek is belangrijk.
- B1: Werkgevers zoeken vaak mensen met een sterke werkethiek en motivatie.
- B2: Een positieve werkethiek draagt bij aan een professionele en productieve werkomgeving.
Persoonlijk profiel (Personal profile – الملف الشخصي)
- A1: Ik schrijf over mijzelf.
- A2: Mijn cv heeft een persoonlijk profiel.
- B1: Een persoonlijk profiel in je cv laat je sterke punten zien.
- B2: Een goed geschreven persoonlijk profiel kan je onderscheiden van andere sollicitanten.
Sollicitatieformulier (Application form – استمارة التوظيف)
- A1: Ik schrijf mijn naam op.
- A2: Ik vul een sollicitatieformulier in.
- B1: Een sollicitatieformulier vraagt om je persoonlijke gegevens en werkervaring.
- B2: Een zorgvuldig ingevuld sollicitatieformulier verhoogt je kans op een uitnodiging voor een gesprek.
Loopbaancoach (Career coach – مدرب مهني)
- A1: Mijn coach helpt mij.
- A2: Mijn loopbaancoach helpt mij.
- B1: Een loopbaancoach geeft advies over carrièremogelijkheden en sollicitaties.
- B2: Een loopbaancoach kan helpen bij het plannen van een lange-termijn carrièrepad.
Online vacaturebank (Online job portal – بوابة الوظائف عبر الإنترنت)
- A1: Ik zoek werk online.
- A2: Ik zoek werk op een online vacaturebank.
- B1: Veel bedrijven plaatsen hun vacatures op een online vacaturebank.
- B2: Online vacaturebanken maken het eenvoudiger om vacatures te filteren op locatie en functie.
Competentiegericht interview (Competency-based interview – مقابلة قائمة على الكفاءات)
- A1: Ik vertel over mijn werk.
- A2: Het was een competentiegericht interview.
- B1: In een competentiegericht interview worden vragen gesteld over specifieke vaardigheden.
- B2: Competentiegerichte interviews helpen werkgevers bij het beoordelen van praktische vaardigheden en ervaring.
Sollicitatiekleding (Interview attire – ملابس المقابلة)
- A1: Mijn kleding is mooi.
- A2: Mijn sollicitatiekleding is netjes.
- B1: Bij een sollicitatiegesprek is het belangrijk om passende sollicitatiekleding te dragen.
- B2: Professionele sollicitatiekleding geeft een goede eerste indruk en laat zien dat je serieus bent.
Eerste indruk (First impression – الانطباع الأول)
- A1: Ik zeg hallo.
- A2: Een eerste indruk is belangrijk.
- B1: Een goede eerste indruk kan bepalen of je wordt aangenomen.
- B2: De eerste indruk wordt vaak binnen enkele seconden gevormd en kan doorslaggevend zijn.
Assessment (Assessment – تقييم)
- A1: Ik maak een test.
- A2: Ik maak een assessment voor mijn baan.
- B1: Veel bedrijven gebruiken een assessment om kandidaten te testen op vaardigheden.
- B2: Assessments meten zowel cognitieve vaardigheden als persoonlijke eigenschappen van sollicitanten.
Verwachtingen (Expectations – التوقعات)
- A1: Ik wil een goede baan.
- A2: Mijn verwachtingen zijn hoog.
- B1: Werkgevers en werknemers moeten duidelijke verwachtingen hebben over de functie.
- B2: Duidelijke verwachtingen helpen bij het voorkomen van misverstanden op de werkvloer.
Carrièrestap (Career move – خطوة وظيفية)
- A1: Ik wil een nieuw werk.
- A2: Ik maak een nieuwe carrièrestap.
- B1: Een carrièrestap kan betekenen dat je promotie maakt of van sector wisselt.
- B2: Een strategische carrièrestap kan bijdragen aan professionele groei en succes.
Sollicitatieprocedure (Application procedure – إجراءات التقديم)
- A1: Ik stuur mijn cv.
- A2: De sollicitatieprocedure heeft drie stappen.
- B1: In een sollicitatieprocedure worden cv’s beoordeeld en gesprekken gevoerd.
- B2: Een transparante sollicitatieprocedure helpt bij het aantrekken van de juiste kandidaten.
Werkgeversvoorkeuren (Employer preferences – تفضيلات صاحب العمل)
- A1: De baas kiest iemand.
- A2: Werkgeversvoorkeuren verschillen per baan.
- B1: Werkgeversvoorkeuren zoals ervaring en opleiding bepalen wie wordt aangenomen.
- B2: Werkgeversvoorkeuren kunnen variëren afhankelijk van de bedrijfscultuur en de functievereisten.
Werkplek en collega’s
Bedrijfscultuur (Company culture – ثقافة الشركة)
- A1: Mijn werk is leuk.
- A2: De bedrijfscultuur is vriendelijk.
- B1: Een positieve bedrijfscultuur zorgt voor tevreden werknemers en betere prestaties.
- B2: De bedrijfscultuur bepaalt hoe medewerkers samenwerken en met klanten omgaan.
Teamoverleg (Team meeting – اجتماع الفريق)
- A1: Wij praten samen op werk.
- A2: We hebben een teamoverleg op maandag.
- B1: Tijdens een teamoverleg bespreken we de taken en doelen.
- B2: Effectieve teamoverleggen zorgen voor betere samenwerking en duidelijke communicatie.
Functioneringsgesprek (Performance review – تقييم الأداء)
- A1: Mijn baas praat met mij.
- A2: Mijn functioneringsgesprek was goed.
- B1: Een functioneringsgesprek helpt bij persoonlijke ontwikkeling in het werk.
- B2: Tijdens een functioneringsgesprek worden prestaties geëvalueerd en verbeterpunten besproken.
Collegialiteit (Collegiality – روح الزمالة)
- A1: Mijn collega’s zijn aardig.
- A2: Collegialiteit maakt het werk leuker.
- B1: Een goede samenwerking tussen collega’s versterkt de collegialiteit.
- B2: Collegialiteit bevordert een prettige werksfeer en verhoogt de productiviteit.
Werkconflict (Work conflict – نزاع في العمل)
- A1: Er is een probleem op werk.
- A2: Een werkconflict kan lastig zijn.
- B1: Werkconflicten oplossen kan door goed te praten met elkaar.
- B2: Conflicthantering op de werkvloer vraagt om communicatieve vaardigheden en begrip.
Dagen & Tijdseenheden
Weekdag (Weekday – يوم من أيام الأسبوع)
- A1: Maandag is een dag.
- A2: Maandag is een weekdag.
- B1: Op een weekdag ga ik meestal werken of naar school.
- B2: Een productieve weekdag begint met een goede planning en structuur.
Weekend (Weekend – عطلة نهاية الأسبوع)
- A1: Het weekend is fijn.
- A2: In het weekend slaap ik uit.
- B1: Ik plan graag leuke activiteiten voor het weekend, zoals wandelen of uit eten gaan.
- B2: In het weekend neem ik tijd voor ontspanning en sociale contacten.
Werkdag (Workday – يوم عمل)
- A1: Ik werk op maandag.
- A2: Op een werkdag sta ik vroeg op.
- B1: Mijn werkdag begint om 8 uur en eindigt om 5 uur.
- B2: Een effectieve werkdag combineert focus, pauzes en goede communicatie.
Feestdag (Holiday – يوم عطلة)
- A1: Ik ben vrij op feestdagen.
- A2: Op een feestdag ben ik vrij.
- B1: Tijdens een feestdag bezoek ik mijn familie en eet ik speciale gerechten.
- B2: Feestdagen bieden een kans om tradities te vieren en tot rust te komen.
Rustdag (Rest day – يوم راحة)
- A1: Ik heb een vrije dag.
- A2: Zondag is mijn rustdag.
- B1: Op mijn rustdag lees ik een boek of kijk ik een film.
- B2: Een rustdag helpt om fysiek en mentaal op te laden voor de nieuwe week.
Middag (Afternoon – بعد الظهر)
- A1: Ik eet in de middag.
- A2: In de middag drink ik thee.
- B1: In de middag heb ik vaak een korte pauze op mijn werk.
- B2: De middag is een goed moment voor productief werken of een ontspannende activiteit.
Avond (Evening – مساء)
- A1: Ik kijk tv in de avond.
- A2: In de avond kijk ik tv.
- B1: ’s Avonds ga ik vaak een stukje wandelen om te ontspannen.
- B2: In de avond reflecteer ik op mijn dag en bereid ik me voor op morgen.
Middernacht (Midnight – منتصف الليل)
- A1: Middernacht is laat.
- A2: Middernacht is om twaalf uur.
- B1: Ik probeer voor middernacht te slapen om de volgende dag fit te zijn.
- B2: Na middernacht werken kan je concentratie en productiviteit de volgende dag beïnvloeden.
Zonsopgang (Sunrise – شروق الشمس)
- A1: De zon komt op.
- A2: De zonsopgang is vroeg in de zomer.
- B1: Ik geniet van de zonsopgang als ik ga wandelen in de natuur.
- B2: De zonsopgang heeft een kalmerend effect en markeert een nieuw begin.
Zonsondergang (Sunset – غروب الشمس)
- A1: De zon gaat onder.
- A2: De zonsondergang is mooi.
- B1: In de winter is de zonsondergang eerder dan in de zomer.
- B2: Een kleurrijke zonsondergang is een prachtig moment om de dag af te sluiten.
Jaargetijden & Seizoenen
Maanden
Januari (January – يناير)
- A1: Januari is een koude maand.
- A2: Januari is de eerste maand van het jaar.
- B1: In januari begin ik altijd met goede voornemens voor het nieuwe jaar.
- B2: Januari is een tijd van reflectie en nieuwe doelen stellen.
- C1: De naam ‘Januari’ komt van de Romeinse god Janus, die symbool staat voor nieuwe beginnen.
Februari (February – فبراير)
- A1: Februari is een korte maand.
- A2: In februari is het vaak koud.
- B1: Februari is de kortste maand van het jaar, met meestal 28 dagen.
- B2: In schrikkeljaren heeft februari 29 dagen.
- C1: Februari staat bekend om carnaval en Valentijnsdag in veel culturen.
Maart (March – مارس)
- A1: Maart heeft 31 dagen.
- A2: In maart begint de lente.
- B1: In maart worden de dagen langer en stijgt de temperatuur langzaam.
- B2: In sommige landen begint in maart de zomertijd.
- C1: Maart is vernoemd naar Mars, de Romeinse god van de oorlog.
April (April – أبريل)
- A1: In april regent het veel.
- A2: In april regent het vaak.
- B1: In april bloeien de bloemen en krijgen bomen nieuwe bladeren.
- B2: April is bekend om de uitdrukking “aprilse grillen” vanwege het wisselvallige weer.
- C1: De eerste dag van april staat wereldwijd bekend om grappen en humor.
Mei (May – مايو)
- A1: Mei is een lente maand.
- A2: In mei is het warmer.
- B1: Mei is een fijne maand, omdat het niet te koud en niet te warm is.
- B2: In Nederland wordt op 5 mei Bevrijdingsdag gevierd.
- C1: Mei is vernoemd naar Maia, een godin van de vruchtbaarheid in de Romeinse mythologie.
Juni (June – يونيو)
- A1: Juni is een zomermaand.
- A2: Juni is de eerste zomermaand.
- B1: In juni beginnen veel mensen met hun zomervakantie.
- B2: Juni heeft de langste dag van het jaar op 21 juni, de zomerzonnewende.
- C1: In sommige culturen wordt juni geassocieerd met huwelijken en liefde, zoals in de Romeinse tijd.
Juli (July – يوليو)
- A1: Juli is warm.
- A2: Juli is meestal heet.
- B1: In juli gaan veel mensen naar het strand om af te koelen.
- B2: In juli vinden veel muziekfestivals plaats.
- C1: Juli is vernoemd naar Julius Caesar, die de kalender hervormde.
Augustus (August – أغسطس)
- A1: Augustus is een hete maand.
- A2: Augustus is de warmste maand.
- B1: In augustus hebben veel kinderen zomervakantie en spelen ze buiten.
- B2: Augustus markeert vaak het einde van de zomervakantie.
- C1: Augustus is vernoemd naar keizer Augustus, de eerste Romeinse keizer.
September (September – سبتمبر)
- A1: September is een herfstmaand.
- A2: In september begint de herfst.
- B1: In september gaan de meeste scholen weer open na de vakantie.
- B2: De nachten worden langer en de temperaturen beginnen te dalen.
- C1: September komt van het Latijnse woord ‘septem’, wat zeven betekent, omdat het de zevende maand was in de oude Romeinse kalender.
Oktober (October – أكتوبر)
- A1: Oktober is een frisse maand.
- A2: Oktober is een herfstmaand.
- B1: In oktober veranderen de bladeren van kleur en vallen ze van de bomen.
- B2: Oktober is bekend om Halloween en herfstfestivals.
- C1: Oktober was oorspronkelijk de achtste maand van het Romeinse kalenderjaar, vandaar de naam ‘octo’ (acht).
November (November – نوفمبر)
- A1: November is koud.
- A2: In november wordt het kouder.
- B1: In november beginnen mensen hun huizen te versieren voor de winter.
- B2: November is in veel culturen een maand van herdenking, zoals Allerzielen.
- C1: November betekent ‘negen’ in het Latijn, omdat het de negende maand was in de oude kalender.
December (December – ديسمبر)
- A1: December is een wintermaand.
- A2: In december is het kerstmis.
- B1: December is een gezellige maand met feestdagen en familiebijeenkomsten.
- B2: December is de laatste maand van het jaar en symboliseert afronding en reflectie.
- C1: In oude culturen werd de winterzonnewende in december gevierd als een belangrijk astronomisch evenement.
Seizoenen
Lente (Spring – الربيع)
- A1: In de lente groeien bloemen.
- A2: De lente begint in maart.
- B1: In de lente worden de dagen langer en de temperatuur hoger.
- B2: De lente staat symbool voor een nieuw begin en vernieuwing.
- C1: In veel culturen worden lentefeesten gevierd, zoals Nowruz en Pasen.
Zomer (Summer – الصيف)
- A1: De zomer is heet.
- A2: In de zomer ga ik naar het strand.
- B1: De zomer heeft de langste dagen van het jaar.
- B2: Veel mensen nemen in de zomer vakantie om te ontspannen.
- C1: De zomerzonnewende op 21 juni is de langste dag van het jaar.
Herfst (Autumn/Fall – الخريف)
- A1: De herfst heeft veel regen.
- A2: In de herfst vallen de bladeren.
- B1: De herfst begint in september en brengt koelere temperaturen.
- B2: In de herfst worden oogstfeesten en Halloween gevierd.
- C1: De herfst wordt geassocieerd met overgang en reflectie, zowel in de natuur als in het leven.
Winter (Winter – الشتاء)
- A1: In de winter is het koud.
- A2: In de winter draag ik een dikke jas.
- B1: De winter begint in december en heeft de kortste dagen.
- B2: In veel landen wordt kerst en oud en nieuw in de winter gevierd.
- C1: In de winter heeft de natuur een rustperiode, wat essentieel is voor het ecosysteem.
Zonsopgang – Sunrise – شروق الشمس
- A2: De zonsopgang is vroeg in de zomer.
- B1: Ik geniet van de zonsopgang als ik ga wandelen in de natuur.
- B2: De kleuren van de zonsopgang zijn het mooist bij helder weer.
- C1: Zonsopgang markeert het begin van een nieuwe dag en wordt in veel culturen symbolisch gebruikt.
Zonsondergang – Sunset – غروب الشمس
- A2: De zonsondergang is mooi.
- B1: In de winter is de zonsondergang eerder dan in de zomer.
- B2: Zonsondergang zorgt vaak voor prachtige oranje en roze luchten.
- C1: In sommige culturen wordt de zonsondergang gezien als een moment van rust en bezinning.
Sneeuwval – Snowfall – تساقط الثلوج
- A2: In de winter is er sneeuwval.
- B1: Sneeuwval zorgt voor een prachtig wit landschap.
- B2: Door hevige sneeuwval kunnen wegen glad en gevaarlijk worden.
- C1: Sneeuwval beïnvloedt ecosystemen en waterreserves, vooral in berggebieden.
Dauw – Dew – الندى
- A2: In de ochtend ligt er dauw op het gras.
- B1: Dauw ontstaat wanneer warme lucht afkoelt en waterdamp condenseert.
- B2: Dauw is vooral zichtbaar op koele ochtenden in de lente en herfst.
- C1: In sommige droge gebieden wordt dauw verzameld als een bron van drinkwater.
Mist – Fog – ضباب
- A2: In de herfst is er vaak mist.
- B1: Mist maakt het zicht op de weg slecht.
- B2: Mist ontstaat wanneer de lucht afkoelt en vocht condenseert.
- C1: In bergachtige gebieden kan mist gevaarlijk zijn voor wandelaars en verkeer.
Storm – Storm – عاصفة
- A2: In de herfst is er soms storm.
- B1: Een storm kan harde wind en regen met zich meebrengen.
- B2: Tijdens een storm is het verstandig om binnen te blijven.
- C1: Stormen kunnen schade aanrichten aan infrastructuur en natuurgebieden.
Maanfasen – Moon phases – أطوار القمر
- A2: De maan heeft verschillende fasen.
- B1: De volle maan is de bekendste maanfase.
- B2: De maanfasen beïnvloeden het getij van de zee.
- C1: Sommige mensen geloven dat maanfases invloed hebben op menselijk gedrag en emoties.
Herfststorm – Autumn storm – عاصفة الخريف
- A2: In de herfst waait het hard.
- B1: Een herfststorm brengt vaak regen en harde wind.
- B2: Door een herfststorm kunnen bomen omvallen en wegen onbegaanbaar worden.
- C1: Herfststormen spelen een belangrijke rol bij het verspreiden van zaden en bladeren in de natuur.
IJzel – Freezing rain – المطر المتجمد
- A2: In de winter kan er ijzel zijn.
- B1: IJzel maakt de wegen erg glad en gevaarlijk.
- B2: IJzel ontstaat als regen bevriest op een koude ondergrond.
- C1: IJzel kan schade aanrichten aan bomen en elektriciteitskabels door het extra gewicht.
Ochtendgloren – Dawn – الفجر
- A2: Ochtendgloren is vroeg in de ochtend.
- B1: Ochtendgloren zorgt voor een zacht licht in de lucht.
- B2: In de winter is het ochtendgloren later dan in de zomer.
- C1: Ochtendgloren wordt vaak gebruikt als metafoor voor een nieuw begin of hoop.
Twilight – Schemering – الشفق
- A2: ’s Avonds is er schemering.
- B1: Schemering is het moment tussen dag en nacht.
- B2: In sommige landen duurt de schemering langer dan in andere.
- C1: Schemering heeft invloed op dieren, omdat veel roofdieren actiever worden.
Noorderlicht – Northern lights – الشفق القطبي
- A2: Het noorderlicht is groen en mooi.
- B1: Noorderlicht komt vooral voor in landen zoals Noorwegen en Canada.
- B2: Noorderlicht ontstaat door de interactie van zonnewind met de atmosfeer.
- C1: Veel mensen reizen naar het noorden om het spectaculaire noorderlicht te bewonderen.
Mode en stijl
Mode & Kleding
Couture – Haute couture – الأزياء الراقية
- A2: Deze jurk is dure couture.
- B1: Dit merk staat bekend om exclusieve couturejurken die met de hand zijn gemaakt.
- B2: Haute couture wordt alleen door erkende modehuizen ontworpen en vereist vakmanschap.
- C1: De haute couture-industrie combineert innovatie en traditie en speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van modetrends.
Modetrend – Fashion trend – اتجاه الموضة
- A2: Die broek is een nieuwe modetrend.
- B1: Ik volg graag de nieuwste modetrends en lees modeblogs.
- B2: Modetrends worden vaak beïnvloed door beroemdheden en sociale media.
- C1: De evolutie van modetrends weerspiegelt maatschappelijke veranderingen en culturele invloeden.
Kledingvoorschrift – Dress code – قواعد اللباس
- A2: Op mijn werk is een kledingvoorschrift.
- B1: Voor het gala hebben we een kledingvoorschrift gekregen en moeten we een pak dragen.
- B2: Een kledingvoorschrift zorgt voor uniformiteit en professionaliteit in werkomgevingen.
- C1: Kledingvoorschriften variëren wereldwijd en weerspiegelen sociale normen en bedrijfsculturen.
Vintage – Vintage – عتيق
- A2: Deze tas is vintage.
- B1: Ik heb een prachtige vintage jas gekocht op de markt.
- B2: Vintage mode is populair vanwege de unieke stijl en duurzaamheid.
- C1: De heropleving van vintage mode benadrukt de groeiende waardering voor slow fashion en duurzaamheid.
Kledingstukken
Coltrui – Turtleneck – كنزة برقبة عالية
- A2: Mijn coltrui is warm.
- B1: In de winter draag ik vaak een coltrui omdat die goed tegen de kou beschermt.
- B2: Een coltrui kan zowel casual als chic worden gestyled, afhankelijk van de accessoires.
- C1: De coltrui is een tijdloos mode-item dat regelmatig terugkomt in seizoenscollecties.
Blazer – Blazer – سترة رسمية
- A2: Hij draagt een blazer naar kantoor.
- B1: Mijn zwarte blazer heeft een nette uitstraling en is gemaakt van wol.
- B2: Een blazer is veelzijdig en kan zowel in formele als informele settings worden gedragen.
- C1: De blazer is geëvolueerd van een zakelijk kledingstuk naar een mode-essentieel met diverse stijlen en snits.
Kimono – Kimono – كيمونو
- A2: Zij draagt een kimono thuis.
- B1: Ze heeft een kleurrijke kimono meegenomen uit Japan en draagt hem graag in de zomer.
- B2: De kimono wordt wereldwijd gewaardeerd om zijn elegante vorm en rijke culturele geschiedenis.
- C1: In de moderne mode-industrie worden kimono’s geïnspireerd door traditionele Japanse ontwerpen, maar met een eigentijdse twist.
Maxi-jurk – Maxi dress – فستان طويل
- A2: Mijn maxi-jurk is lang.
- B1: Een maxi-jurk is perfect voor de zomer en combineert mooi met sandalen.
- B2: De maxi-jurk is geliefd vanwege zijn comfort en luchtige uitstraling.
- C1: Modeontwerpers experimenteren met maxi-jurken door variaties in stof, snit en patronen te introduceren.
Abaya – Abaya – عباءة
- A2: Mijn abaya is zwart.
- B1: Veel vrouwen dragen een abaya als een traditionele en elegante outfit.
- B2: De abaya kan versierd worden met borduurwerk of kralen voor een luxueuze uitstraling.
- C1: In de mode-industrie evolueert de abaya met moderne snits en stoffen, waardoor traditionele en hedendaagse stijlen samenkomen.
Kaftan – Kaftan – قفطان
- A2: Mijn kaftan is kleurrijk.
- B1: In Marokko dragen mensen vaak een kaftan bij speciale gelegenheden.
- B2: De kaftan is een veelzijdig kledingstuk dat zowel informeel als feestelijk gedragen kan worden.
- C1: De moderne kaftan combineert traditionele ontwerpen met eigentijdse stoffen en patronen, wat resulteert in unieke modecreaties.
Jalabiya – Jalabiya – جلابية
- A2: Mijn vader draagt een jalabiya.
- B1: Een jalabiya is comfortabel en wordt vaak thuis of bij religieuze gelegenheden gedragen.
- B2: De jalabiya varieert per regio in kleur, snit en versieringen.
- C1: Moderne jalabiya’s worden steeds vaker aangepast aan modetrends zonder de traditionele essentie te verliezen.
Hijab – Hijab – حجاب
- A2: Zij draagt een hijab.
- B1: De hijab wordt op verschillende manieren gedragen, afhankelijk van de cultuur.
- B2: Modeontwerpers creëren stijlvolle hijabs die passen bij moderne en traditionele outfits.
- C1: De hijab is een belangrijk cultureel en religieus symbool dat wereldwijd steeds meer modieuze interpretaties krijgt.
Djellaba – Djellaba – جلابة
- A2: De djellaba is een lange jurk met een kap.
- B1: Marokkaanse mannen en vrouwen dragen een djellaba voor dagelijks gebruik en speciale gelegenheden.
- B2: Djellaba’s kunnen gemaakt worden van wol voor de winter of van lichte stoffen voor de zomer.
- C1: De djellaba heeft een iconische status in de Noord-Afrikaanse mode en wordt steeds vaker ontworpen met moderne accenten.
Afrikaanse Mode
Dashiki – Dashiki – دشكي
- A2: Mijn dashiki is rood en geel.
- B1: De dashiki is een traditioneel West-Afrikaans kledingstuk met felle kleuren.
- B2: Dashiki-shirts worden steeds populairder buiten Afrika en worden vaak gecombineerd met moderne mode.
- C1: De dashiki heeft een rijke geschiedenis en symboliseert Afrikaanse trots en culturele identiteit.
Kitenge – Kitenge – كيتنجي
- A2: Haar rok is van kitenge-stof.
- B1: In Oost-Afrika wordt kitenge gebruikt voor jurken, rokken en hoofdwraps.
- B2: Kitenge-patronen zijn vaak symbolisch en vertellen verhalen over cultuur en erfgoed.
- C1: Tegenwoordig wordt kitenge geïntegreerd in wereldwijde modecollecties, waardoor Afrikaanse textielkunst internationaal erkend wordt.
Boubou – Boubou – بوبو
- A2: Mijn moeder draagt een boubou.
- B1: De boubou is een losse, lange jurk die populair is in West-Afrika.
- B2: Luxe boubou’s zijn gemaakt van zijde en versierd met gouden borduursels.
- C1: De boubou is een statussymbool en wordt vaak gedragen bij belangrijke ceremonies en feesten.
Shuka – Shuka – شُكَا
- A2: De Maasai dragen een shuka.
- B1: Een shuka is een kleurrijke doek die als kleding wordt gedragen in Oost-Afrika.
- B2: De patronen en kleuren van een shuka hebben vaak een betekenis binnen de Maasai-cultuur.
- C1: Moderne modeontwerpers laten zich inspireren door de shuka en verwerken de stof in hun ontwerpen.
Gele – Gele (Headwrap) – غيلي
- A2: Haar gele is prachtig geknoopt.
- B1: De gele is een traditionele hoofddoek die vaak bij feestelijke gelegenheden wordt gedragen.
- B2: Het binden van een gele vereist techniek en kan op verschillende manieren gedaan worden.
- C1: De gele is een symbool van elegantie en status binnen West-Afrikaanse gemeenschappen en wordt steeds vaker in de internationale mode gezien.
Kente – Kente – كنتي
- A2: De stof van mijn jurk is kente.
- B1: Kente is een traditionele Ghanese stof met levendige patronen en kleuren.
- B2: Elke kleur en patroon in kente-stof heeft een specifieke symbolische betekenis.
- C1: Kente wordt wereldwijd erkend als een luxe en cultureel belangrijk textielproduct.
Abaya – Abaya – عباءة
- A2: Mijn abaya is zwart.
- B1: Veel vrouwen dragen een abaya als een traditionele en elegante outfit.
- B2: De abaya kan versierd worden met borduurwerk of kralen voor een luxueuze uitstraling.
- C1: In de mode-industrie evolueert de abaya met moderne snits en stoffen, waardoor traditionele en hedendaagse stijlen samenkomen.
Kaftan – Kaftan – قفطان
- A2: Mijn kaftan is kleurrijk.
- B1: In Marokko dragen mensen vaak een kaftan bij speciale gelegenheden.
- B2: De kaftan is een veelzijdig kledingstuk dat zowel informeel als feestelijk gedragen kan worden.
- C1: De moderne kaftan combineert traditionele ontwerpen met eigentijdse stoffen en patronen, wat resulteert in unieke modecreaties.
Djellaba – Djellaba – جلابة
- A2: De djellaba is een lange jurk met een kap.
- B1: Marokkaanse mannen en vrouwen dragen een djellaba voor dagelijks gebruik en speciale gelegenheden.
- B2: Djellaba’s kunnen gemaakt worden van wol voor de winter of van lichte stoffen voor de zomer.
- C1: De djellaba heeft een iconische status in de Noord-Afrikaanse mode en wordt steeds vaker ontworpen met moderne accenten.
Afrikaanse Mode
Kledingstukken
Dashiki – Dashiki – دشكي
- A2: Mijn dashiki is rood en geel.
- B1: De dashiki is een traditioneel West-Afrikaans kledingstuk met felle kleuren.
- B2: Dashiki-shirts worden steeds populairder buiten Afrika en worden vaak gecombineerd met moderne mode.
- C1: De dashiki heeft een rijke geschiedenis en symboliseert Afrikaanse trots en culturele identiteit.
Kitenge – Kitenge – كيتنجي
- A2: Haar rok is van kitenge-stof.
- B1: In Oost-Afrika wordt kitenge gebruikt voor jurken, rokken en hoofdwraps.
- B2: Kitenge-patronen zijn vaak symbolisch en vertellen verhalen over cultuur en erfgoed.
- C1: Tegenwoordig wordt kitenge geïntegreerd in wereldwijde modecollecties, waardoor Afrikaanse textielkunst internationaal erkend wordt.
Boubou – Boubou – بوبو
- A2: Mijn moeder draagt een boubou.
- B1: De boubou is een losse, lange jurk die populair is in West-Afrika.
- B2: Luxe boubou’s zijn gemaakt van zijde en versierd met gouden borduursels.
- C1: De boubou is een statussymbool en wordt vaak gedragen bij belangrijke ceremonies en feesten.
Accessoires
Arabische accessoires
Hijab – Hijab – حجاب
- A2: Zij draagt een hijab.
- B1: De hijab wordt op verschillende manieren gedragen, afhankelijk van de cultuur.
- B2: Modeontwerpers creëren stijlvolle hijabs die passen bij moderne en traditionele outfits.
- C1: De hijab is een belangrijk cultureel en religieus symbool dat wereldwijd steeds meer modieuze interpretaties krijgt.
Tarboesh – Fez – طربوش
- A2: De tarboesh is een rode hoed.
- B1: In sommige Arabische landen dragen mannen een tarboesh bij officiële gelegenheden.
- B2: De tarboesh heeft historische betekenis en wordt vaak gecombineerd met traditionele kleding.
- C1: Hoewel de tarboesh minder vaak gedragen wordt, blijft het een krachtig symbool van Arabische erfgoed en identiteit.
Kohl – Kohl eyeliner – كحل
- A2: Zij gebruikt kohl op haar ogen.
- B1: Kohl wordt al eeuwenlang gebruikt als eyeliner in het Midden-Oosten.
- B2: Naast cosmetische doeleinden werd kohl traditioneel ook gebruikt om de ogen tegen fel zonlicht te beschermen.
- C1: Historisch gezien heeft kohl een culturele en medische betekenis in verschillende Arabische en Noord-Afrikaanse gemeenschappen.
Afrikaanse accessoires
Gele – Gele (Headwrap) – غيلي
- A2: Haar gele is prachtig geknoopt.
- B1: De gele is een traditionele hoofddoek die vaak bij feestelijke gelegenheden wordt gedragen.
- B2: Het binden van een gele vereist techniek en kan op verschillende manieren gedaan worden.
- C1: De gele is een symbool van elegantie en status binnen West-Afrikaanse gemeenschappen en wordt steeds vaker in de internationale mode gezien.
Beadwork – Kralenwerk – زينة الخرز
- A2: Haar ketting is van kralen gemaakt.
- B1: Kralenwerk speelt een belangrijke rol in Afrikaanse mode en sieraden.
- B2: Elk kleurenschema in kralenwerk heeft een specifieke betekenis binnen de Afrikaanse cultuur.
- C1: Beadwork is niet alleen een mode-uitdrukking, maar ook een vorm van cultureel erfgoed dat generaties lang wordt doorgegeven.
Schoenen
Arabische schoenen
Babouches – Babouches – بابوش
- A2: Mijn babouches zijn geel.
- B1: Babouches zijn traditionele Marokkaanse schoenen zonder hiel.
- B2: Babouches kunnen versierd zijn met borduurwerk en patronen.
- C1: Moderne ontwerpers verwerken de babouche-stijl in hedendaagse modecollecties.
Afrikaanse schoenen
Maasai Sandalen – Maasai Sandals – صنادل الماساي
- A2: Deze sandalen komen uit Kenia.
- B1: Maasai-sandalen worden met de hand gemaakt en vaak versierd met kralen.
- B2: De sandalen zijn stevig en comfortabel, perfect voor warm weer.
- C1: De traditionele Maasai-sandaalontwerpen inspireren moderne schoenmerken wereldwijd.
Aso Oke Slippers – Aso Oke Slippers – شباشب أزو أوكي
- A2: Mijn slippers zijn gemaakt van Aso Oke-stof.
- B1: Aso Oke is een traditionele Nigeriaanse stof die gebruikt wordt voor kleding en schoenen.
- B2: De slippers zijn kleurrijk en uniek, passend bij Afrikaanse mode.
- C1: Aso Oke wordt steeds vaker verwerkt in hedendaagse schoenen en accessoires, waardoor traditie en moderniteit samenkomen.
Schoenen en laarzen
Enkellaars – Ankle boot – حذاء برقبة قصيرة
- A2: Mijn enkellaarzen zijn zwart.
- B1: Mijn nieuwe enkellaarzen zijn van echt leer gemaakt en lopen comfortabel.
- B2: Enkellaarzen zijn veelzijdig en passen zowel bij casual als formele outfits.
- C1: Dit type schoen is populair in de herfst en winter vanwege de warmte en stijl die het biedt.
Instappers – Loafers – أحذية بدون أربطة
- A2: Instappers zijn makkelijk aan te trekken.
- B1: Ik heb deze instappers gekocht omdat ze comfortabel zitten en goed bij mijn outfit passen.
- B2: Loafers kunnen zowel casual als chic gedragen worden, afhankelijk van het materiaal en ontwerp.
- C1: In sommige culturen worden leren loafers beschouwd als een symbool van elegantie en verfijning.
Wedges – Wedge heels – أحذية بكعب عريض
- A2: Wedges zijn makkelijke hakken.
- B1: Mijn wedges hebben een stevige hak en zijn perfect voor een zomerse look.
- B2: Wedges bieden meer stabiliteit dan naaldhakken en zijn ideaal voor lange dagen.
- C1: Ontwerpers combineren vaak traditionele stoffen met wedges om een unieke etnische stijl te creëren.
Babouches – Babouches – بابوش
- A2: Mijn babouches zijn geel.
- B1: Babouches zijn traditionele Marokkaanse schoenen zonder hiel.
- B2: Ze worden vaak met de hand gemaakt van leer en versierd met borduurwerk.
- C1: Babouches zijn een belangrijk onderdeel van de Marokkaanse cultuur en worden steeds vaker in de westerse mode geïntegreerd.
Khussa – Khussa shoes – خُصّة
- A2: Mijn khussa’s zijn mooi geborduurd.
- B1: Khussa’s zijn traditionele schoenen uit Zuid-Azië en het Midden-Oosten.
- B2: Deze schoenen zijn handgemaakt en vaak versierd met kralen of goudborduurwerk.
- C1: De khussa is een tijdloos mode-icoon dat nog steeds gedragen wordt bij bruiloften en culturele festiviteiten.
Maasai Sandalen – Maasai Sandals – صنادل الماساي
- A2: Deze sandalen komen uit Kenia.
- B1: Maasai-sandalen worden met de hand gemaakt en vaak versierd met kralen.
- B2: De sandalen zijn stevig en comfortabel, perfect voor warm weer.
- C1: De traditionele Maasai-sandaalontwerpen inspireren moderne schoenmerken wereldwijd.
Aso Oke Slippers – Aso Oke Slippers – شباشب أزو أوكي
- A2: Mijn slippers zijn gemaakt van Aso Oke-stof.
- B1: Aso Oke is een traditionele Nigeriaanse stof die gebruikt wordt voor kleding en schoenen.
- B2: De slippers zijn kleurrijk en uniek, passend bij Afrikaanse mode.
- C1: Aso Oke wordt steeds vaker verwerkt in hedendaagse schoenen en accessoires, waardoor traditie en moderniteit samenkomen.
Tsonga Sandalen – Tsonga Sandals – صنادل تسونغا
- A2: Mijn Tsonga-sandalen zijn van leer.
- B1: De Tsonga-bevolking in Zuid-Afrika maakt handgemaakte sandalen met unieke patronen.
- B2: Deze sandalen worden vaak gemaakt van gerecyclede materialen en zijn duurzaam.
- C1: Tsonga-sandalen worden internationaal erkend als een prachtig voorbeeld van Afrikaans vakmanschap.
Accessoires
Broche – Brooch – بروش
- A2: Oma draagt een broche.
- B1: Ik heb een antieke broche geërfd van mijn oma en bewaar die goed.
- B2: Een broche kan een eenvoudige outfit een chique uitstraling geven.
- C1: In de geschiedenis werden broches vaak gebruikt om sociale status en rijkdom te tonen.
Manchetknopen – Cufflinks – أزرار أكمام
- A2: Hij heeft manchetknopen bij zijn hemd.
- B1: Hij heeft zilveren manchetknopen bij zijn pak gedragen op de bruiloft.
- B2: Manchetknopen zijn een subtiel maar elegant detail bij formele kleding.
- C1: Tegenwoordig zijn manchetknopen er in allerlei stijlen, van klassiek zilver tot gepersonaliseerde ontwerpen.
Clutch – Clutch bag – حقيبة يد صغيرة
- A2: Mijn clutch is klein en rood.
- B1: Haar clutch heeft subtiele gouden details en past perfect bij haar jurk.
- B2: Een clutch is handig voor feestelijke gelegenheden omdat hij klein en stijlvol is.
- C1: Sommige luxe clutch-ontwerpen bevatten edelstenen en worden als modekunst beschouwd.
Hijab – Hijab – حجاب
- A2: Zij draagt een hijab.
- B1: De hijab wordt op verschillende manieren gedragen, afhankelijk van de cultuur.
- B2: Modeontwerpers creëren stijlvolle hijabs die passen bij moderne en traditionele outfits.
- C1: De hijab is een belangrijk cultureel en religieus symbool dat wereldwijd steeds meer modieuze interpretaties krijgt.
Gele – Gele (Headwrap) – غيلي
- A2: Haar gele is prachtig geknoopt.
- B1: De gele is een traditionele hoofddoek die vaak bij feestelijke gelegenheden wordt gedragen.
- B2: Het binden van een gele vereist techniek en kan op verschillende manieren gedaan worden.
- C1: De gele is een symbool van elegantie en status binnen West-Afrikaanse gemeenschappen en wordt steeds vaker in de internationale mode gezien.
Beadwork – Kralenwerk – زينة الخرز
- A2: Haar ketting is van kralen gemaakt.
- B1: Kralenwerk speelt een belangrijke rol in Afrikaanse mode en sieraden.
- B2: Elk kleurenschema in kralenwerk heeft een specifieke betekenis binnen de Afrikaanse cultuur.
- C1: Beadwork is niet alleen een mode-uitdrukking, maar ook een vorm van cultureel erfgoed dat generaties lang wordt doorgegeven.
Cowrie Shells – Kaurieschelpen – أصداف كوري
- A2: Haar armband heeft kaurieschelpen.
- B1: Kaurieschelpen worden vaak gebruikt in Afrikaanse sieraden en accessoires.
- B2: Vroeger werden kaurieschelpen als betaalmiddel gebruikt in sommige Afrikaanse regio’s.
- C1: Vandaag de dag zijn kauries een symbool van spirituele bescherming en rijkdom in de Afrikaanse mode.
Accessoires
- Broche – Brooch – بروش
- A2: Oma draagt een broche.
- B1: Ik heb een antieke broche geërfd van mijn oma en bewaar die goed.
- Manchetknopen – Cufflinks – أزرار أكمام
- A2: Hij heeft manchetknopen bij zijn hemd.
- B1: Hij heeft zilveren manchetknopen bij zijn pak gedragen op de bruiloft.
- Clutch – Clutch bag – حقيبة يد صغيرة
- A2: Mijn clutch is klein en rood.
- B1: Haar clutch heeft subtiele gouden details en past perfect bij haar jurk.
Materialen en stoffen
- Fluweel – Velvet – مخمل
- A2: De bank is van fluweel.
- B1: Mijn fluwelen jurk heeft een zachte glans en voelt luxe aan.
- Kant – Lace – دانتيل
- A2: Haar jurk heeft kant.
- B1: De blouse is prachtig afgewerkt met kant en kleine pareltjes.
- Tweed – Tweed – تويد
- A2: Zijn jas is van tweed.
- B1: Ik heb een klassieke tweedjas in Schotland gekocht en vaak gedragen.
Details en patronen
- Plooien – Pleats – طيات
- A2: Haar rok heeft plooien.
- B1: Mijn rok is mooi geplooid voor extra volume en elegantie.
- Schoudervullingen – Shoulder pads – حشوات الكتفين
- A2: Dit jasje heeft schoudervullingen.
- B1: De blazer met schoudervullingen heeft een krachtige uitstraling gegeven.
- Borduursel – Embroidery – تطريز
- A2: De trui heeft borduursel.
- B1: Het borduursel op deze blouse is met de hand gemaakt en heel gedetailleerd.
Speciale kleding en gelegenheden
- Cocktailjurk – Cocktail dress – فستان كوكتيل
- A2: Haar cocktailjurk is zwart.
- B1: Ze heeft een elegante cocktailjurk gedragen op het feest en veel complimenten gekregen.
- Galakleding – Evening wear – ملابس رسمية للحفلات
- A2: Galakleding is chic.
- B1: Voor het gala heb ik galakleding aangeschaft en zorgvuldig uitgekozen.
- Jumpsuit – Jumpsuit – جمبسوت
- A2: De jumpsuit is blauw.
- B1: Mijn jumpsuit is zowel stijlvol als comfortabel en ik draag hem graag.
Kledingverzorging en onderhoud
- Kreukvrij – Wrinkle-free – خالٍ من التجاعيد
- A2: Mijn shirt is kreukvrij.
- B1: Mijn overhemd is kreukvrij gebleven na het wassen en strijken.
- Handwas – Hand wash – غسيل يدوي
- A2: Dit hemd moet met de hand gewassen worden.
- B1: Mijn zijden blouse moet met de hand gewassen worden om mooi te blijven.
- Stomerij – Dry cleaner – التنظيف الجاف
- A2: Ik breng mijn jas naar de stomerij.
- B1: Mijn jas is professioneel gereinigd bij de stomerij en ruikt nu fris.
Dieren – Animals – الحيوانات
Hond – Dog – كلب
A2: Mijn hond is groot en wit.
B1: Mijn hond is groot, wit en houdt van lange wandelingen in het park.
Kat – Cat – قطة
A2: Mijn kat slaapt op de bank.
B1: Mijn kat slaapt graag op de bank, vooral als de zon schijnt.
Paard – Horse – حصان
A2: Het paard loopt in de wei.
B1: Het paard loopt in de wei en eet gras met andere paarden.
Vogel – Bird – طائر
A2: De vogel zit in de boom.
B1: De vogel zit in de boom en zingt een mooi lied.
Vis – Fish – سمكة
A2: De vis zwemt in het water.
B1: De vis zwemt in het water en eet kleine insecten.
Olifant – Elephant – فيل
A2: De olifant is groot en grijs.
B1: De olifant is groot, grijs en gebruikt zijn slurf om water te drinken.
Leeuw – Lion – أسد
A2: De leeuw leeft in Afrika.
B1: De leeuw leeft in Afrika en is een sterk roofdier.
Tijger – Tiger – نمر
A2: De tijger heeft zwarte strepen.
B1: De tijger heeft zwarte strepen en jaagt ’s nachts op prooien.
Koe – Cow – بقرة
A2: De koe geeft melk.
B1: De koe geeft melk en eet gras op de boerderij.
Ezel – Donkey – حمار
A2: De ezel is sterk.
B1: De ezel is sterk en helpt bij het dragen van zware spullen.
Planten – Plants – النباتات
Boom – Tree – شجرة
A2: De boom is hoog.
B1: De boom is hoog en geeft schaduw in de zomer.
Bloem – Flower – زهرة
A2: De bloem is rood.
B1: De bloem is rood en ruikt heel lekker.
Gras – Grass – عشب
A2: Het gras is groen.
B1: Het gras is groen en groeit snel na de regen.
Struik – Bush – شجيرة
A2: De struik staat in de tuin.
B1: De struik staat in de tuin en heeft mooie groene bladeren.
Blad – Leaf – ورقة
A2: Het blad is geel in de herfst.
B1: Het blad is geel in de herfst en valt op de grond.
Tak – Branch – غصن
A2: De vogel zit op de tak.
B1: De vogel zit op de tak en kijkt naar het nest.
Wortel – Root – جذر
A2: De wortel is onder de grond.
B1: De wortel is onder de grond en geeft voeding aan de boom.
Zonnebloem – Sunflower – دوار الشمس
A2: De zonnebloem is groot.
B1: De zonnebloem is groot en draait met de zon mee.
Klavertje – Clover – نفل
A2: Een klavertje heeft vier blaadjes.
B1: Een klavertje met vier blaadjes brengt geluk.
Mos – Moss – طحلب
A2: Het mos groeit op stenen.
B1: Het mos groeit op stenen in een vochtige omgeving.
Natuur – Nature – الطبيعة
Berg – Mountain – جبل
A2: De berg is hoog.
B1: De berg is hoog en bedekt met sneeuw in de winter.
Rivier – River – نهر
A2: De rivier is lang.
B1: De rivier is lang en stroomt door het hele land.
Meer – Lake – بحيرة
A2: Het meer is blauw.
B1: Het meer is blauw en vol met vissen.
Zee – Sea – بحر
A2: De zee is groot.
B1: De zee is groot en golven maken een mooi geluid.
Strand – Beach – شاطئ
A2: Het strand heeft zand.
B1: Het strand heeft zand en veel mensen komen hier in de zomer.
Duin – Dune – كثيب رملي
A2: De duin is van zand.
B1: De duin is van zand en beweegt door de wind.
Vulkaan – Volcano – بركان
A2: De vulkaan is heet.
B1: De vulkaan is heet en kan lava spuwen.
Grot – Cave – كهف
A2: De grot is donker.
B1: De grot is donker en vol met stalactieten.
Waterval – Waterfall – شلال
A2: De waterval is mooi.
B1: De waterval is mooi en het water stroomt snel naar beneden.
Eiland – Island – جزيرة
A2: Het eiland ligt in de zee.
B1: Het eiland ligt in de zee en heeft witte stranden.
Weer & Seizoenen – Weather & Seasons – الطقس والفصول
Zon – Sun – شمس
A2: De zon schijnt.
B1: De zon schijnt en het is warm buiten.
Regen – Rain – مطر
A2: Het regent vandaag.
B1: Het regent vandaag en de straten zijn nat.
Sneeuw – Snow – ثلج
A2: De sneeuw is wit.
B1: De sneeuw is wit en bedekt de hele stad.
Wind – Wind – ريح
A2: De wind waait hard.
B1: De wind waait hard en de bomen bewegen.
Herfst – Autumn – الخريف
A2: In de herfst vallen de bladeren.
B1: In de herfst vallen de bladeren en wordt het kouder.