B1/B2 – Woorden met meer betekenissen

Geplaatst op door in de categorie Taal, Taal - B1/B2 niveau

In het Nederlands komen veel woorden voor die meerdere betekenissen hebben. Elk woord wordt uitgelegd met meerdere betekenissen en voorbeeldzinnen.



Zelfstandige naamwoorden met meerdere betekenissen

Afspraak

  • Een geplande ontmoeting.
    Ik heb een afspraak bij de tandarts.
  • Een regel die je samen maakt.
    We hebben een afspraak over het huiswerk.

Arm

  • Lichaamsdeel tussen schouder en hand.
    Hij brak zijn arm tijdens het sporten.
  • Iemand die weinig geld heeft.
    Ze zijn erg arm en kunnen niet veel kopen.

Balie

  • De toonbank waar je geholpen wordt.
    Ik vraag informatie bij de balie.
  • Een afdeling binnen een organisatie.
    Hij werkt bij de balie van de klantenservice.

Bank

  • Meubel om op te zitten.
    Ik zit op de bank in de woonkamer.
  • Financiële instelling voor geldzaken.
    Ik heb geld gestort bij de bank.
  • Oever van een rivier.
    We liepen langs de bank van de rivier.
  • Groep rechters in een rechtbank.
    De rechter zat in de bank tijdens de rechtszaak.

Band

  • Muziekgroep.
    De band speelt elke vrijdagavond.
  • Ringvormig voorwerp, bijvoorbeeld bij een auto.
    De band van mijn fiets is lek.

Blad

  • Deel van een boom.
    Er ligt een blad op de grond.
  • Tijdschrift.
    Ik lees een blad over mode.
  • Vel papier.
    Neem een blad papier voor je aantekeningen.

Boek

  • Geschreven verhaal of tekst.
    Ik lees een spannend boek.
  • Administratie of boekhouding.
    Ze houdt de boek bij het bedrijf.

Bord

  • Voorwerp om eten op te leggen.
    Het bord is van porselein.
  • Verkeersbord.
    Het verkeersbord geeft een duidelijke waarschuwing.
  • Schoolbord om op te schrijven.
    Schrijf het antwoord op het bord.

Kamer

  • Ruimte in een huis.
    Mijn kamer is op de eerste verdieping.
  • Politiek orgaan, zoals de Tweede Kamer.
    De Tweede Kamer bespreekt het nieuwe voorstel.

Kussen

  • Zacht object om op te slapen.
    Ik slaap op een zacht kussen.
  • Een zoen.
    Ze gaven elkaar een kussen.

Licht

  • Verlichting, lamp.
    Doe het licht aan in de kamer.
  • Niet donker van kleur.
    Deze jas is licht van kleur.
  • Niet zwaar.
    Hij draagt een lichte tas.

Riem

  • Leren band voor een broek.
    Mijn riem is kapot.
  • Aandrijfriem in machines.
    De riem van de motor moet worden vervangen.

Schimmel

  • Groeisel op eten of muren.
    Er zit schimmel op de kaas.
  • Wit paard.
    De schimmel van Sinterklaas is mooi.

Slot

  • Mechanisme om iets af te sluiten.
    Draai het slot van de deur dicht.
  • Het einde van een verhaal of gebeurtenis.
    Het slot van het boek was verrassend.

Stof

  • Materiaal van kleding of meubels.
    De stof van deze jas is zacht.
  • Kleine deeltjes in de lucht.
    Er zit veel stof op de tafel.

Stem

  • Geluid dat iemand maakt bij spreken of zingen.
    Ze heeft een mooie stem.
  • Recht om te kiezen bij verkiezingen.
    Je mag je stem uitbrengen.

Vijl

  • Gereedschap om iets glad te maken.
    Hij gebruikt een vijl om het hout glad te maken.
  • (Soms) achternaam.
    Meneer Vijl werkt in de school.

Rug

  • Achterkant van het lichaam.
    Hij heeft pijn in zijn rug.
  • Deel van een boek.
    De titel staat op de rug van het boek.

Werkwoorden met meerdere betekenissen

Aannemen

  • Iets in ontvangst nemen.
    Ik neem het pakket aan.
  • Een houding of standpunt veranderen.
    Hij neemt een andere houding aan.
  • Iemand in dienst nemen.
    Ze nemen een nieuwe medewerker aan.

Aanslaan

  • Starten (bijvoorbeeld motor).
    De motor slaat niet aan.
  • Gevat of begrepen worden (bijvoorbeeld grap).
    De grap sloeg niet aan.
  • Effect hebben.
    Het dieet slaat goed aan.

Doen

  • Iets uitvoeren of maken.
    Ik doe mijn huiswerk.
  • Sluiten (bijvoorbeeld deur).
    Doe de deur dicht.
  • Ruzie maken.
    Ze maken ruzie.

Geven

  • Overhandigen.
    Geef mij het boek.
  • Organiseren (bijvoorbeeld feest).
    Ze geven een feest.
  • Zorgen voor iets (bijvoorbeeld regen geeft bloemen).
    De regen geeft mooie bloemen.

Hebben

  • Bezitten.
    Ik heb een fiets.
  • Iets ervaren (bijvoorbeeld honger).
    Hij heeft honger.
  • Een periode hebben (bijvoorbeeld vakantie).
    We hebben vakantie.

Kijken

  • Met de ogen iets zien.
    Ik kijk naar de film.
  • Verwachten of aandacht geven.
    Kijk, dat bedoel ik.
  • Vooruitzien.
    We kijken uit naar de vakantie.

Krijgen

  • Ontvangen.
    Ik krijg een cadeau.
  • Worden (bijvoorbeeld ziek).
    Hij krijgt griep.
  • Bezoek krijgen.
    Ze krijgt bezoek.

Lopen

  • Met de benen bewegen.
    Ik loop naar school.
  • Werken (bijvoorbeeld motor loopt).
    De motor loopt goed.
  • Eindigen (bijvoorbeeld contract).
    Het contract loopt af in juli.

Maken

  • Iets doen of creëren.
    Ik maak een foto.
  • Ruzie hebben.
    Ze maken ruzie.

Ophouden

  • Stoppen met iets.
    Kun je daarmee ophouden?
  • Eindigen (bijvoorbeeld regen).
    De regen houdt op.
  • Zich stilhouden.
    Hij houdt zich op de achtergrond.

Opzetten

  • Iets in elkaar zetten.
    Ik zet een tent op.
  • Iets beginnen (bijvoorbeeld project).
    Ze zet een project op.
  • Iets opzetten (bijvoorbeeld bril opzetten).
    Hij zette zijn bril op.

Sluiten

  • Iets dichtdoen.
    Ik sluit de deur.
  • Een overeenkomst maken.
    Ze sluiten een contract.
  • Stoppen met open zijn (bijvoorbeeld museum).
    Het museum sluit om vijf uur.

Staan

  • Rechtop zijn.
    Ik sta op het station.
  • In een tekst geschreven zijn.
    De naam staat in het boek.

Treffen

  • Iets raken.
    De bal trof hem in het gezicht.
  • Iemand ontmoeten.
    We troffen elkaar op het station.
  • Maatregelen nemen.
    Ze troffen maatregelen tegen de ziekte.
  • Invloed hebben.
    De regels treffen veel mensen.

Vallen

  • Naar beneden gaan.
    Hij viel van de ladder.
  • Beginnen (bijvoorbeeld avond valt).
    De avond valt snel.

Verlopen

  • Eindigen (bijvoorbeeld paspoort).
    Mijn paspoort is verlopen.
  • Gebeuren (bijvoorbeeld vergadering).
    De vergadering verliep rustig.

Zien

  • Met de ogen waarnemen.
    Ik zie een vogel.
  • Afwachten.
    We zullen wel zien.
  • Begrijpen.
    Dat zie je goed.

Zitten

  • Op iets zitten.
    Hij zit op een stoel.
  • In een situatie zijn.
    Hij zit in de problemen.
  • Zich bevinden.
    De winkel zit op de hoek.

Hangen

  • Aan iets vastzitten.
    De jas hangt aan de kapstok.
  • Tijd doorbrengen.
    Ze hangen vaak in het park.

Bijvoeglijke naamwoorden met meerdere betekenissen

Hard

  • Niet zacht.
    De tafel is hard.
  • Moeilijk of zwaar.
    Ze werkt hard voor haar examen.

Licht

  • Niet zwaar.
    De tas is licht.
  • Niet donker van kleur.
    Het is een lichte kleur.

Scherp

  • Snijdend.
    Een scherp mes snijdt goed.
  • Goed observerend of kritisch.
    Hij heeft een scherpe blik.

Snel

  • Met hoge snelheid.
    De auto rijdt snel.
  • Binnen korte tijd.
    Ze is snel klaar met haar werk.

Bijwoorden met meerdere betekenissen

Al

  • Reeds.
    Ik ben al klaar.
  • Ondanks dat.
    Al regende het, gingen ze naar buiten.

Graag

  • Met plezier.
    Ik eet graag pasta.
  • Houden van (Vlaams gebruik).
    Ik zie je graag.

Nog

  • Extra.
    Ik wil nog een kop koffie.
  • Tot nu toe.
    Ik heb het nog niet gedaan.

Wel

  • Toch.
    Ik ga wel mee.
  • Benadrukken.
    Hij is wel aardig.

Voorzetsels met meerdere betekenissen

Aan

  • Vastgemaakt.
    De lamp hangt aan het plafond.
  • Tijdstip.
    Aan het einde van de dag.

Onder

  • Fysieke plaats onder iets.
    De kat ligt onder de tafel.
  • Onder druk staan (figuurlijk).
    Ze staan onder veel stress.

Op

  • Bovenop.
    Het boek ligt op de tafel.
  • Richting of plaats.
    We gaan op vakantie.

Over

  • Onderwerp.
    Hij praat over voetbal.
  • Beweging over iets heen.
    De vogel vliegt over het huis.

Voornaamwoorden met meerdere betekenissen

Die

  • Verwijzend naar iets of iemand.
    Die man is mijn buur.
  • Aanwijzend.
    Die jas vind ik mooi.

Het

  • Onpersoonlijk (bijvoorbeeld het regent).
    Het regent buiten.
  • Verwijzend naar iets.
    Het boek ligt op tafel.

Telwoorden met meerdere betekenissen

Alle

  • Iedereen.
    Alle kinderen spelen buiten.
  • Alles.
    Alle boeken liggen op de tafel.

Een

  • Aantal (1).
    Ik heb een appel.
  • Onbepaald lidwoord.
    Ik wil een glas water.

Twee

  • Hoeveelheid (2).
    Ik heb twee broers.
  • Samen (met z’n tweeën).
    We gaan met z’n tweeën naar het feest.

Veel

  • Grote hoeveelheid.
    Er zijn veel mensen op het plein.
  • Vaak.
    Hij komt hier vaak.

Voegwoorden met meerdere betekenissen

En

  • Opsomming.
    Ik koop brood en melk.
  • Gelijktijdigheid.
    Ze praat en luistert tegelijk.

Maar

  • Tegenstelling.
    Ik wil gaan, maar ik ben moe.
  • Verzachting of relativering.
    Het is maar een spel.

Of

  • Keuze.
    Wil je koffie of thee?
  • Twijfel of indirecte vraag.
    Ik weet niet of hij komt.

Want

  • Reden.
    Ik ga naar huis, want ik ben moe.
  • Tekortkomen (minder gebruikt).
    Hij is ziek, want hij voelt zich niet goed.

Tussenwerpsels met meerdere betekenissen

Ach

  • Teleurstelling.
    Ach, ik ben mijn sleutel kwijt.
  • Acceptatie of berusting.
    Ach, het zal wel goedkomen.

  • Begroeting.
    Hé, hoe gaat het?
  • Waarschuwing.
    Hé, pas op!

Ja

  • Bevestiging.
    Ja, dat klopt.
  • Twijfel of aarzeling.
    Ja… ik weet het niet.

Oh

  • Verrassing.
    Oh, wat leuk!
  • Herkenning.
    Oh, jij bent het!
  • Teleurstelling of paniek.
    Oh nee, dat mag niet!

Bijwoorden van tijd met meerdere betekenissen

Nu

  • Op dit moment.
    Ik ben nu thuis.
  • Omdat, aangezien.
    Nu het regent, blijven we binnen.

Toen

  • In het verleden.
    Toen ik jong was, speelde ik veel.
  • Op het moment dat.
    Toen hij kwam, begon de les.

Straks

  • Binnenkort, later die dag.
    Straks ga ik naar de winkel.
  • Mogelijk later.
    Straks regent het misschien.

Terug naar het overzicht